ECLI:NL:RBDHA:2026:23419

ECLI:NL:RBDHA:2026:23419

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/09/683728 / FA RK 25-2874
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Alimentatie. Geen terugwerkende kracht. Ook de schoolkosten niet met terugwerkende kracht vaststellen. Alimentatie in verschillende periodes door verschillende behoeftebedragen

Uitspraak

Alimentatie

Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.B. van de Bunt in ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.T.R.J. Bracke in ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- een zorgregeling vastgesteld tussen [de minderjarige] en de man, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft:

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – na wijziging – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- zolang de vrouw in de echtelijke woning woont, de man de volledige

woonlasten voldoet en [de minderjarige] ingeschreven staat op de [school 1] , met ingang van 25 juni 2021: een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van

€ 1.235,- per maand, met aftrek van hetgeen de man voor [de minderjarige] heeft voldaan;

- met ingang van de datum beschikking: een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 761,- per maand, en een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te bepalen van € 1.667,- bruto per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

- voorwaardelijk, indien de kosten voor de [school 1] en kinderopvang niet bij de behoefte worden opgeteld, of de kinderalimentatie niet met terugwerkende kracht wordt vastgesteld: de man te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten voor de [school 1] en kinderopvang, terugwerkend tot 25 juni 2021.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig:

Beoordeling

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat [de minderjarige] in Nederland woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Op het verzoek zal de rechtbank Nederlands recht toepassen (artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is onderhoudsverplichtingen).

Inhoudelijke beoordeling

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie bespreken.

Tussen de ouders is de ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie in geschil.

De vrouw verzoekt primair om de kinderalimentatie met ingang van 25 juni 2021 – zijnde de datum van de aanvraag van de echtscheiding – vast te stellen. Volgens haar waren de betalingen van de man in 2021 tot en met 2023 onregelmatig en ontoereikend. De bedragen die de man vanaf 2024 heeft betaald, heeft hij niet rechtstreeks aan de vrouw voldaan, maar overgemaakt op de rekening van [de minderjarige] . De vrouw kon enkel pinnen met de pas van deze rekening, had geen toegang tot de bank en kon met deze bedragen niet alle schoolkosten betalen.

De man verweert zich tegen een ingangsdatum met terugwerkende kracht en acht het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking. Hij voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. De man heeft de afgelopen jaren altijd bijgedragen aan de kosten voor [de minderjarige] . De gemiddelde maandelijks betaalde kinderalimentatie bedroeg in 2021 € 572,-, in 2022 € 402,- en in 2023 € 657,-, en vanaf 2024 is hij maandelijks € 750,- gaan betalen. Daarnaast heeft hij nog andere kosten voldaan, waaronder een deel van de schoolkosten, BSO-kosten, kantinekosten, en ook kleding, eten, schoenen en andere benodigdheden voor [de minderjarige] .

De rechtbank zal het verzoek om een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen met terugwerkende kracht vanaf 21 juni 2025, afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank terughoudend om te gaan met het vaststellen van een (kinder)alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De gedachte daarbij is dat het onder omstandigheden niet redelijk zal zijn een partij achteraf te confronteren met een vordering en dus een (na)betalingsverplichting, waarmee die partij redelijkerwijs geen rekening heeft hoeven te houden. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige omstandigheden die vaststelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 25 juni 2021 rechtvaardigen. De rechtbank betrekt daarbij de volgende specifieke omstandigheden. In de eerste plaats is van belang dat de man tussen 2021 en 2025 wel heeft bijgedragen in de kosten van [de minderjarige] . Vast staat dat de man vanaf 2024 een bedrag van € 750,- heeft voldaan ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Dat deze bedragen zijn overgemaakt naar de bankrekening van [de minderjarige] en niet rechtstreeks naar de vrouw, leidt niet tot een ander oordeel. De vrouw had immers de beschikking over de bankpas van [de minderjarige] en kon derhalve over de gestorte bedragen beschikken. Verder heeft de man door overlegging van bankafschriften voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook in de jaren 2021 tot en met 2023 maandelijks een bijdrage heeft betaald ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De man heeft ook - de vrouw heeft dit erkend - andere kosten betaald, zoals enige schoolkosten (2022,2023, 2024) en een deel van de kosten voor buitenschoolse opvang en ‘canteenkosten’. Ook heeft hij onweersproken gesteld dat hij geregeld boodschappen deed en kleding, schoenen en andere benodigdheden voor [de minderjarige] heeft betaald. De man heeft dus in deze periode wel een substantiële bijdrage geleverd in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Dit, bezien in samenhang met het feit dat de vrouw niet eerder dan met dit verzoekschrift bij de man heeft verzocht om een (hogere) bijdrage aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] , leidt bij de rechtbank tot het oordeel dat de man redelijkerwijs er geen rekening mee hoefde te houden dat de vrouw na een aantal jaar nog (met terugwerkende kracht) kinderalimentatie zou verzoeken. De vrouw heeft ter zitting nog aangegeven dat zij wel bij de man heeft aangegeven dat zij vond dat hij de helft van de schoolkosten van [school 1] zou moeten betalen. Dit heeft de man naar het oordeel van de rechtbank echter niet hoeven opvatten als een door de vrouw aanspraak maken op kinderalimentatie. Daarbij geldt dat ter zitting is gebleken dat de vrouw, nadat de man had aangegeven niet de (helft van de) hoge schoolkosten meer te willen betalen (omdat hij [de minderjarige] naar een andere school wilde laten gaan), destijds aan de man heeft aangegeven dat zij dan wel die kosten zou blijven betalen, wat zij vervolgens ook heeft gedaan.

De rechtbank acht het gelet op het voorgaande redelijk om de datum van indiening van het verzoekschrift – zijnde 8 april 2025 – als ingangsdatum te hanteren voor de vast te stellen kinderalimentatie. De man heeft vanaf toen rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de rechtbank kan bepalen dat hij maandelijks een concreet bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw verschuldigd is.

Kinderalimentatie 8 april 2025 tot 1 september 2026

Behoefte

Omdat de ouders in juni 2021 uit elkaar zijn gegaan en de man in oktober 2021 uit de echtelijke woning is vertrokken, zal de rechtbank 2021 hanteren als peiljaar voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige] . De rechtbank zal rekenen met periode 2021-II.

De vrouw heeft de behoefte van [de minderjarige] berekend op € 984,- per maand en de man op € 961,- per maand. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van [de minderjarige] – exclusief eventuele bijzondere kosten – vastgesteld kan worden op het bedrag tussen beide berekeningen in, te weten € 973,- per maand.

De vrouw stelt dat de behoefte van [de minderjarige] moet worden verhoogd met de kosten voor de internationale school van € 687,- per maand, de kosten voor de BSO van € 163,- per maand en de overblijfkosten van € 26,- per maand.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten van een kind zijn begrepen. Volgens het rapport kan de behoefte worden verhoogd met kosten die zo uitzonderlijk zijn dat deze niet in het tabelbedrag zijn verdisconteerd, en daarnaast niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten.

Ten aanzien van de kosten voor de BSO en de kosten voor het overblijven is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende nader heeft onderbouwd waarom deze kosten niet (volledig) geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen met deze kosten.

De rechtbank houdt wel rekening met de kosten van de internationale school, nu deze zo uitzonderlijk zijn dat zij niet worden geacht te zijn inbegrepen in het tabelbedrag en evenmin kunnen worden gecompenseerd door andere uitgavenposten. Dat de man het op een gegeven moment niet meer eens was met de keuze voor de internationale school, maakt dit oordeel niet anders. De schoolkosten waren er al tijdens het huwelijk en bepalen daarom de mate van welstand waarin zij tijdens hun huwelijk hebben geleefd.

Conform het rapport (paragraaf 3.2.6), brengt de rechtbank de maandelijkse kosten van de internationale school in 2021 in mindering op het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen in 2021.

De vrouw heeft het NBGI berekend op € 5.728,- per maand en de man op € 5.702,- per maand. Nu partijen het erover eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige] wordt vastgesteld op een bedrag tussen hun beider berekeningen, zal de rechtbank ook bij de vaststelling van het NBGI van partijen uitgaan van een bedrag tussen de door partijen berekende bedragen. Het NBGI in 2021 bedraagt dan € 5.715,- per maand.

Voor de kosten van de internationale school in 2021 gaat de rechtbank uit van de door de vrouw overgelegde factuur van de school van 1 juni 2021, zijnde een bedrag van

€ 6.860,-. De maandelijkse kosten in 2021 waren dan dus € 572,-. Het bedrag van € 572,- brengt de rechtbank in mindering op het NBGI van € 5.715,-. Uitgaande van het resterende NBGI van € 5.143,- per maand, berekent de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] vervolgens aan de hand van de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen op € 686,- per maand in 2021. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 818,- per maand.

Vervolgens worden bij dit bedrag – conform het rapport – de bijzondere kosten voor de internationale school in schooljaar 2025 opgeteld.

Voor de kosten van de internationale school in 2025 gaat de rechtbank uit van de door de vrouw overgelegde factuur van de school van 1 mei 2025, zijnde een bedrag van

€ 8.420,- De maandelijkse kosten in 2025 waren dan dus € 702,-. De behoefte van [de minderjarige] in 2025 bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kosten € 1.520,- per maand.

Draagkracht

Bij het bepalen van de draagkracht hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Voor het bepalen van de draagkracht moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van iedere ouder worden vastgesteld. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en eventuele andere inkomsten, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 21.626,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave 2025.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.302,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Vast staat de man de hypotheeklasten van de echtelijke woning heeft voldaan en tot op heden voldoet. De rechtbank zal daarom, zoals de vrouw zelf ook in haar draagkrachtberekening voor deze periode heeft gedaan, voor de vrouw rekening houden met de werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget, zijnde € 0,-.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht uitgaan van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-). Nu de rechtbank rekent met de werkelijke woonlasten, zal zij deze gebruikelijke formule aanpassen. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (€ 0,- + € 1.365,-).

De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.302 – (€ 0,- + € 1.365,-)] = € 656,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 6.673,- netto per maand, zoals blijkt uit de meest recente salarisspecificatie van de man.

Tussen partijen is in geschil of bij dit inkomen de bijdrage van de werkgever in het Provident Fund moet worden opgeteld.

De vrouw is van mening dat het salaris van de man moet worden vermeerderd met het Provident Fund. Zij voert aan dat dit feitelijk een spaarrekening is voor als de man ontslag neemt, omdat hij dan het gehele bedrag krijgt uitgekeerd.

De man stelt dat het Provident Fund niet als inkomen kan worden beschouwd ter bepaling van zijn draagkracht. Hij licht dit als volgt toe. Omdat de man voor een internationale organisatie werkt, wordt zijn salaris niet belast voor de Nederlandse inkomstenbelasting, en is hij dan ook niet verzekerd voor de Nederlandse sociale verzekeringswet, heeft hij geen recht op AOW en een WW-uitkering bij ontslag, of op een ziektewetuitkering bij ziekte. Het via de werkgever opgebouwde fonds dient ter afdekking van deze sociale verzekeringen. Het geld wordt gestort op een geblokkeerde regeling.

Gelet op hetgeen de man hierover heeft gesteld, wat de vrouw op haar beurt niet meer (gemotiveerd) heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat het Provident Fund niet kan worden aangemerkt als een inkomensbestanddeel. De rechtbank telt dit dus niet op bij het inkomen van de man.

Ook is tussen partijen in geschil of er bij het inkomen van de man rekening dient te worden gehouden met de ‘dependants-insurance’. Deze verzekering wordt ingehouden op het salaris van de man.

Volgens de vrouw zijn de kosten voor de dependants-insurance verdisconteerd in het forfait van noodzakelijke lasten van € 1.365,-. Het bedrag wat aan dependants-insurance wordt ingehouden op het salaris van de man, moet daarom voor de berekening van zijn draagkracht worden opgeteld worden bij zijn salaris.

Nu de man dit niet (expliciet) heeft betwist, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat het een ‘reguliere’ verzekering betreft, die volgens het forfaitaire systeem voor berekening van kinderalimentatie moet worden voldaan uit het forfait voor noodzakelijke lasten. De rechtbank zal daarom het salaris van de man van € 6.673,- verhogen met de dependants-insurance van € 191,- per maand. Het inkomen van de man bedraagt dan € 6.864,- netto per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 6.864,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank zal voor de man rekening houden met de werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De werkelijke woonlasten van de man zijn aanzienlijk hoger dan het woonbudget, nu vast staat dat de man naast de huur van zijn eigen huurwoning ook de hypotheeklasten van de echtelijke woning heeft voldaan en tot op heden voldoet.

Naar de rechtbank begrijpt, is niet meer tussen partijen in geschil dat de kale huur van de woning van de man € 1.502,- per maand bedraagt. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij daarnaast maandelijks € 1.446,- aan hypotheekkosten voor de echtelijke woning voldoet, bestaande uit zowel rente als aflossing. De rechtbank neemt het volledige bedrag aan hypotheekkosten in aanmerking voor de draagkracht van de man. Dat de man bij de toekomstige verdeling van de woning aanspraak heeft op zijn aandeel in de overwaarde, waarin de door hem betaalde aflossingen zijn verdisconteerd, doet hieraan niet af. De aflossingen zijn immers daadwerkelijk door hem voldaan en drukken gedurende de betreffende periode op zijn feitelijke draagkracht. Ook zal de rechtbank als woonlasten meenemen de premie opstalverzekering van € 28,- per maand en de VVE-kosten van € 29,- per maand.

Verder stelt de man dat de kosten van kinderopvang, juridische kosten (€ 500,- per maand), alsmede de premies voor zijn integrale levensverzekering en pensioen-/levensverzekering in mindering dienen te worden gebracht op zijn draagkracht. De vrouw heeft dit betwist.

Ten aanzien van de kinderopvangkosten, de premies voor zijn integrale levensverzekering en pensioen-/levensverzekering overweegt de rechtbank dat de man deze uit zijn vrije draagkrachtruimte dient te voldoen. De rechtbank houdt voor de draagkracht van de man daarom niet nog extra rekening met deze kosten.

Voor de juridische kosten geldt dat daarvoor een extra maandlast bij het draagkrachtloos inkomen van de man zou kunnen worden opgeteld, als deze vermijdbaar en verwijtbaar zouden zijn. Gelet op het relatief hoge inkomen van de man, is de rechtbank van oordeel hij de eventuele (aflossing op) juridische kosten uit zijn vrije draagkrachtruimte dient te voldoen en dat deze geen voorrang mogen hebben op betaling van kinderalimentatie. Hoewel de man heeft gesteld dat hij leningen heeft moeten aangaan om de juridische kosten te kunnen betalen, is het de rechtbank niet duidelijk geworden of hij nog moet aflossen op deze leningen, en zo ja, hoeveel. De man heeft slechts een viertal geldleningen genoemd van € 5.000,-, € 2.000,-, € 1.000,- en € 1.000,-. De man heeft niet onderbouwd hoe hij komt tot de noodzaak van een extra maandlast van € 500,- in verband met leningen. Voor zover er sprake zou zijn van een aflossingsverplichting, gaat de rechtbank er van uit dat de man zich hier – gelet op zijn inkomen – op korte termijn van kan bevrijden. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover er een maandlast is van € 500,- per maand, er dus sprake is van een last die vermijdbaar is en zal daarom geen (extra) maandlast hiervoor meenemen in de berekening van de draagkracht van de man.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht uitgaan van dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-). Nu de rechtbank rekent met de werkelijke woonlasten, zal zij de gebruikelijke formule aanpassen. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (€ 3.001,- + € 1.365,-). De draagkracht van de man is dan € 1.749,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.405,- per maand (€ 656,- + € 1.749,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.749 / 2.405 x 1.520 = € 1.105,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 656 / 2.405 x 1.520 = € 415,- +

samen € 1.520,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 1.105,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 415,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Gelet op de vastgestelde zorgregeling, heeft de man gemiddeld drie dagen per week de zorg voor [de minderjarige] . Daarom geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 532,- (35% van

€ 1.520,-).

Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan in deze periode € 573,- per maand (€ 1.105 -/- € 532,-).

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie voor [de minderjarige] voor de periode van 8 april 2025 tot 1 september 2026 zal bepalen op € 573,- per maand. Wat de man in deze periode al heeft voldaan aan de vrouw dient in aftrek op dit bedrag te worden gebracht.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 599,- per maand.

Kinderalimentatie vanaf 1 september 2026

Behoefte

Nu [de minderjarige] vanaf 1 september 2026 naar een reguliere Nederlandse school zal gaan, is er geen sprake meer van bijzondere kosten die zijn behoefte verhogen. De kinderalimentatie wordt daarom per deze datum opnieuw berekend.

De behoefte van [de minderjarige] zonder bijzondere kosten bedraagt - zoals eerder overwogen - € 973,- per maand.

Draagkracht vrouw

Tussen partijen is in geschil of aan de vrouw een verdiencapaciteit toegerekend dient te worden.

De man stelt dat dit het geval is. Volgens de man heeft de vrouw zich te weinig ingespannen om andere functies met meer inkomen te verwerven. Daarnaast is de vrouw ook in staat om meer uren te werken dan zij nu doet.

De vrouw voert verweer. Zij stelt op haar beurt dat zij heeft geprobeerd beter betaalde functies te vinden, maar dat dit niet is gelukt. Zij voert daartoe aan dat zij in 2011 een masterdiploma in Roemenië heeft behaald en vervolgens gedurende het hele huwelijk niet heeft gewerkt. Hierdoor is het moeilijk haar positie op de (Nederlandse) arbeidsmarkt op te bouwen. Bovendien is de vrouw de hoofdverzorger van [de minderjarige] , waardoor het voor haar, gelet op haar zorgtaken, moeilijk is haar arbeidsomvang van 25 uur per week uit te breiden.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de vrouw beschikt over een masterdiploma, is deze een lange periode geleden (in 2011) in Roemenië behaald. Partijen zijn voor het werk van de man naar Nederland verhuisd en zijn gedurende het huwelijk overeengekomen dat de vrouw niet zou werken, maar de zorg voor [de minderjarige] op zich zou nemen. Gelet op deze omstandigheden, acht de rechtbank het aannemelijk dat het moeilijk is voor de vrouw om op dit moment of op korte termijn een beter betaalde functie te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij zich heeft ingespannen om een beter betaalde functie te verkrijgen. Voorts acht de rechtbank een arbeidsomvang van 25 uur per week, gelet op de afspraken die partijen tijdens het huwelijk hebben gemaakt (zij werkte in het geheel niet) en gelet op zorg die de vrouw draagt voor een relatief jong kind, niet onredelijk. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de vrouw een verdiencapaciteit toe te rekenen, ook niet over 12 maanden, zoals de man (subsidiair) heeft betoogd.

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van dezelfde inkomensgegevens als hiervoor, zijnde een inkomen van € 21.626,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave 2025.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.302,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Tussen partijen is in geschil of vanaf de datum van de beschikking, dan wel 1 september 2026, uit moet worden gegaan van de situatie dat de vrouw zelf de woonlasten van de echtelijke woning zal gaan voldoen, of dat de man deze blijft voldoen.

De rechtbank overweegt dat de vrouw ter zitting heeft toegezegd in de toekomst zelf de woonlasten van de echtelijke woning voor haar rekening te zullen nemen. Het gaat in deze procedure om vaststelling van een definitieve alimentatie, waarbij als uitgangspunt geldt dat partijen zelf hun eigen woonlasten zullen gaan voldoen. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van de alimentatie ervan uit te gaan dat de man de woonlasten van de vrouw blijvend voor zijn rekening zal nemen. Voor zover de man aanvoert dat de vrouw niet in staat is deze kosten te voldoen, omdat hij deze gedurende het huwelijk voor zijn rekening heeft moeten nemen, overweegt de rechtbank dat de vrouw door de vast te stellen partneralimentatie over meer financiële middelen zal beschikken. Indien de vrouw desondanks niet in staat is om de woonlasten te dragen, zal in dat geval de woning moeten verkocht, waarna de vrouw alsnog de woonlasten van een andere woning zelf zal moeten voldoen. In beide scenario’s is er dus aanleiding rekening te houden met woonlasten aan de zijde van de vrouw.

Gelet op het voorgaande, gaat de rechtbank vanaf 1 september 2026 uit van de situatie dat de vrouw zelf haar woonlasten zal voldoen. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlasten en zal het gebruikelijke woonbudget hanteren.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.302 – (691 + 1.365)] = € 172,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 6.864,- netto per jaar, zoals volgt uit de meest recente salarisspecificatie van de man. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 6.864,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank er van uit dat de vrouw vanaf 1 september 2026 haar eigen woonlasten zal voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding meer om met de werkelijke woonlasten rekening te houden en zal uitgaan van het gebruikelijke woonbudget.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [€ 6.864 – (€ 2.059,- + 1.365,-)] = € 2.408,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.580,- per maand (€ 172,- + € 2.408,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom weer een draagkrachtvergelijking maken.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.408 / 2.580 x 973 = € 908,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 172 / 2.580 x 973 = € 65,- +

samen € 973,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 908,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 65,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Zoals hiervoor al overwogen, geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 341,- (35% van € 973,-).

Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 567,- per maand (€ 908,- -/- € 341,-).

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 september 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 567,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders ten aanzien van de kinderalimentatie afwijzen.

Voorwaardelijke verzoek van de vrouw met betrekking tot schoolkosten

Nu de rechtbank het verzoek van de vrouw om de kinderalimentatie vast te stellen vanaf 25 juni 2021 zal afwijzen, komt de rechtbank toe aan het voorwaardelijke verzoek van de vrouw ten aanzien van de schoolkosten.

De vrouw stelt dat zij de kosten voor de internationale school van [de minderjarige] tot op heden alleen heeft gedragen, terwijl partijen gehouden zijn deze gezamenlijk te dragen, omdat zij immers ook ooit samen de keuze hebben gemaakt om [de minderjarige] naar deze school te laten gaan. Volgens de vrouw heeft zij de man er al eerder op aangesproken dat hij moest meebetalen in de hoge schoolkosten.

De man stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is de vrouw te vergoeden voor de door haar betaalde kosten van de internationale school van [de minderjarige] . Hij voert daartoe het volgende aan. Als gevolg van de echtscheiding was de financiële situatie van partijen zodanig gewijzigd, dat hij heeft verzocht [de minderjarige] uit te schrijven en naar een openbare school te laten gaan. De vrouw heeft haar toestemming voor uitschrijving van [de minderjarige] van de internationale school echter geweigerd. De vrouw heeft er vervolgens mee ingestemd om alle schoolkosten voor haar rekening te nemen.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat (ook) bijzondere kosten van kinderen door beide ouders gedragen moeten worden. Dit geldt in beginsel dus ook voor de schoolkosten van [de minderjarige] . Echter, aangezien dit verzoek betreffende de schoolkosten in feite een verzoek om kinderalimentatie betreft, geldt ook dezelfde terughoudendheid als het gaat om vaststelling van een bijdrage met terugwerkende kracht. De rechtbank is in dat verband van oordeel dat uit de door partijen geschetste gang van zaken blijkt dat de man er niet eerder dan per datum indiening van dit verzoekschrift rekening mee heeft hoeven houden dat hij met terugwerkende kracht voor (een deel van) de schoolkosten zou worden aangesproken. Immers, zoals hiervoor ook is overwogen, heeft de vrouw, nadat de man had aangegeven niet meer de helft van de hoge schoolkosten te willen betalen, aangegeven dat zij dan wel die kosten zou blijven betalen, wat zij vervolgens ook heeft gedaan. Deze gang van zaken blijkt ook uit de overgelegde e-mailwisseling met de directeur van de privéschool. Vast staat dat de vrouw na deze mailwisseling de schoolkosten zelf heeft voldaan en dat zij niet eerder aanspraak heeft gemaakt op betaling van de helft van de schoolkosten, zoals ze nu doet. De uitkomst van de onderlinge discussie tussen partijen is op dat moment geweest dat de vrouw de kosten van de internationale school zelf zou dragen, althans de man heeft dat zo mogen opvatten. De vrouw heeft vervolgens niet eerder dan met dit verzoekschrift bij de man aangeklopt om een vergoeding te krijgen van de helft van deze schoolkosten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen recht heeft op terugbetaling van de helft van de kosten voor de [school 1] en kinderopvang vanaf juni 2021, met uitzondering van de kosten voor het schooljaar 2025/2026. De man heeft vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de rechtbank zou bepalen dat hij moet meebetalen aan de schoolkosten van [de minderjarige] .

Nu vanaf de datum indiening verzoekschrift de kinderalimentatie wordt berekend met inachtneming van de schoolkosten, is er geen grond om daarnaast nog de man te veroordelen aan de vrouw een deel van de schoolkosten te betalen. Het verzoek van de vrouw op dit punt zal dus worden afgewezen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie. De rechtbank zal Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie (artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is onderhoudsverplichtingen).

Inhoudelijke beoordeling

Ingangsdatum

Naar de rechtbank begrijpt, zijn partijen het er over eens dat de ingangsdatum van de partneralimentatie dient te worden vastgesteld op de datum van de beschikking. De rechtbank zal aldus bepalen.

Periodes

De rechtbank zal voor de periode vanaf de datum van de beschikking tot 1 september 2026 en voor de periode vanaf 1 september 2026 afzonderlijke bijdragen vaststellen, nu de kosten van [de minderjarige] van invloed zijn op de draagkracht van de man en deze kosten in de hiervoor genoemde periodes verschillen.

Behoefte

De vrouw berekent haar behoefte op basis van de Hofnorm. De man heeft betwist dat de Hofnorm als uitgangspunt moet worden genomen voor de berekening van de behoefte van de vrouw. Vervolgens heeft de vrouw voldoende onderbouwd waarom dit wel het geval moet zijn, waarop de man niet meer heeft gereageerd.

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw daarom berekenen aan de hand van de Hofnorm.

De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk – in 2021 – bij de berekening van de kinderalimentatie al vastgesteld op € 5.143,- per maand. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige] in 2021 worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 3.885,- per maand [€ 5.143 – (€ 686 + € 572)] beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de Hofnorm € 2.331,- netto per maand (60% van € 3.885,- per maand) in 2021. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 2.905,- netto per maand.

Aanvullende behoefte

De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.

Zoals eerder overwogen, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een hogere verdiencapaciteit.

Voor het NBI van de vrouw in 2026 zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie vanaf 1 september 2026 en dus van een NBI van € 2.181,-. Hierop wordt het door de vrouw te ontvangen KGB in mindering gebracht. Het NBI van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie bedraagt dan € 1.802,-.

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.905,- netto per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen wordt gedekt door het door de vrouw te ontvangen KGB, dus dit wordt er niet bij opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.103,- (€ 2.095 -/- € 1.802) netto per maand. Gebruteerd is dat € 1.835,- per maand.

Draagkracht man

Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie vanaf 1 september 2026 en dus van een NBI van € 6.864,- per maand.

Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 2.064,- per maand (60 % x [€ 6.864 – € 0.3 x 6.864 + € 1.365]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van Mattei in mindering gebracht. In de periode van deze beschikking tot 1 september 2026 betreft dit aandeel € 1.105,- per maand. Na 1 september 2026 is dit aandeel € 908,- per maand. De man heeft daarom tot 1 september 2026 een draagkracht beschikbaar van € 959,- en heeft daarom vanaf 1 september 2026 een draagkracht beschikbaar van € 1.156,- per maand.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking tot 1 september 2026 een partneralimentatie van

€ 959,- bruto per maand zal betalen en met ingang van 1 september 2026 een partneralimentatie van € 1.156,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de partneralimentatie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , zal betalen:

vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden tot 1 september 2026 een partneralimentatie van € 959,- per maand zal betalen en met ingang van 1 september 2026 een partneralimentatie van € 1.156,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand