ECLI:NL:RBDHA:2026:23390

ECLI:NL:RBDHA:2026:23390

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 12227396 RP VERZ 26-50618
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ontbinding arbeidsovereenkomst van wetenschappelijk directeur van wetenschappelijk bureau van politieke partij, zonder toekenning van een billijke vergoeding. Werknemer erkent dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, nadat aanvraag van werkgever voor reorganisatieontslag door het UWV is afgewezen. Werkgever heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Werknemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van in 2024 uitgekeerde dertiende maand, omdat hij die betaling op eigen initiatief heeft laten uitvoeren, terwijl daarvoor geen grondslag bestaat in de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

EiV/cd

Rep.nr.: 12227396 RP VERZ 26-50618

18 augustus 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting [de stichting], gevestigd te [vestigingsplaats],verzoekster,

hierna: [de stichting],gemachtigden: mrs. R.D. Beudeker en M. Boot,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],verweerder,gemachtigde: mr. M. Gerritsen.

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

het verzoekschrift van 7 mei 2026 met producties 1 t/m 34;

het verweerschrift tevens tegenverzoek met producties 1 t/m 45;

de brief van [verweerder] van 14 juli 2026 met aanvullende productie 46;

de brief van [de stichting] van 15 juli 2026 met aanvullende producties 35 t/m 37;

de brief van [verweerder] van 16 juli 2026 met aanvullende producties 47 en 48;

de pleitaantekeningen van [de stichting];

de pleitaantekeningen van [verweerder].

Op 21 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [de stichting] zijn [naam 1], [naam 2] en [naam 3] verschenen. [verweerder] is verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.

Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.

2. Feiten

[de stichting] is het wetenschappelijk bureau van de politieke partij [partijnaam]. Bij [de stichting] zijn zeven werknemers in dienst. Het bestuur van [de stichting] bestaat uit een ‘curatorium’ van tien leden.

[verweerder] is sinds [datum] 1991 bij [de stichting] in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf 1 oktober 2001 tot 1 oktober 2024 heeft [verweerder] de functie van [functienaam 1] bekleed. Per 1 oktober 2024 is deze functie opgesplitst in de functie van [functienaam 2] en de functie van [functienaam 3]. [verweerder] vervult sindsdien de rol van [functienaam 3].

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 1 oktober 2001 is over het loon van [verweerder] bepaald:

“Artikel 5

Jaarinkomen

Werknemer heeft recht op een jaarinkomen hetwelk is samengesteld uit:

1. Jaarsalaris, zijnde 12 maal het bruto-maandsalaris, hetwelk bij indiensttreding bedraagt f. 9.590,-.

Dit salaris is gelijk aan het salaris van een hoogleraar A bij het Wetenschappelijk Onderwijs en zal periodiek en overeenkomstig de loonontwikkeling worden aangepast. (…)

2. Vakantie-uitkering ter hoogte van 8% van het jaarsalaris (…)

In het addendum op de arbeidsovereenkomst van 1 oktober 2024 is vervolgens bepaald:

“2. Arbeidsduur en salaris

(…)

Het salaris van werknemer met ingang van 1 oktober EUR 8453 bruto zal bedragen.

Alle overige aan de arbeidsduur gekoppelde looncomponenten en/of arbeidsvoorwaarden, waaronder doch niet beperkt tot de opbouw van vakantiedagen en vakantiegeld en de pensioengrondslag, per 1 oktober 2024 pro rata zullen wijzigen ten gevolge van de vermindering van de wekelijkse arbeidsuren. Daarnaast heeft werknemer recht op vergoeding van de kosten voor een OV-jaarkaart 1e klas alsmede op 50% van de premie voor zijn ziektekostenverzekering.

Op 24 april 2025 heeft het curatorium een strategisch jaarplan vastgesteld, waarin is bepaald dat [de stichting] zich in de toekomst minder gaat focussen op grote onderzoeksprojecten en publicaties en meer op advisering van de [partijnaam] en korte, frequente publicaties op sociale media. In aansluiting op dit voornemen heeft het curatorium op 2 oktober 2025 besloten tot een reorganisatie, waarbij de functie van [functienaam 3] moet komen te vervallen.

[de stichting] heeft op 30 oktober 2025 bij het UWV een (voorlopige) aanvraag ingediend tot reorganisatieontslag van [verweerder].

