RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
EiV/cd
Zaak-/rolnr.: 11969895 RL EXPL 25-21635
11 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar buitenlands recht Compania Auxiliar Al Cargo Expres S.A., handelend onder de naam Cacesa, gevestigd te Madrid (Spanje),eisende partij,
hierna te noemen: Cacesa,gemachtigden: mrs. D. Becht, M.K. Tiemensma en N.S. de Haas,
tegen
1. [gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S.O. Voogt,
2. de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
gemachtigde: mr. P.A. Visser,
3. de besloten vennootschap [bedrijf 1] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [bedrijf 1] Holding ,
niet verschenen,gedaagde partijen.
1. Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de dagvaarding van 5 november 2025 met producties 1 t/m 20;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] met producties 1 t/m 21;
de conclusie van antwoord van [bedrijf 1] ;
de akte overlegging producties van Cacesa van 25 juni 2026 met aanvullende producties 21 t/m 31;
de spreekaantekeningen van Cacesa.
Op 7 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Cacesa zijn [naam 1] (CEO), [naam 2] (director of operations), [naam 3] (customs & operations manager NL) en [naam 4] (compliance manager) verschenen. [gedaagde] is verschenen, mede namens [bedrijf 1] . Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de procedure voor één week aangehouden voor bericht van Cacesa over voortprocederen. Cacesa heeft laten weten vonnis te wensen. Daarop is de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.
2. Feiten
Cacesa exploiteert een onderneming in dienstverlening voor de logistieke sector, in het bijzonder met betrekking tot de fiscale afhandeling van de import van goederen in de Europese markt. Cacesa beschikt in Nederland over een vergunning om als fiscaalvertegenwoordiger van haar klanten op te treden richting de (Nederlandse) Douane en Belastingdienst. Ook is Cacesa gerechtigd om zelf douanedocumentatie in te voeren in het systeem van de Nederlandse douane.
[gedaagde] is in oktober 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst bij Cacesa in dienst getreden als branchemanager.
In april 2024 is [gedaagde] door een voormalig klant van Cacesa, Isvel B.V., benaderd met een zakelijk voorstel om een samenwerkingsverband op te richten tussen Cacesa enerzijds en Isvel B.V. en Europai Logistics, een Chinese relatie van Isvel B.V. anderzijds, voor het faciliteren van de invoer van B2B en B2B2C containers en luchtvrachtzendingen op de Europese markt. [gedaagde] heeft voor dit voorstel een business case geschreven, die hij in mei 2024 aan Cacesa heeft gepresenteerd. Cacesa heeft de business case afgewezen.
Op 7 juli 2024 en op 13 november 2024 heeft [gedaagde] als enig aandeelhouder en bestuurder respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding opgericht. Daarnaast is op 13 november 2024 [bedrijf 2] B.V. opgericht, waarvan [bedrijf 1] Holding 35% van de aandelen in eigendom heeft gehad en waarvan [gedaagde] was ingeschreven als gevolmachtigde en CEO.
Op 29 november 2024 heeft de Belastingdienst per brief bij Cacesa in de persoon van [gedaagde] om opheldering gevraagd over verschillende ‘inklaringen’ die met gebruikmaking van de vergunningen, de systeemtoegang en het btw-nummer van Cacesa in het douanesysteem waren ingevoerd in het derde kwartaal van 2024. [gedaagde] heeft op 17 december 2024 – via zijn e-mailadres van Cacesa – aan de Belastingdienst gereageerd dat hij meer tijd nodig heeft om de gevraagde opheldering te kunnen geven.
Op 27 december 2024 heeft [gedaagde] aan Cacesa bericht dat hij zijn arbeidsovereenkomst met haar opzegt per 28 februari 2025. Tot het einde van zijn dienstverband heeft [gedaagde] alle correspondentie namens Cacesa gevoerd in het onderzoek van de Belastingdienst naar de inklaringen.
De Belastingdienst heeft in juli 2025 aan Cacesa aangekondigd dat de door haar als fiscaalvertegenwoordiger verschuldigde borgsom wordt verhoogd van € 5.000,- naar € 315.000,-. Daarnaast heeft de Belastingdienst aan Cacesa aangekondigd dat wordt onderzocht of mogelijk naheffingsaanslagen opgelegd moeten worden voor de inklaringen die in de periode vanaf juli 2024 tot en met februari 2025 via Cacesa zijn verricht.
[bedrijf 2] B.V. is op 19 augustus 2025 failliet verklaard.
Op 22 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag aan Cacesa verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van gedaagden. Cacesa heeft vervolgens beslag laten leggen op de bankrekeningen van gedaagden en op de woning van [gedaagde] .
3. Het geschil
Cacesa vordert dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad (verkort en anders weergegeven):
voor recht verklaart dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Cacesa, althans dat tussen partijen vaststaat dat Cacesa niet bekend is geweest c.q. betrokken is geweest bij de inklaringen die door [gedaagde] – met behulp van de faciliteiten van Cacesa – zijn verricht in de periode juli 2024 tot en met februari 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 17.209.500,- aan verbeurde boetes, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:- een bedrag van € 12.375.146,94; - de incassokosten van € 6.775,-;- de wettelijke rente over deze bedragen vanaf datum dagvaarding;- de proceskosten en de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf een door de kantonrechter te bepalen termijn.
Cacesa legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] in de periode vanaf juli 2024 tot en met februari 2025 zonder toestemming of medeweten van Cacesa haar vergunningen, systeemtoegang en btw-nummer heeft gebruikt om 1.126 inklaringen in te voeren bij de Douane ten behoeve van de door hem opgerichte bedrijven. Daarnaast heeft hij zonder toestemming 180 inklaringen ingevoerd uit naam van Cacesa, maar ten behoeve van derden die geen klant waren van Cacesa. In totaal heeft [gedaagde] dus 1.306 keer misbruik gemaakt van de systemen en vergunningen van Cacesa waar hij als werknemer toegang toe had. Hiermee heeft [gedaagde] 1.306 keer het geheimhoudingsbeding (artikel 11) en het nevenwerkzaamhedenbeding (artikel 12) uit de arbeidsovereenkomst geschonden. Daarnaast heeft hij met het oprichten van zijn bedrijven drie keer het non-concurrentiebeding (artikel 13) geschonden en drie keer het relatiebeding (artikel 14) door een samenwerking aan te gaan met de partijen uit de door Cacesa afgewezen business case. [gedaagde] is daarmee in totaal € 17.209.500 aan contractuele boetes verschuldigd. Daarnaast kwalificeert het handelen van [gedaagde] als een onrechtmatige daad, althans als het opzettelijk toebrengen van schade in de uitvoering van een dienstverband (artikel 7:661 BW), althans als handelen in strijd met het goed werknemerschap (artikel 7:611 BW). Omdat het onrechtmatig handelen mede door en namens [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding is verricht, zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de door Cacesa geleden schade. Deze schade bestaat uit € 310.000,- voor de verhoging van de borgsom door de Belastingdienst, € 12.000.000,- aan (potentiële) naheffingen van de Belastingdienst, € 40.146,94 aan onderzoekskosten en € 15.000,- aan advocaatkosten.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Cacesa in de kosten van deze procedure. [gedaagde] erkent dat hij zonder toestemming of medeweten van Cacesa haar vergunningen, systeemtoegang en btw-nummer heeft gebruikt om 1.126 inklaringen in te voeren bij de Douane. Ten aanzien van de andere 180 inklaringen stelt hij zich op het standpunt dat deze weldegelijk met toestemming van Cacesa en voor een klant van Cacesa zijn verricht. [gedaagde] betwist dat zijn handelen een schending van het geheimhoudingsbeding, het non-concurrentiebeding of het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst oplevert en stelt zich op het standpunt dat het nevenwerkzaamhedenbeding nietig is, althans dat hij dit beding slechts één keer heeft geschonden. [gedaagde] betwist voorts dat hij schade heeft toegebracht aan Cacesa, of dat hij onrechtmatig jegens Cacesa heeft gehandeld. Subsidiair voor het geval komt vast te staan dat [gedaagde] wel boetes en een schadevergoeding verschuldigd is, geldt dat hij op grond van artikel 7:651 BW niet gehouden kan worden om beide te betalen. Meer subsidiair beroept [gedaagde] zich op matiging van de boetes.
[bedrijf 1] concludeert ook tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Cacesa in de proceskosten. [bedrijf 1] betwist enige betrokkenheid te hebben gehad bij het handelen van [gedaagde] , althans betwist dat het handelen van [gedaagde] aan haar als vennootschap kan worden toegerekend.
[bedrijf 1] Holding is in deze procedure niet verschenen.
4. Beoordeling
[bedrijf 1] Holding is in deze procedure niet verschenen. Tegen haar wordt verstek verleend. Voor zover de vorderingen tegen haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen zullen deze worden toegewezen.
De vorderingen van Cacesa vallen uiteen in twee elementen, namelijk vorderingen op grond van schending van verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die [gedaagde] met Cacesa had, en vorderingen uit onrechtmatige daad. De kantonrechter zal deze twee elementen hierna afzonderlijk en achtereenvolgens behandelen, te beginnen met de vorderingen op grond van schending van verschillende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.
Het geheimhoudingsbeding
Artikel 11 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:
“Article: 11 Confidentiality
Aside from knowledge which is accessible from general sources, the Employee is subject, both during and after termination of the employment contract, to a duty of absolute confidentiality in respect of all confidential information which has come to his attention in the performance of his job and in connection with the business and interests of the Employer.
Upon the termination of the employment contract, the Employee furthermore undertakes, immediately and of his own volition, to furnish the Employer with all correspondence and other documents in the broadest sense relating to the Employer’s business, as well as copies or notations thereof, as well as other items or goods which are in his possession in connection with his work for the Employer.
In deviation from the provisions of art. 7:650 paragraphs 3 and 5 Dutch Civil Code, the Employee will forfeit to the Employer, for each breach of the provisions of this article by the Employee, immediately and in full without the need for a summons or notice of default, a penalty of € 10.500, without prejudice to the Employer’s right to demand the loss actually suffered instead.
(…)”
Cacesa stelt dat [gedaagde] lid 1 van dit beding 1.306 keer heeft geschonden door de faciliteiten, wachtwoorden en administratieve gegevens van Cacesa te delen met zijn vennootschappen om de inklaringen die hij voor deze vennootschappen heeft verricht te kunnen uitvoeren. [gedaagde] erkent dat hij de faciliteiten, wachtwoorden en administratie van Cacesa heeft gebruikt om inklaringen te verrichten ten behoeve van [bedrijf 2] , maar hij betwist dat ook te hebben gedaan ten behoeve van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding . De kantonrechter acht door Cacesa onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] ook inklaringen heeft verricht ten behoeve van [bedrijf 1] en of [bedrijf 1] Holding . Cacesa verwijst naar een enkele betaling die door [bedrijf 1] aan de Douane is verricht en naar het feit dat [gedaagde] in zijn e-mailcorrespondentie met de Douane enkele e-mails heeft verstuurd vanuit zijn ‘ [e-mailadres] ’ e-mailadres, maar Cacesa heeft niet toegelicht in welke verhouding deze betaling en e-mails staan tot de door [gedaagde] verrichtte inklaringen, noch welke bedrijfsgevoelige informatie van Cacesa hiermee door [gedaagde] zou zijn gedeeld. Cacesa heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat met de inklaringen klanten van [bedrijf 1] of [bedrijf 1] Holding zijn bediend. Het is dan ook niet gebleken dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden door de faciliteiten, wachtwoorden en/of administratie van Cacesa te delen met [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] Holding . Voor de verdere beoordeling maakt dit echter geen verschil.
Ten aanzien van de inklaringen die [gedaagde] heeft verricht voor [bedrijf 2] geldt dat hij betwist daarvoor bedrijfsgevoelige informatie van Cacesa te hebben gedeeld. Het staat vast dat [gedaagde] zijn inloggegevens bij Cacesa heeft gebruikt om de inklaringen voor [bedrijf 2] te kunnen verrichten. De kantonrechter volgt Cacesa echter niet in haar stelling dat een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding met zich meebrengt dat hiermee sprake is van een schending van de geheimhouding door [gedaagde] , omdat hij op grond van artikel 11 van de arbeidsovereenkomst gehouden is om informatie zoals inloggegevens absoluut vertrouwelijk te houden. Dat [gedaagde] de inloggegevens heeft gebruikt impliceert niet dat deze inloggegevens ook in handen zijn gekomen van [bedrijf 2] . Cacesa heeft niet onderbouwd dat [bedrijf 2] ook buiten [gedaagde] om toegang tot de inloggegevens heeft gehad. Hiermee komt niet vast te staan dat [gedaagde] daarmee zijn geheimhoudingsverplichtingen heeft geschonden. Cacesa heeft daarnaast gesteld dat [gedaagde] met het verrichten van de inklaringen ook bedrijfsgevoelige informatie van Cacesa zou hebben gedeeld met de klanten van [bedrijf 2] , maar [gedaagde] heeft dat betwist en Cacesa heeft dat standpunt niet verder onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbijgegaan.
Verder stelt Cacesa dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden door zonder medeweten van Cacesa in zee te gaan met de partijen uit de door [gedaagde] gepresenteerde business case van mei 2024. Aangezien Cacesa deze business case echter nadrukkelijk heeft afgewezen, valt, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat deze business case bedrijfsgevoelige of vertrouwelijke informatie van Cacesa betreft en/of dat bedrijfsgevoelige informatie bij de betreffende partijen is terecht gekomen.
Cacesa stelt daarnaast dat [gedaagde] lid 2 van artikel 11 heeft geschonden door niet uit eigen initiatief al zijn documentatie en correspondentie aan Cacesa te retourneren na het einde van zijn dienstverband, om welke reden een gemachtigde van Cacesa hem op 9 oktober 2025 heeft moeten vragen deze alsnog op te sturen. [gedaagde] heeft in reactie hierop gesteld dat de gevraagde informatie reeds voor Cacesa te vinden was in de e-mailbox en administratie die [gedaagde] na het einde van zijn dienstverband heeft overgedragen aan zijn opvolger. Cacesa heeft dit niet weersproken. Het is daarom niet komen vast te staan dat [gedaagde] lid 2 van artikel 11 van de arbeidsovereenkomst heeft geschonden.
De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de kantonrechter de vorderingen van Cacesa die gegrond zijn op schending van de geheimhoudingsverplichtingen van [gedaagde] afwijst.
Het nevenwerkzaamhedenbeding
Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:
“Article: 12 Prohibition on secondary employment
The Employee undertakes during the term of this employment contract with the Employer not to work for any other employer of principal, either directly or indirectly, and to refrain from carrying out commercial activities for his own account, unless he has the Employer’s explicit written consent.
In deviation from the provisions of art. 7:650 paragraphs 3 and 5 Dutch Civil Code, the Employee will forfeit to the Employer for every breach of the provisions of this article by the Employee, immediately and in full without the need for a summons or notice of default, a penalty of € 2.500 for each noted breach and of € 250 for each day that the Employee is in breach, without prejudice to the Employer’s right to demand compensation of the actual loss instead.”
Cacesa stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding met de inklaringen 1.306 keer heeft geschonden en dat de schendingen in totaal 242 dagen hebben voortgeduurd, zodat hij 1.306 keer € 2.500,- en 242 keer € 250,- verschuldigd is. [gedaagde] heeft primair tegen dit deel van de vorderingen aangevoerd dat het nevenwerkzaamhedenbeding nietig is op grond van artikel 7:653a lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat een beding waarbij de werkgever verbiedt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, nietig is, tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden.
De kantonrechter verwerpt het beroep van [gedaagde] op nietigheid van het nevenwerkzaamhedenbeding. [gedaagde] betwist niet dat de werkzaamheden die hij heeft verricht ten behoeve van [bedrijf 2] als nevenwerkzaamheden in de zin van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst moeten worden aangemerkt en dat hij daarvoor geen toestemming van Cacesa heeft gehad. Cacesa heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij objectieve redenen zou hebben gehad om toestemming voor die nevenwerkzaamheden te weigeren, had [gedaagde] daar toestemming voor gevraagd. Deze objectieve redenen zijn er hoofdzakelijk in gelegen dat er bij het importeren van goederen in de Europese markt geregeld criminaliteit voorkomt, zodat Cacesa er een groot belang bij heeft dat haar systemen en vergunningen alleen worden gebruikt voor klanten waar zij zelf bekend mee is. Alleen al om die reden had Cacesa de nevenwerkzaamheden die [gedaagde] met de systemen en vergunningen van Cacesa heeft uitgevoerd gerechtvaardigd mogen weigeren. Het verbod op die nevenwerkzaamheden waarop Cacesa zich in deze procedure beroept is daarom niet nietig.
[gedaagde] betwist niet dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden door werkzaamheden voor [bedrijf 2] uit te voeren, maar stelt zich op het standpunt dat sprake is geweest van een enkele schending die 175 dagen heeft voortgeduurd. Een redelijke uitleg van het nevenwerkzaamhedenbeding brengt met zich mee dat het [gedaagde] is verboden om tijdens zijn dienstverband met Cacesa elders een commerciële betrekking aan te gaan, maar daaruit volgt niet dat iedere individuele uitvoeringshandeling vanuit die verboden nevenbetrekking een nieuwe schending van het beding oplevert. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarom in zijn standpunt dat niet iedere inklaring als een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding moet worden gezien, maar dat hij door het aangaan van een commerciële samenwerking met de door Cacesa afgewezen Chinese partners en het verrichten van werkzaamheden voor hen één schending van het beding heeft begaan, die voor een langere periode heeft voortgeduurd. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze schending 242 dagen heeft voortgeduurd, zijnde het aantal dagen tussen begin juli 2024 en het einde van het dienstverband op 28 februari 2025. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij al vóór het einde van zijn dienstverband met de nevenwerkzaamheden is gestopt, maar hij heeft niet concreet gemaakt wanneer dat dan geweest zou zijn en bovendien wordt dit weersproken door een door [gedaagde] zelf overgelegde productie waaruit blijkt dat hij pas op 12 mei 2025 ontslag heeft genomen als CEO van [bedrijf 2] .
Cacesa stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding daarnaast tweemaal heeft geschonden door de oprichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding . [gedaagde] betwist dit en voert aan dat [bedrijf 1] tot op heden een inactieve vennootschap is waarmee nog geen commerciële activiteiten zijn ondernomen. Verder is [bedrijf 1] Holding volgens [gedaagde] enkel opgericht als financiële holding om de oprichting van [bedrijf 2] te faciliteren, zodat ook [bedrijf 1] Holding op zichzelf geen commerciële activiteiten heeft ondernomen en dat in de toekomst ook niet zal doen. In het licht van deze betwisting heeft Cacesa onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] met de oprichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding commerciële activiteiten heeft ondernomen die verboden zijn op grond van het nevenwerkzaamhedenbeding. Uit het nevenwerkzaamhedenbeding volgt niet dat het enkel oprichten van een vennootschap door [gedaagde] een verboden nevenwerkzaamheid is. Verder volgt uit het enkele feit dat voor [bedrijf 1] sinds 8 juli 2024 een website bestaat nog niet dat daarmee door [gedaagde] een commerciële activiteit is ondernomen die onder de reikwijdte van het nevenwerkzaamhedenbeding valt. Dat door [bedrijf 1] enige klant is bediend of dat de inklaringen die door [gedaagde] zijn verricht ook ten behoeve van [bedrijf 1] zijn geweest, is zoals reeds hiervoor overwogen door Cacesa niet met stukken onderbouwd. Daarom is niet komen vast te staan dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding ook heeft geschonden door [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding op te richten.
De slotsom van de voorgaande overwegingen is dat [gedaagde] voor de verboden nevenwerkzaamheden voor zijn Chinese partners in de periode van juli 2024 tot en met 28 februari 2025 een boete verschuldigd is van eenmaal € 2.500,- en 242 maal € 250,-, in totaal € 63.000,-.
Het non-concurrentie- en relatiebeding
Artikel 13 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:“Article: 13 Non-competition clause
After the termination of the employment contract the Employee may not, within an area with a radius of 100 kilometres with as the centre the Employer’s place of business for a period of 12 (twelve) months, set up, run, assist in the running of, or instruct the running of, any form business which is the same as, similar to or related to that of the Employer, either directly or indirectly, or have a financial interest, in whatever form, in such company, directly or indirectly, or work therein or therefore in any way, either for remuneration or free of charge, or have a share therein of whatever nature.
In deviation from the provisions of art. 7:650 paragraphs 3 and 5 Dutch Civil Code, the Employee will forfeit to the Employer for every breach of the provisions of this article by the Employee, immediately and in full without the need for a summons or notice of default, a penalty of € 10.500 for each noted breach and of € 250 for each day that the Employee is in breach, without prejudice to the Employer’s right to demand compensation of the actual loss instead.”
In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst is verder bepaald:“Article: 14 Client clause
The Employee undertakes vis-à-vis the Employer after the end of his employment for a period of 12 months, starting on the date of termination, neither directly nor indirectly, solely, in any form of cooperation with third parties, independently or as subordinate, nor in any other way, to work for or be involved in the carrying out of work in the area similar to that the Employer, for a client of the Employer or on behalf of business relations of the Employer who in a period of 12 months preceding the end of the employment contract was a client of the Employer, nor to in any other way have contact with the clients or business relations in question.
In deviation from the provisions of art. 7:650 paragraphs 3 and 5 Dutch Civil Code, the Employee will forfeit to the Employer for every breach of the provisions of this article by the Employee, immediately and in full without the need for a summons or notice of default, a penalty of € 2.500 for each noted breach and of € 250 for each day that the Employee is in breach, without prejudice to the Employer’s right to demand compensation of the actual loss instead.”
Het staat niet ter discussie dat de reikwijdte van beide bedingen is beperkt tot de periode na het einde van het dienstverband. Cacesa stelt dat [gedaagde] na het einde van de arbeidsovereenkomst met Cacesa concurrerende werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [bedrijf 1] , [bedrijf 1] Holding en [bedrijf 2] . Ook stelt Cacesa dat hij deze werkzaamheden heeft uitgevoerd samen met een relatie van Cacesa, namelijk met de twee Chinese partners uit de door [gedaagde] aan Cacesa gepresenteerde business case van mei 2024. Zoals reeds hiervoor overwogen, heeft [gedaagde] betwist en is door Cacesa onvoldoende onderbouwd dat door [gedaagde] met [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding commerciële activiteiten zijn of worden verricht. De vorderingen van Cacesa slagen daarom niet op de grondslag dat [gedaagde] het non-concurrentie- en relatiebeding zou hebben geschonden door de oprichting van die B.V.’s.
Verder is niet gebleken dat de werkzaamheden die [gedaagde] voor [bedrijf 2] heeft verricht concurreerde met de werkzaamheden van Cacesa, noch dat [gedaagde] die werkzaamheden is aangegaan met een relatie van Cacesa in de zin van het relatiebeding. Het staat vast dat Cacesa de door [gedaagde] opgestelde business case voor deze werkzaamheden nadrukkelijk heeft afgewezen. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat deze afwijzing door Cacesa is gegrond op het feit dat zij de betreffende Chinese partners onvoldoende betrouwbaar achtte en op het feit dat de werkzaamheden van Cacesa zich concentreren op B2C vracht, terwijl de business case betrekking had op B2B en B2B2C vracht. Cacesa heeft aangevoerd dat zij de business case slechts voorlopig heeft afgewezen, maar zij heeft niets ingebracht waaruit blijkt dat zij haar afwijzing op enig moment heeft heroverwogen of nadien enige interesse in de samenwerking heeft getoond. Nu de werkzaamheden die [gedaagde] voor [bedrijf 2] heeft verricht daarom werkzaamheden betreffen waarvan Cacesa nadrukkelijk heeft aangegeven dat zij daarin geen interesse heeft en [gedaagde] deze heeft uitgevoerd met Chinese relaties die door Cacesa nadrukkelijk als partners zijn afgewezen, zijn deze partijen dus per definitie geen relaties van Cacesa en heeft hij het relatiebeding niet geschonden. Ook heeft [gedaagde] het concurrentiebeding niet geschonden, omdat hij door het bedienen van [bedrijf 2] en de Chinese relaties niet in concurrentie is getreden met Cacesa, juist vanwege het feit dat Cacesa door het verwerpen van de business case heeft laten blijken geen interesse te hebben voor dienstverlening aan de betreffende partijen. Dat deel van de vorderingen van Cacesa slaagt dus niet.
Geen matiging boetes
De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat [gedaagde] in totaal € 63.000,- aan contractuele boetes verschuldigd is aan Cacesa voor schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. De overige boetes worden afgewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de verschuldigde boetes te matigen tot hoogstens € 5.000,-, zoals [gedaagde] vraagt. [gedaagde] heeft het vertrouwen en de integriteit van de organisatie van Cacesa op ernstige wijze geschonden. Die schending heeft ook meerdere maanden aangehouden en is door [gedaagde] pas aan Cacesa toegegeven nadat hij reeds zijn ontslag bij haar had aangekondigd. Gelet op de ernst van de feiten acht de kantonrechter het totaal bedrag aan verschuldigde boetes van € 63.000,- dan ook proportioneel en billijk. De wettelijke rente over dat bedrag is als onweersproken toewijsbaar zoals in de beslissing weergegeven.
Samenloop boetes en schadevergoeding
Cacesa vordert naast de boetes ook een schadevergoeding van [gedaagde] . Alvorens verder in te gaan op de gevorderde schadevergoeding, dient eerst de voorvraag te worden beantwoord of het Cacesa is toegestaan om van [gedaagde] zowel contractuele boetes als een schadevergoeding te vorderen.
Artikel 7:651 lid 1 BW bepaalt dat de mogelijkheid een boete op te leggen het recht op schadevergoeding op grond van de wet onverlet laat, maar dat een werkgever voor een zelfde feit niet zowel boete mag heffen als schadevergoeding mag vorderen. Cacesa grondt haar vordering tot schadevergoeding in dit geval evenwel niet op hetzelfde feit als de toegewezen boetes. Aan de toegewezen boetes ligt ten grondslag dat [gedaagde] bepaalde verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst heeft geschonden. Aan de vordering tot schadevergoeding legt Cacesa primair ten grondslag dat zij als gevolg van onrechtmatig handelen van [gedaagde] door met een heimelijke constructie misbruik te maken van zijn bevoegdheden bij Cacesa om inklaringen te verrichten voor aan hem gelieerde vennootschappen schade heeft geleden. Zelfs als de vorderingen met betrekking tot de contractuele boetes zouden worden afgewezen, vordert Cacesa haar schade op grond van slecht werknemerschap van [gedaagde] . Daarom betreft Cacesa’s vordering tot schadevergoeding zowel juridisch als feitelijk een verstrekkender en omvangrijker verwijt dan de schending van bepaalde verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Zowel de juridische als de feitelijke grondslag van de schadevergoeding is dus anders dan die van de toegewezen boetes. Van verboden samenloop is daarom geen sprake.
De onrechtmatige daad
Artikel 6:162 BW bepaalt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
[gedaagde] heeft, zoals gezegd, erkend dat hij zonder toestemming of medeweten van Cacesa gebruik heeft gemaakt van haar systemen en vergunningen om inklaringen te verrichten ten behoeve van [bedrijf 2] , een vennootschap waarvan hij eveneens zonder toestemming of medeweten van Cacesa CEO was en, via [bedrijf 1] Holding , tevens medeaandeelhouder. De stelling van Cacesa dat [gedaagde] met een heimelijke constructie misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden bij Cacesa om inklaringen te verrichten voor aan hem gelieerde vennootschappen staat daarmee vast. [gedaagde] betwist dat hij hiermee enige (belasting)wet- of regelgeving heeft geschonden. Wat daar echter ook van zij, is het handelen van [gedaagde] een zodanig ernstige inbreuk geweest op de integriteit van de organisatie en systemen van Cacesa, die door [gedaagde] welbewust voor Cacesa verborgen is gehouden tot nadat hij zijn ontslag had aangekondigd, dat het handelen van [gedaagde] in ieder geval in strijd is met hetgeen hem in het maatschappelijk verkeer jegens Cacesa betaamt in de zin van artikel 6:162 BW. Daaruit volgt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Cacesa heeft gehandeld. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat dit handelen hem kan worden toegerekend en hij heeft geen beroep gedaan op enige rechtvaardigingsgrond, anders dan dat hij zijn handelen ‘een domme fout’ heeft genoemd. Verder heeft Cacesa voldoende gesteld en onderbouwd dat zij van dit handelen schade heeft geleden, in ieder geval bestaande uit de onderzoeks- en advocaatkosten die zij heeft moeten maken om de inklaringen te onderzoeken en om correspondentie te voeren met de Belastingdienst over potentiële naheffingen voorvloeiend uit de inklaringen.
Dat ook inklaringen zijn verricht voor of ten behoeve van [bedrijf 1] is – zoals eerder al overwogen – door Cacesa onvoldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat ook niet is komen vast te staan dat [bedrijf 1] zelfstandig een onrechtmatige daad jegens Cacesa heeft begaan. Cacesa stelt daarnaast dat [bedrijf 1] en [bedrijf 1] Holding hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade op grond van artikel 6:166 BW. Dat artikel bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
Het is niet komen vast te staan dat [bedrijf 1] ten aanzien van de onrechtmatige daad van [gedaagde] bepaalde gedragingen in groepsverband heeft verricht in de zin van dit artikel. Cacesa verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2020 waaruit volgt dat de wetenschap van de bestuurder van een rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer in beginsel heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Voor zover daarvan in de verhouding tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] al sprake is, neemt dat echter niet weg dat het enkele feit dat [bedrijf 1] wist van de onrechtmatige daad van [gedaagde] niet heeft te gelden als een gedraging van [bedrijf 1] in groepsverband. Het feit dat door [gedaagde] enkele e-mails aan de Douane zijn gestuurd met een e-mailadres dat eindigt op @ [e-mailadres] en door [bedrijf 1] eenmaal een betaling is gedaan voor [bedrijf 2] , is ook onvoldoende om aansprakelijkheid van [bedrijf 1] op grond van artikel 6:166 BW aan te kunnen nemen. Voor zover dit al moet worden aangemerkt als een gedraging van [bedrijf 1] in groepsverband, hetgeen door [bedrijf 1] wordt betwist, is door Cacesa onvoldoende onderbouwd dat [bedrijf 1] zich met het oog op de kans van het toebrengen van schade aan Cacesa van specifiek deze gedragingen had behoren te weerhouden. Hieruit volgt dat de vorderingen jegens [bedrijf 1] worden afgewezen.
Ten aanzien van de vorderingen jegens [bedrijf 1] Holding geldt dat zij in deze procedure niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd. Voor die vorderingen geldt daarom dat deze de kantonrechter bij verstek niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, in ieder geval op de gestelde grondslag dat [bedrijf 1] Holding als financiële holding van [gedaagde] en als (mede)aandeelhouder van [bedrijf 2] in groepsverband betrokken is geweest bij de onrechtmatige daad van [gedaagde] in de zin van artikel 6:166 BW. De vorderingen jegens [bedrijf 1] Holding worden daarom toegewezen, met dien verstande dat zowel ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde] als de vorderingen jegens [bedrijf 1] Holding het volgende wordt overwogen met betrekking tot de schade zelf en de hoogte daarvan.
De schade
Cacesa stelt ten eerste dat haar schade bestaat uit de verhoging van de borgsom die door de Belastingdienst is opgelegd als gevolg van de op onrechtmatige wijze verrichte inklaringen. De kantonrechter verwerpt die stelling. Het bedrag dat Cacesa als borg aan de Belastingdienst heeft betaald zal aan het einde van de borgtermijn in beginsel door de Belastingdienst aan haar worden terugbetaald. Het enkele feit dat de borgsom is verhoogd betekent dus niet dat Cacesa daardoor thans enige schade lijdt of in de toekomst zal lijden. Dit element van de schade wordt daarom afgewezen.
Cacesa stelt dat haar schade daarnaast bestaat uit (potentiële) naheffingen die de Belastingdienst zal opleggen, de advieskosten van Grant Thornton in het onderzoek naar de inklaringen en advocaatkosten. Ten aanzien van de naheffingen kan op dit moment niet worden vastgesteld of en zo ja, tot welke hoogte, deze door de Belastingdienst zullen worden opgelegd. Ook is het voor de kantonrechter onmogelijk om op grond van artikel 6:105 BW een schatting te maken van de goede en kwade kansen dat deze schade zal intreden. Wel staat vast dat, mochten ten gevolge van de op onrechtmatige wijze verrichtte inklaringen aan Cacesa naheffingen opgelegd worden, deze door [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding als schade moeten worden vergoed. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om partijen voor de begroting van de schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat verwijzing naar de schadestaatprocedure niet mogelijk is, omdat in het geheel nog niet vaststaat dat Cacesa daadwerkelijk schade heeft geleden en verwijzing naar de schadestaatprocedure alleen openstaat indien reeds vaststaat dat daadwerkelijk sprake is van schade, waarvoor [gedaagde] en/of [bedrijf 1] Holding aansprakelijk zijn. Dat verweer verwerpt de kantonrechter, omdat uit vaste jurisprudentie volgt dat verwijzing naar de schadestaatprocedure ook mogelijk is indien de grondslag van de aansprakelijkheid vaststaat en voldoende aannemelijk is dat sprake is van schade.
In de schadestaatprocedure kunnen ook de door Cacesa aangevoerde advies- en advocaatkosten worden opgebracht. Het is niet betwist dat Cacesa advies- en advocaatkosten heeft moeten maken als gevolg van de onrechtmatige daad, maar [gedaagde] betwist wel de hoogte van de aangevoerde kosten en de redelijkheid daarvan. Cacesa heeft aangegeven dat zij de advies- en advocaatkosten in deze procedure tot aan de dag van dagvaarding heeft begroot, maar voorzienbaar is dat deze vanwege de lopende discussie met de Belastingdienst en Douane over de eventuele naheffingen nog verder op zullen lopen. De kantonrechter beschikt in deze procedure daarom over onvoldoende gegevens om een oordeel te kunnen geven over de definitieve hoogte van deze schadepost, zodat ook dit punt wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Ook ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten wordt verwezen naar de schadestaatprocedure, omdat de hoogte van het daarvoor toewijsbare bedrag afhankelijk is van de uiteindelijk vastgestelde schade. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding.
Met betrekking tot de schade geldt tot slot dat Cacesa haar advocaatkosten niet als schade kan verhalen voor zover deze betrekking hebben op het voeren van deze procedure. Die kosten zijn slechts toewijsbaar indien kan worden geoordeeld dat het in deze procedure gevoerde verweer misbruik van procesrecht oplevert. Cacesa heeft dat niet gesteld, noch is dit anderszins gebleken. De advocaatkosten van Cacesa voor het voeren van deze procedure worden daarom geacht te zijn verdisconteerd in de proceskostenveroordeling in dit vonnis.
De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht zoals in de beslissing weergegeven toewijst tegenover [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding . Daarnaast worden [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat. De vorderingen jegens [bedrijf 1] worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] en [bedrijf 1] Holding krijgen in deze procedure (overwegend) ongelijk en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten betalen. Daaronder vallen ook de kosten die Cacesa heeft moeten maken voor het leggen van het conservatoir beslag op bezittingen van [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding (artikel 706 Rv), waaronder het salaris voor de gemachtigde van Cacesa voor het verzoekschrift tot beslaglegging, het griffierecht voor het beslagrekest en de verschotten voor de door de deurwaarder uitgebrachte beslag- en betekeningsexploten. Omdat de vorderingen jegens [bedrijf 1] worden afgewezen, worden de gevorderde beslagkosten afgewezen voor zover deze betrekking hebben op de beslag- en betekeningskosten voor ten laste van haar gelegde beslagen. Aan de hand van de door Cacesa overgelegde beslagstukken worden de kosten daarmee begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris gemachtigde € 1.731,00 (1 salarispunt)
- explootkosten € 1.501,15
Totaal € 3.946,15
De proceskosten voor de hoofdzaak jegens [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding worden verder begroot op:
- dagvaarding € 153,28
- griffierecht € 747,00 (€ 1.461,00 - € 714,00 voor griffierecht beslagverlof)
- salaris gemachtigde € 3.462,00 (2 salarispunten)
- nakosten € 144,00
Totaal € 4.506,28
Cacesa krijgt tegenover [bedrijf 1] ongelijk en moet daarom haar proceskosten betalen. Deze worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 3.462,00 (2 salarispunten)
- nakosten € 144,00
Totaal € 3.606,00
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing weergegeven.
De kantonrechter zal hetgeen waartoe [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding in deze procedure worden veroordeeld, voor zover relevant, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat van Cacesa niet verlangd kan worden dat zij een mogelijke hoger beroep procedure moet afwachten, voordat zij toegang krijgt tot hetgeen waartoe [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding in deze procedure worden veroordeeld, voornamelijk de contractuele boete en de proceskosten.
5. Beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding onrechtmatig hebben gehandeld jegens Cacesa met de inklaringen die door [gedaagde] met behulp van de faciliteiten van Cacesa zijn verricht in de periode juli 2024 tot en met februari 2025;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Cacesa van € 63.000,- aan verbeurde contractuele boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2025 tot de dag dat alles is betaald;
veroordeelt [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding hoofdelijk tot betaling van een schadevergoeding aan Cacesa als gevolg van het onder r.o. 5.1. genoemde onrechtmatig handelen, op te maken bij staat;
veroordeelt [gedaagde] en [bedrijf 1] Holding hoofdelijk in de beslagkosten van Cacesa van € 3.946,15 en de proceskosten van € 4.506,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als niet tijdig aan deze veroordeling is voldaan en de kosten van betekening indien het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt Cacesa in de proceskosten van [bedrijf 1] van € 3.606,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan deze veroordeling is voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen onder 5.2 tot en met 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.