RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
MB/B
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12073060 \ RL EXPL 26-2257
Vonnis van 18 augustus 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 januari 2026
het antwoord van gedaagde zoals blijkt uit de aantekeningen van de (rol)zitting van 5 maart 2026.
de akte eiseres van 3 juni 2026 met aanvullende productie alsmede depot van een usb-stick ter griffie.
Op 21 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij is verschenen mw. [naam 1] , namens de gemachtigde van Q-Park. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld van haar zoon [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is het vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Q -Park exploiteert de parkeergarage De Rotterdam in Rotterdam (hierna: de ‘parkeergarage’).
Het parkeermanagementsysteem en bijbehorende camera’s van Q-Park hebben geregistreerd dat een voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) op 11 november 2025 gebruik heeft gemaakt van de parkeergarage. Deze auto staat op naam van [gedaagde] .
Bij de ingang van de parkeergarage wordt voorafgaand aan het naar binnen rijden de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden van Q-Park kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord. In de algemene voorwaarden staat – voor zover van belang – het volgende:
“5.5 Het met een Motorvoertuig of enig ander voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
Q-Park is vrij het in artikel 5.5 genoemde bedrag aan aanvullende schadevergoeding jaarlijks te indexeren conform CPI.”
De auto is op 11 november 2025 om 20:19 uur de parkeergarage uitgereden zonder gebruikmaking van een geldig parkeerbewijs door direct achter een voorganger onder de slagboom door te rijden.
3. Het geschil
Q-Park vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 442,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Q-Park baseert haar vordering op het volgende. [gedaagde] is op 11 november 2025 de parkeergarage binnengereden waardoor er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Q-Park van toepassing. Bij het uitrijden heeft [gedaagde] niet betaald en ‘treintje gereden’ en daarmee in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Op grond van art. 5.5 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] het parkeergeld en de aanvullende schadevergoeding verschuldigd. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet heeft betaald moet zij ook de wettelijke rente hierover betalen en de buitengerechtelijke incassokosten. Meer subsidiair heeft Q-Park gesteld dat [gedaagde] door het ‘treintje rijden’ onrechtmatig gehandeld heeft naar haar.
[gedaagde] voert verweer en voert aan dat – hoewel zij kentekenhouder is van de betreffende auto –zij op de datum waarop de gestelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden niet de bestuurder van de auto was maar [naam 2] . Bij antwoord en tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 2] dit bevestigd. [gedaagde] verzoekt de vordering van Q-Park daarom af te wijzen en Q-Park te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De hoogte van de schadevergoeding is niet oneerlijk
Q-Park vordert schadevergoeding op grond van artikel 5.5 van haar algemene voorwaarden. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd en of de bedingen in de gesloten overeenkomst oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en in de algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen over de gevorderde hoofdsom, de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter moeten worden vernietigd. Een beding kan bijvoorbeeld oneerlijk zijn als het beding tot doel heeft om een consument die zijn verplichtingen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de schadevergoeding zoals opgenomen in artikel 5.5 van de algemene voorwaarden niet onredelijk hoog is en staat deze in een redelijke verhouding tot de (te verwachten) schade als gevolg van het ‘treintje rijden’. Artikel 5.5 is een schadevergoedingsbeding, op grond waarvan een klant die ‘treintje rijdt’ een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 verschuldigd is.
Gelet op de gemotiveerde onderbouwing die Q-Park over de hoogte van de schadevergoeding heeft gegeven, is ook in dit geval geen sprake van een onredelijk bedrag. Volgens Q-Park dient het forfaitaire bedrag van € 382,41 als prikkel tot nakoming (namelijk: pas uitrijden nadat er is betaald) en mag het bedrag in dat kader voldoende afschrikwekkend zijn om te voorkomen dat auto’s direct achter hun voorganger naar buiten rijden. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang dat Q-Park hierbij heeft: het dient voor vergoeding van algemenere schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur om treintje rijden te voorkomen en klachten daarover te behandelen. Ook kan treintje rijden leiden tot kopieergedrag, schade aan de slagboom bij het uitrijden en een onveilig gevoel in de parkeergarage.
Wie heeft er gereden?
Bij antwoord en ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat niet zij maar [naam 2] , rijdend in haar auto, op 11 november 2025 in de rij van de parkeergarage stond maar zich vanwege de drukte bedacht. Hij kon de rij niet meer verlaten en moest de parkeergarage inrijden. Hij is direct naar de uitgang gereden en heeft geprobeerd weer uit te rijden. Hij is maar één minuut binnen geweest en heeft bij het uitrijden tevergeefs zijn inrijkaart aangeboden en de hulpknop bij de slagboom ingedrukt, maar zijn oproep werd niet beantwoord. Daarop besloot hij achteruit te rijden om vervolgens achter een uitrijdende auto aan te rijden.
Q-Park heeft zich in de procedure op het standpunt gesteld dat in zijn algemeenheid de kentekenhouder vermoed wordt bestuurder te zijn. De kantonrechter is van oordeel dat registratie als kentekenhouder weliswaar het (weerlegbare) vermoeden rechtvaardigt dat de kentekenhouder ook de bestuurder was die de parkeerovereenkomst is aangegaan. Als echter voldoende onderbouwd gesteld wordt dat de kentekenhouder niet de bestuurder is geweest, dan geldt het rechtsvermoeden niet langer en komt het aan op bewijslevering.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak voldoende onderbouwd door [gedaagde] is gesteld dat niet zij maar [naam 2] heeft gereden, hetgeen [naam 2] ter zitting heeft bevestigd. De gemachtigde van Q-Park heeft ter zitting verklaard: “als Q-Park vóór het uitbrengen van de dagvaarding bekend was geweest met de verklaringen van [gedaagde] en haar zoon dan had zij een andere partij gedagvaard”. Hiermee heeft Q-Park naar het oordeel van de kantonrechter erkend dat [naam 2] en niet [gedaagde] de bestuurder van de auto is geweest. Q-Park heeft ter zitting ook verder haar stellingen dat [gedaagde] heeft gereden niet langer gehandhaafd. De vordering van Q-park kan dan niet worden gegrond op de stelling dat met [gedaagde] een overeenkomst is gesloten.
Q-Park heeft subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig naar haar heeft gehandeld door op 11 november 2025 direct achter een voorganger, althans zonder te betalen, de parkeerfaciliteit te verlaten. Zoals hiervoor is overwogen, is vast komen te staan dat niet [gedaagde] op 11 november 2025 als bestuurder van de auto gebruik heeft gemaakt van de parkeerfaciliteit van Q-Park en zonder te betalen de parkeerfaciliteit heeft verlaten. In het verlengde daarvan is dus ook niet vast komen te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Q-Park.
Het voorgaande betekent dat er geen grondslag bestaat voor toewijzing van de vordering van Q-Park. De vordering wordt daarom afgewezen. [gedaagde] hoeft het tarief voor een verloren parkeerkaart van € 2,00 en de aanvullende schadevergoeding van € 382,41 dus niet aan Q-Park te betalen. Omdat de door Q-Park gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van de daaraan gekoppelde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen.
Q-Park is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- verletkosten
€
50,00
Totaal
€
50,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van Q-Park af,
veroordeelt Q-Park in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Q-Park niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.