Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/044976-26 en 09/007788-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 mei 2026 (pro forma) en 7 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 augustus 2026 – tenlastegelegd dat:
Dagvaarding I (09/044976-26) 1hij op of omstreeks 12 februari 2026 te Katwijk [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] te slaan in zijn oog, althans in het gezicht;
2hij op of omstreeks 22 januari 2026 te Rijnsburg, gemeente Katwijk een geldbedrag van ongeveer 20,88 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onrechtmatig gebruik te maken van de pinpas van die [aangever 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 januari 2026, te Rijnsburg, gemeente Katwijk (van) een pinpas, althans een of meer voorwerpenSub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Dagvaarding II (09/007788-26) 1hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Katwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: kankerlijer en/of teringhond, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Katwijk opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 Sv, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een speekselonderzoek en/of een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.
3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wat betreft het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte wegens dit feit onrechtmatig in verzekering is gesteld, omdat belediging van een ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie geen strafbaar feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet in verzekering gesteld had mogen worden wegens dit feit, maar dat dit vormverzuim geen reden is om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat zij voor dit feit geen straf of maatregel vordert en dat daarom geen ander rechtsgevolg aan het vormverzuim hoeft te worden verbonden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voor de duur van twee dagen in verzekering is gesteld in verband met een verdenking van belediging. Nu belediging geen strafbaar feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, is ook de inverzekeringstelling voor dit feit niet toegelaten. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig in verzekering is gesteld. Evenals de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat sprake is van een vormverzuim.
Volgens de raadsman moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) overweegt de rechtbank dat dit rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen aan vormverzuimen wordt verbonden. Hiervoor bestaat alleen aanleiding als sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde.
4. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 primair en bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen en het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Vrijspraak feit 2 dagvaarding II
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Van een bevel of vordering ‘krachtens enig wettelijk voorschrift’ is geen sprake. De verdachte was niet aangehouden voor een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl dit wel is vereist voor het bevelen van het verlenen van medewerking aan een onderzoek van uitgeademde lucht of speekselonderzoek op grond van artikel 55d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I feit 1
Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte op 12 februari 2026 in een bus in Katwijk heeft geslagen richting het gezicht van de aangever. Volgens de aangever heeft de verdachte hem daarbij geraakt en is de vinger van de verdachte in zijn linkeroog gekomen. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij de aangever heeft geraakt.
De rechtbank overweegt dat de aangever consequent heeft verklaard dat de verdachte hem heeft geraakt. Hij heeft immers kort na het incident tegen zowel zijn vriendin als de buschauffeur gezegd dat de vinger van de verdachte in zijn linkeroog is gekomen. De verklaring van de aangever vindt bovendien steun in de beschrijving van de camerabeelden in de bus. Daaruit volgt dat de aangever, direct nadat de verdachte richting zijn gezicht slaat, tweemaal met zijn hand naar de linkerkant van zijn gezicht grijpt en zegt ‘hij steekt hem zo in mijn oog’. Die beschrijving komt overeen met wat de rechtbank op de camerabeelden heeft gezien.
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde mishandeling heeft gepleegd.
Ten aanzien van dagvaarding I feit 2
De rechtbank stelt vast dat op 12 februari 2026 bij de insluitingsfouillering van de verdachte in zijn portemonnee een pinpas op naam van de aangever is aangetroffen. De aangever bleek zijn pinpas op 19 januari 2026 te zijn kwijtgeraakt. In de tussentijd zijn verschillende transacties verricht met de pinpas van de aangever.
Vrijspraak diefstal en opzetwitwassen
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte de pinpas heeft gestolen of wist dat de pinpas uit misdrijf afkomstig was, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanwijzingen bevat. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde diefstal en het subsidiair tenlastegelegde opzetwitwassen.
Bewezenverklaring schuldwitwassen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het impliciet meer subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen en overweegt daartoe het volgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij de pinpas van een vriend van hem, [naam] , heeft gekregen. Hij heeft verder verklaard dat hij niet wist van wie de pinpas was, maar dat hij daarmee wel een keer heeft gepind bij de Action in Katwijk.
De rechtbank zal uitgaan van die verklaring van de verdachte en deze voor het bewijs gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte zich moeten afvragen van wie deze pinpas was. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte de pinpas heeft gekregen van een vriend van hem van wie hij heeft verklaard dat hij toen wist dat die [naam] heet. Van [naam] wist hij dat die op dat moment op straat leefde en geen inkomen had, waardoor de verdachte er niet zonder meer van uit kon gaan dat [naam] een pinpas kon verstrekken waarmee de verdachte betalingen mocht doen. Dit geldt temeer nu de pinpas zichtbaar niet op naam van deze [naam] stond maar op naam van [aangever 2] . Door geen onderzoek te doen naar de herkomst van de pinpas, heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Hij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de pinpas van enig misdrijf afkomstig was en de rechtbank acht daarom schuldwitwassen bewezen.
Ten aanzien van dagvaarding II feit 1
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde belediging van verbalisant [verbalisant] heeft gepleegd.
Door de verdediging is aangevoerd dat de belediging niet kan worden bewezen aangezien het dossier geen bodycambeelden van de aanwezige verbalisanten bevat.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verbalisant] steun vindt in de verklaring van een andere verbalisant die de belediging heeft gehoord. Door de verdediging is onvoldoende onderbouwd dat aan de verklaringen van de verbalisanten zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om aan die verklaringen te twijfelen. De rechtbank gaat dan ook uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten en verwerpt dit verweer.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09-044976-26)
1hij op 12 februari 2026 te Katwijk [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] te slaan in zijn oog;
2 subsidiairhij op 22 januari 2026, te Rijnsburg, gemeente Katwijk (van) een pinpas, - voorhanden heeft gehad en- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
Dagvaarding II (09-007788-26) 1hij op 8 januari 2026 te Katwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: kankerlijer en teringhond, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De op te leggen maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte, ten aanzien van het bij dagvaarding I tenlastegelegde, een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr): schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel disproportioneel is en heeft verzocht tot oplegging van gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur dan het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door de aangever te slaan in een bus. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. De verdachte was ten tijde van de mishandeling onder invloed van alcohol en hij vertoonde hinderlijk gedrag, ook richting andere personen in de bus.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door de pinpas van een ander voorhanden te hebben en te gebruiken, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die pinpas afkomstig was uit misdrijf. Daardoor heeft de aangever financiële schade geleden.
Tot slot heeft de verdachte een politieagent beledigd. Daarmee heeft de verdachte laten zien het openbaar gezag niet te respecteren. De agent kwam af op een melding over de verdachte dat hij bij de ingang van een winkelcentrum stond en een mes in zijn handen had. Ook ten tijde van dit incident was de verdachte onder invloed van alcohol.
De rechtbank ziet in de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd een patroon van hinderlijk en overlastgevend gedrag van de verdachte.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte meermaals eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 22 mei 2026 over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte.
Uit dat reclasseringsadvies volgt dat sprake is van problematiek op nagenoeg alle leefgebieden. De reclassering constateert bij de verdachte een patroon van het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Het plegen van strafbare feiten door de verdachte heeft volgens de reclassering te maken met zijn traumatische verleden, middelengebruik, gebrek aan huisvesting en negatieve sociale netwerk. Zowel het risico op recidive als het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. In voorgaande reclasseringstoezichten stagneerde de uitvoering van bijzondere voorwaarden door de niet-meewerkende en ambivalente houding van de verdachte. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om de verdachte in een ambulant kader te begeleiden. Het middelengebruik van de verdachte is de voornaamste risicofactor en voorgaande ambulante behandelingen hebben niet geleid tot abstinentie. De reclassering is daarom van mening dat een langdurige klinische behandeling in de rede ligt. In november 2025 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
ISD-maatregel
De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld (dagvaarding I feiten 1 en 2) zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij deze feiten pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Dit alles bij elkaar genomen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en/of schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en/of goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de door de reclassering geschetste problematiek van de verdachte en zo herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel voorkomen. Om daarvoor voldoende tijd te geven zal de rechtbank de onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. Om diezelfde reden zal de tijd die de verdachte in de zaak met parketnummer 09/044976-26 (dagvaarding I) in voorlopige hechtenis heeft gezeten niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel. Nu de inverzekeringstelling in de zaak met parketnummer 09/007788-26 (dagvaarding II) onrechtmatig was, zullen de twee dagen die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht wel in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel, om op die manier het vormverzuim te compenseren.
Voor het beledigen van de politieagent (dagvaarding II feit 1), zal de rechtbank de verdachte schuldig verklaren zonder aan hem daarvoor een straf of maatregel op te leggen. De oplegging van een straf naast oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel acht de rechtbank niet opportuun.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen: 38m, 38n, 57, 266, 267, 300 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 primair en bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 en 2 subsidiair en bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van dagvaarding I feit 2:
schuldwitwassen;
ten aanzien van dagvaarding II feit 1:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
ten aanzien van dagvaarding I feiten 1 en 2:
veroordeelt de verdachte tot:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht in de zaak met parketnummer 09/007788-26 (duur: 2 (twee) dagen), bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde maatregel geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
ten aanzien van dagvaarding II feit 1:
bepaalt dat ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.C. Berg, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2026.