Op 28 november 2025 is tussen [de stichting] en [verweerder] een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op 11 december 2025 heeft [verweerder] de VSO binnen de wettelijke bedenktermijn ontbonden. In zijn ontbindingsbericht schrijft [verweerder]:

Nu gebleken is dat de vaststellingsovereenkomst zoals jullie die mij hebben voorgelegd en die ik, in de veronderstelling dat deze juridisch deugdelijk zou zijn, op 28 november 2025 heb getekend in strijd is met de WNT, vervalt voor mij elke grond om genoemde overeenkomst aan te gaan. Om elk mogelijk misverstand uit de weg te ruimen trek ik via deze email voor alle duidelijkheid mijn handtekening onder de op 28 november bereikte overeenkomst in (…).

Op 15 januari 2026 heeft de voorzitter van het curatorium, [naam 1], [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek over zijn werkzaamheden lopende de ontslagaanvraag. [verweerder] heeft daarop laten weten dat hij enkel via zijn gemachtigde wenst te communiceren. [naam 1] heeft vervolgens de uitnodiging aan de gemachtigde van [verweerder] doorgestuurd. Deze heeft niet op de uitnodiging gereageerd.

Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft het UWV de aanvraag tot reorganisatieontslag van [verweerder] afgewezen.

Naar aanleiding van de afwijzing van de ontslagaanvraag heeft het curatorium [verweerder] per e-mail van 24 maart 2026 opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 26 maart 2026. [verweerder] heeft op 25 maart 2026 geantwoord:

Twee en een half uur geleden heeft mijn advocaat jullie een mail gestuurd waarin duidelijk staat dat het morgen NIET schikt.

Nadat je de inhoud van die mail tot je hebt genomen verdere correspondentie graag, zoals door hem gevraagd, via mijn advocaat. Ik voeg eraan toe dat zowel mijn vertrouwenspersoon als ik graag tevoren vernemen wat de status van het gesprek is en waar het meer precies inhoudelijk over zal gaan. En dat wij mogen verwachten dat het gesprek daar dan werkelijk over gaat, niet zoals met jouw aankondiging van 31 oktober voor het gesprek van 3 november.

De voorzitter van het curatorium heeft vervolgens gereageerd dat het gesprek van 26 maart gezien moet worden als een werkoverleg over de werkzaamheden van [verweerder], dat voor een dergelijk gesprek de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon niet noodzakelijk is en dat [verweerder] geacht wordt te verschijnen. [verweerder] is niet verschenen.

Op 9 april 2026 heeft alsnog een gesprek plaatsgevonden tussen het curatorium en [verweerder]. Daar is onder andere gesproken over het gebrek aan duidelijkheid over de werkzaamheden die [verweerder] sinds de ontslagaanvraag voor [de stichting] heeft uitgevoerd en over een betaling van € 10.071,30 die [verweerder] eind 2024 vanuit [de stichting] aan zichzelf heeft laten doen. Het gesprek is zonder een inhoudelijke conclusie geëindigd.

3. Het geschil

[de stichting] verzoekt de kantonrechter (verkort weergegeven):

de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden;

de einddatum van de arbeidsovereenkomst te bepalen met inachtneming van artikel 7:671b lid 9 sub a BW;

te bepalen dat [verweerder] geen billijke vergoeding toekomt;

voor recht te verklaren dat [verweerder] geen aanspraak heeft op een dertiende maand en/of andere bonusuitkering;

[verweerder] te veroordelen tot terugbetaling van € 10.071,30, te vermeerderen met wettelijke rente;

[verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

[verweerder] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [de stichting], dan wel afwijzing van haar verzoeken. Daarnaast verzoekt [verweerder] de kantonrechter:

voor het geval de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen

1. toekenning van een billijke vergoeding van € 523.000,- bruto;

en bij wijze van (zelfstandig) tegenverzoek

2. voor recht te verklaren dat [verweerder] aanspraak heeft op een dertiende maand en/of andere bonusuitkering van 8,3%;

3. [de stichting] te veroordelen tot betaling van € 37.727,01 bruto;

4. deze beschikking in het tegenverzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

5. [de stichting] te veroordelen in de proceskosten van het verzoek en het tegenverzoek.

4. Beoordeling

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst

[de stichting] stelt primair dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden vanwege het vervallen van de arbeidsplaats van [verweerder] (de a-grond). Subsidiair stelt zij dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Op de zitting is gebleken dat [verweerder] erkent dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat voortzetting van zijn arbeidsovereenkomst met [de stichting] niet langer realistisch is. Daarmee staat vast dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in ieder geval toewijsbaar is op de subsidiair aangevoerde g-grond. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden. Aangezien de juridische gevolgen van een ontbinding op de a-grond dezelfde zijn als die van ontbinding op de g-grond, kan in het midden worden gelaten of de ontbinding daarnaast zou slagen op de primair aangevoerde a-grond.

Geen ernstig verwijtbaar handelen

[verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting]. Het ernstig verwijtbaar handelen is er volgens hem in gelegen dat [de stichting] (samengevat):

op oneigenlijke gronden heeft geprobeerd om het dienstverband met [verweerder] te beëindigen door met een vooropgezet plan de functie van [functienaam 2] van hem te ontnemen, hem (meermaals) een VSO aan te bieden en een onterechte ontslagaanvraag in te dienen bij het UWV;

op verschillende manier [verweerder] heeft buitengesloten van werkzaamheden en (sociale) evenementen, waaronder door het organiseren van de jaarlijkse zomerschool zonder gegronde reden uit het takenpakket van [verweerder] te halen;

[verweerder] onterecht heeft beschuldigd van het aanhangen van extreemrechts gedachtegoed.

De kantonrechter overweegt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting]. Daartoe is het volgende redengevend.

[de stichting] betwist niet dat zij [verweerder] in 2017 eerder een VSO heeft aangeboden ter beëindiging van het dienstverband, die door [verweerder] niet is aanvaard. Het enkel aanbieden van een VSO door [de stichting] levert op zichzelf geen ernstig verwijtbaar handelen op. Door [verweerder] is ook niet gesteld dat [de stichting] zijn afwijzing van deze VSO niet heeft geaccepteerd, of dat zij hem anderszins onder druk zou hebben gezet om die te ondertekenen. Hierin kan het ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting] dus niet zijn gelegen.

Vervolgens is vanaf 2023 tussen partijen discussie ontstaan over het opsplitsen van de functie van [verweerder] als [functienaam 1] in de functies [functienaam 2] en [functienaam 3]. Wat ook zij van de manier waarop die discussie is verlopen –partijen verschillen daarover van mening – staat vast dat [verweerder] uiteindelijk zelf akkoord is gegaan met het wijzigen van zijn functie naar die van [functienaam 3], inclusief de daarbij behorende gewijzigde arbeidsvoorwaarden. Van ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting] is ook hier daarom geen sprake.

Uit het dossier blijkt dat na de functiewijzing tussen partijen een verschil van inzicht is ontstaan over de invulling en noodzaak van de nieuwe functie van [functienaam 3], hetgeen [de stichting] uiteindelijk heeft doen besluiten deze functie middels een reorganisatie te laten vervallen. Ook in dit kader verwijt [verweerder] [de stichting] dat zij hem een VSO heeft aangeboden ter beëindiging van het dienstverband. [verweerder] heeft deze VSO op 28 november 2025 echter zelf aanvaard. Weliswaar heeft [verweerder] de VSO vervolgens binnen de bedenktermijn ontbonden, maar uit zijn ontbindingsbericht blijkt dat dit was ingegeven door de gerezen vrees dat op grond van de Wet Normering Topinkomens (WNT) een deel van de overeengekomen vergoeding door [verweerder] zou moeten worden terugbetaald. Uit dat ontbindingsbericht blijkt niet dat [verweerder] de VSO heeft ontbonden omdat hij zich had bedacht ten aanzien van de noodzaak van de beëindiging van het dienstverband. Mede in het licht van het feit dat [verweerder] dus eerder zelf akkoord is gegaan met beëindiging van het dienstverband, is niet gebleken dat de door [de stichting] ingediende ontslagaanvraag bij het UWV bij voorbaat kansloos was. Dat de ontslagaanvraag zodanig evident ongegrond was dat dit ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting] oplevert, is door [verweerder] ook onvoldoende onderbouwd. Ook hiermee heeft [de stichting] dus niet ernstig verwijtbaar gehandeld.

Ten aanzien van de door [verweerder] gestelde buitensluiting en de (in zijn ogen) pesterijen van [de stichting] geldt dat deze de hoge drempel van ernstige verwijtbaarheid niet halen. In het bijzonder het afnemen van de organisatie van de zomerschool van [verweerder] moet worden bezien tegen de achtergrond van de door [verweerder] in november 2025 ondertekende VSO. Dat [de stichting] gelet op de (op dat moment) naderende beëindiging van het dienstverband in december 2025 buiten medeweten van [verweerder] om is begonnen met de organisatie van de zomerschool, die in voorgaande jaren steeds door [verweerder] werd georganiseerd, kan haar niet ernstig worden verweten. Ook kan [de stichting] niet ernstig worden verweten dat zij [verweerder] in december 2025 van de website heeft verwijderd en zij hem na de ontslagaanvraag niet meer heeft uitgenodigd voor evenementen en werkgroepen. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen (en hun gemachtigden) blijkt dat [verweerder] ook zelf een rol heeft gespeeld in het uitblijven van een normalisatie van de arbeidsverhoudingen, bijvoorbeeld door niet in te gaan op de uitnodiging tot gesprek van 15 januari 2026 en de uitnodiging voor 26 maart 2026 af te wijzen. [de stichting] heeft daaruit begrijpelijkerwijs kunnen afleiden dat [verweerder] zelf niet gericht was op een ‘normale’ hervatting van zijn gebruikelijke werkzaamheden, inclusief de deelname aan evenementen en werkgroepen. De conclusie dat [de stichting] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem niet meer voor dergelijke aangelegenheden uit te nodigen, is, anders dan [verweerder] meent, dan ook niet gerechtvaardigd.

Tot slot stelt [verweerder] dat [de stichting] hem bij monde van de [functienaam 2] heeft beschuldigd van het aanhangen van extreemrechts gedachtegoed. Daarnaast heeft [verweerder] een aantal andere kleine ‘incidenten’ aangehaald die zouden hebben plaatsgevonden tussen hem en de [functienaam 2]. [verweerder] heeft, wat daar echter ook van zij, in deze procedure niet onderbouwd dat enig causaal verband bestaat tussen deze gestelde incidenten en het einde van het dienstverband. Reeds om die reden kan dit niet tot toewijzing van een billijke vergoeding leiden.

De slotsom van de voorgaande overwegingen is dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding bij gebrek aan ernstig verwijtbaar handelen van [de stichting] wordt afgewezen. Voor zover [de stichting] heeft bedoeld hierover een verklaring voor recht te verzoeken, wordt die verklaring echter afgewezen, omdat [de stichting] na afwijzing van de billijke vergoeding in deze procedure geen belang meer heeft bij een losse verklaring voor recht op dit punt.

De einddatum van het dienstverband

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder dat dit ernstig aan een van de partijen is te wijten. De einddatum van het dienstverband moet daarom worden vastgesteld met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn en onder aftrek van de procedure tijd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). In artikel 17 van de arbeidsovereenkomst van 1 oktober 2001 is een opzegtermijn van zes maanden overeengekomen, waarbij opzegging dient te geschieden tegen de laatste dag van een kalendermaand. Het ontbindingsverzoek is ontvangen op 7 mei 2026, zodat bij regelmatige opzegging de arbeidsovereenkomst door [de stichting] had mogen worden opgezegd per 31 november 2026. Deze beschikking wordt uitgesproken op 18 augustus 2026. Dat betekent dat aan proceduretijd 3 maanden en 11 dagen is verstreken, die in mindering moeten worden gebracht op de opzegtermijn. Na aftrek van de proceduretijd dient echter een termijn van minstens één maand te resteren. Zodoende wordt de einddatum 18 september 2026.

Nu het einde van het dienstverband niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder], heeft hij recht op een transitievergoeding. Hoewel partijen in deze procedure wel stellingen hebben ingenomen over de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding, constateert de kantonrechter dat geen van beide partijen in hun petitum om de toekenning van een transitievergoeding hebben verzocht. Aangezien de kantonrechter niet meer mag toewijzen dan in de procedure is verzocht, kan over de hoogte van de transitievergoeding daarom geen beslissing worden genomen.

Geen recht op een dertiende maand of bonusuitkering

Ten aanzien van het door [verweerder] gestelde recht op een dertiende maand of bonusuitkering overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 5 van de arbeidsovereenkomst uit 2001 bepaalt dat [verweerder] recht heeft op “12 maal het bruto-maandsalaris”. [verweerder] heeft niet onderbouwd dat nadien is overeengekomen dat hij daarbovenop een extra dertiende maand of andere bonusuitkering zou ontvangen. De dertiende maand staat niet vermeldt in het addendum van oktober 2024 en door [verweerder] zijn geen stukken overgelegd waaruit een dergelijke afspraak blijkt. Volgens [verweerder] volgt zijn recht op een dertiende maand uit het feit dat deze sinds 2009 in de CAO Universiteiten is opgenomen. In de arbeidsovereenkomst van 2001 staat over het loon van [verweerder] echter slechts dat het “salaris gelijk [is] aan het salaris van een hoogleraar A bij het Wetenschappelijk Onderwijs” en “periodiek en overeenkomstig de loonontwikkeling [zal] worden aangepast”. Daaruit volgt niet dat de CAO Universiteiten door partijen volledig en onverkort op de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard. Bovendien staat vast dat partijen feitelijk nooit uitvoering hebben gegeven aan het in de CAO Universiteiten opgenomen recht op een dertiende maand. Een dertiende maand is, met uitzondering van het jaar 2024, nooit eerder aan [verweerder] uitbetaald. [verweerder] betwist ook niet dat die eenmalige betaling in 2024 op zijn eigen initiatief en zonder medeweten van het curatorium is verricht.

Nu – gelet op het voorgaande – niet is gebleken dat de betaling van eind 2024 van € 10.071,30 grondslag vindt in de arbeidsovereenkomst en een andere rechtsgrond voor die betaling niet is gesteld, moet dit bedrag als onverschuldigd betaald door [verweerder] worden terugbetaald aan [de stichting]. Dat verzoek wordt daarom toegewezen, met dien verstande dat [de stichting] op de zitting heeft aangegeven dat het gaat om een brutobedrag, zodat de terugbetaling ook als zodanig wordt toegewezen. Ook de daarover verzochte wettelijke rente is als onweersproken toewijsbaar.

Het tegenverzoek van [verweerder] tot verklaring voor recht dat hij recht heeft op een dertiende maand of bonusuitkering en de daarnaast verzochte betaling van die dertiende maand of bonusuitkering over 2021 tot en met 2025, worden, gelet op het hiervoor overwogene, afgewezen. De door [de stichting] verzochte verklaring voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een dertiende maand of bonusuitkering wordt eveneens afgewezen, omdat [de stichting] na de veroordeling tot terugbetaling van € 10.071,30 bruto geen belang meer heeft bij een losse verklaring voor recht op dit punt.

Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad

[verweerder] krijgt in de zaak van het verzoek ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [de stichting] worden begroot op:

- griffierecht € 139,00

- salaris gemachtigde € 1.154,00 (tarief WWZ complex)

- nakosten € 144,00 (plus eventueel de kosten van betekening)

Totaal € 1.437,00

[verweerder] krijgt ook in de zaak van het tegenverzoek ongelijk en moet daarom ook in die procedure de proceskosten betalen. Het tegenverzoek vloeit echter geheel voort uit het verweer tegen het verzoek. De proceskosten van [de stichting] worden in die procedure daarom vastgesteld op nihil.

[de stichting] heeft in haar petitum niet om uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beschikking verzocht. Bij beschikking kan de kantonrechter daartoe echter ook ambtshalve besluiten (art. 288 Rv). De kantonrechter zal daarom de beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitvoerbaar bij voorraad verklaren, aangezien deze beslissing naar zijn aard uitvoerbaar bij voorraad dient te zijn gelet op de vastgestelde einddatum.

5. Beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 18 september 2026;

veroordeelt [verweerder] om aan [de stichting] te betalen een bedrag van € 10.071,30 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van verzuim tot de dag dat alles is betaald;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [de stichting], begroot op € 1.437,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend;

verklaart de beslissing onder r.o. 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaak van het tegenverzoek:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [de stichting], begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. O. van der Burg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand