Zorgregeling, hoofdverblijfplaats, financiële zaken en alimentatie
Beschikking op het op 13 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.C. Hoogeveen in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 29 juni 2026. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heeft hij een brief geschreven, binnengekomen bij de rechtbank op 29 juni 2026.
Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
€ 236,- per kind per maand.
- De vrouw is op [datum 3] 2025 gehuwd met [naam]. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum 3] 2026 een dochter geboren: [minderjarige 4]. [naam] heeft daarnaast nog twee minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk.
Verzoek en verweer
De man verzoekt – na wijziging van zijn verzoek - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de zorgregeling te wijzigen naar een zorgregeling waarbij de kinderen vanaf
donderdag 08.30 uur in de oneven weken tot woensdag 08:30 uur in de even weken bij
hem verblijven en vervolgens van woensdag 08:30 uur in de even weken tot donderdag 08:30 uur in de oneven weken bij de vrouw en waarbij de vakanties bij helfte
worden gedeeld;
ten aanzien van het inschrijfadres en de toeslagen
primair: te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats / inschrijfadres in de Basisregistratie Personen (Brp) bij hem zullen hebben;
subsidiair: de vrouw te gelasten eraan mee te werken dat ten behoeve van de te ontvangen kinderbijslag en het te ontvangen kindgebonden budget door de man, de man vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank bij de Sociale Verzekeringsbank bekend wordt als hoofdaanvrager van de kinderbijslag;
ten aanzien van de kinderalimentatie
in het geval het onder II geformuleerde primaire verzoek van de man wordt
toegewezen, te bepalen dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld en partijen geen kinderalimentatie aan elkaar verschuldigd zijn, met ingang van de datum van de
beschikking, dan wel een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;
in het geval het onder III geformuleerde subsidiaire verzoek van de man wordt
toegewezen, te bepalen dat de man vanaf de datum van de beschikking € 238,- per
kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen, dan wel een bedrag vast te stellen dat de rechtbank in goede justitie juist acht,
met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;
voor de periode vanaf de datum van indiening van dit verzoekschrift tot 1 januari 2026 te bepalen dat de man € 165,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, van 1 januari 2026 tot 1 april 2026 € 89,- per kind per maand en van 1 april 2026 tot de datum van de beschikking € 138,- per kind per maand, dan wel een bedrag vast te stellen dat de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;
in het geval de onder II en III geformuleerde verzoeken worden afgewezen, te bepalen dat de man met ingang 1 juli 2026 € 89,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, dan wel een bedrag vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig:
te bepalen dat de kinderen bij de man verblijven: in de even weken van donderdag 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en in de oneven weken van donderdag 08.30 uur tot zaterdag 09.00 uur;
te bepalen dat de vakanties als volgt worden verdeeld:
Herfstvakantie: in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de vrouw;
Kerstvakantie: in de oneven jaren de 1e week bij de vrouw, in de 2e week bij de man, en in de even jaren andersom;
Voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de vrouw, in de even jaren bij de man;
Meivakantie: de 1e week bij de ouder die ze volgens het regulier schema in het eerste weekend van de vakantie heeft, de 2e week bij de andere ouder;
Zomervakantie: in de oneven jaren de 1e twee weken bij de man, de 3e week bij de vrouw, de 4e week bij man, de laatste twee weken bij de vrouw, en in de even jaren andersom,
waarbij bij vakanties van één week de vakantie aanvangen op maandag 08:30 uur en lopen tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30), en waarbij bij vakanties van twee weken de eerste week van de vakantie aanvangt op maandag 08:30 uur en loopt tot de maandag erna 08:30, de tweede week aanvangt op de maandag midden in de vakantie 08:30 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30), en waarbij voor de zomervakantie de eerste 2 weken van de vakantie aanvangen op maandag 08:30 uur en lopen tot de maandag 2 weken later 08:30, week drie en vier van maandag 08:30 tot maandag 08:30, en de laatste 2 weken na het vierde weekend in de vakantie van maandag 08:30 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30);
te bepalen dat de man een bijdrage van € 306,41 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, dan wel een bedrag vast te stellen dat de rechtbank in goede justitie juist acht, met ingang van de datum beschikking, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum;
de kosten van deze procedure, gezien de aard ervan, te compenseren in die zin dat ieder der partijen zijn of haar eigen kosten draagt.
Beoordeling
Wijziging zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders een beslissing over een onderling getroffen zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Ontvankelijkheid
De man stelt dat er sinds het vastleggen van het ouderschapsplan sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hij voert daartoe het volgende aan. Allereerst hebben de kinderen aangegeven dat zij vaker bij de man willen zijn. Daarnaast is de woonsituatie van de vrouw gewijzigd, nu zij samenwoont met haar nieuwe partner en recent met hem een kind heeft gekregen. Ook heeft de man een nieuwe baan.
De vrouw voert verweer. Volgens haar zijn de nieuwe woonsituatie van de vrouw en het feit dat de man nu in loondienst werkt in plaats van als ZZP’er geen rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigen.
Gelet op het feit dat de ouders het er beiden over eens zijn dat de kinderen vaker bij de man willen zijn dan wat in de onderling getroffen zorgregeling is bepaald, is de rechtbank van oordeel dat er sinds het ouderschapsplan van 2024 sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden. De rechtbank zal de verzoeken tot wijziging van de zorgregeling daarom inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt de huidige regeling uit te breiden naar een regeling die bijna neerkomt op een week-op-week-af regeling. Ter onderbouwing daarvan voert hij, verkort weergegeven, het volgende aan. Zijn werkzaamheden in de zorg, in loondienst, vereisen dat hij flexibel inzetbaar is. Van hem wordt verwacht dat hij op alle weekdagen en dus ook soms ook op vrijdag en zaterdag diensten kan verrichten. Bij de door de vrouw voorgestelde (uitbreiding van de) zorgregeling is dat niet mogelijk; immers de man is volgens die regeling structureel niet beschikbaar om op de vrijdag en de zaterdag te werken. In de door hem verzochte regeling is dat wel mogelijk. Daarnaast is er in de door hem verzochte regeling meer rust voor de kinderen, omdat er minder wisselingen zijn.
De vrouw is het niet eens met de door de man verzochte regeling. Zij heeft in dat verband - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. De door de man voorgestelde regeling is voor haar moeilijk uit te voeren, nu deze niet goed aansluit op de ingewikkelde agenda’s van iedereen in haar nieuwe gezin, onder wie haar partner en diens kinderen. De huidige zorgregeling van haar kinderen en de zorgregeling van de kinderen van haar nieuwe partner met zijn ex-partner, zijn nu zorgvuldig op elkaar afgestemd, waarbij zij het zo hebben kunnen inrichten dat zowel zijzelf als haar partner momenten hebben waarbij zij alleen zijn met hun eigen kinderen. Deze regeling werkt prettig. De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat dit zo gehandhaafd blijft. Daarnaast zou de vrouw in de toekomst graag een vaste dag per week vrijwilligerswerk gaan verrichten, wat in het geval van de door de man voorgestelde regeling niet mogelijk is.
De rechtbank ziet dat beide partijen een gerechtvaardigd belang hebben bij de door hun voorgestelde regeling. De rechtbank moet daarom een belangenafweging maken. Een belangrijk aanknopingspunt voor de rechtbank daarbij is opzet van de zorgregeling zoals partijen die in het ouderschapsplan van 2024 zelf voor ogen hebben gehad. Deze opzet en vorm is tussen partijen besproken en overeengekomen en geldt daarom naar het oordeel van de rechtbank in beginsel als uitgangspunt. De man heeft betoogd dat het voor zijn werk noodzakelijk is om de opzet van de zorgregeling te wijzigen, maar de man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit daadwerkelijk een voorwaarde is voor hem om zijn werk te kunnen (blijven) uitvoeren. Hoewel de man nu in loondienst werkt en destijds als ZZP’er, werkte hij wel ook al in de zorg, bij hetzelfde ziekenhuis. De door de man overgelegde e-mail van zijn manager vermeldt wel dat medewerkers contractueel geen vaste dagen toegekend krijgen en dat het rooster tot stand komt door een zo eerlijke mogelijke verdeling binnen het team, daaruit blijkt echter niet dat de zorgregeling zoals deze nu loopt of door de vrouw is voorgesteld, niet uitvoerbaar zou zijn. Er is de rechtbank dus niet gebleken dat zijn huidige situatie zodanig is veranderd dat hij zijn werk niet meer zou kunnen uitvoeren binnen een vergelijkbare zorgregeling als nu het geval is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de constructie zoals de ouders die samen hebben bedacht ten tijde het opstellen van het ouderschapsplan. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan het belang van de vrouw en de kinderen dat zij ook gezamenlijk – zonder de aanwezigheid van de kinderen van de nieuwe partner van de vrouw – tijd met elkaar kunnen doorbrengen. Verder heeft de rechtbank betrokken dat er geen signalen zijn genoemd of gebleken, dat de kinderen de huidige opzet van de zorgregeling met de daarbij horende wisselingen te onrustig vinden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om de door hem voorgestelde regeling vast te stellen, afwijzen. Wel is de rechtbank is van oordeel dat, nu vaststaat dat de kinderen meer tijd bij de man willen doorbrengen, daaraan invulling moet worden gegeven. De vrouw heeft ter zitting een uitbreiding (ten opzichte van haar oorspronkelijke verzoek) van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling voorgesteld waarbij de kinderen in ene week van donderdag 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en in de andere week van donderdag 08.30 uur tot zaterdag 16.00 uur bij de man kunnen zijn. De man heeft ter zitting verklaard dat het in verband met zijn werk moeilijk zal worden om hieraan - zonder opvang – uitvoering te kunnen geven, met name op de zaterdag tot 16.00 uur. Gelet op hetgeen de rechtbank hierna zal overwegen over het door de man per week te werken aantal uren, gaat de rechtbank ervan uit dat de man ruimte zal hebben om (ook) op de zaterdag voor de kinderen te kunnen zorgen. Omdat de rechtbank echter niet met zekerheid kan vaststellen of dit de man daadwerkelijk lukt, zal zij de uitbreiding van de zorgregeling vaststellen zoals de vrouw die oorspronkelijk heeft verzocht, zijnde dat de kinderen in de even weken van donderdag 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en in de oneven weken van donderdag 08.30 uur tot zaterdag 09.00 uur bij de man verblijven. In de voorkomende gevallen dat het de man wel lukt om in de oneven weken tot zaterdag 16.00 uur voor de kinderen te zorgen (in plaats van tot 09.00 uur), gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw daaraan zal meewerken en dat de kinderen tot 16.00 uur bij hem zullen zijn.
Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn partijen het gedeeltelijk met elkaar eens. Ter zitting hebben partijen toegelicht dat zij de voorjaars- en herfstvakantie per schooljaar en niet per kalenderjaar willen afwisselen. Ten aanzien van de voorjaars-, herfst- en kerstvakantie en de aanvangstijdstippen zal de rechtbank beslissen conform de overeenstemming van partijen.
Wat partijen nog verdeeld houdt is de zomervakantie. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de jonge leeftijd de kinderen, meer specifiek van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], niet in hun belang is om één van de ouders gedurende een periode van drie weken niet te zien. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw ten aanzien van de zomervakantie toewijzen.
Daarnaast is tussen partijen de verdeling van de kerstdagen in geschil. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de man er waarde aan hecht dat de kinderen elk jaar Kerst kunnen vieren met beide ouders. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen in de even jaren op 1e Kerstdag bij de vrouw zijn en op 2e Kerstdag bij de man, en in de oneven jaren andersom. Voor de overige feestdagen geldt dat partijen deze – conform het ouderschapsplan – in onderling overleg moeten verdelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling afwijzen.
Wijziging hoofdverblijfplaats / inschrijving Brp
De man acht het in het belang van de kinderen dat hun hoofdverblijfplaats en inschrijving in de Brp bij hem zijn. Hij voert daartoe het volgende aan. Momenteel hebben de ouders discussies over (terug)betalingen door de vrouw aan de man van door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen. Dit is niet prettig voor de kinderen. Daarnaast ontvangt de vrouw door haar vermogen geen kindgebonden budget (KGB), terwijl de man dit wel zou kunnen ontvangen, wat in het belang is van de kinderen.
De vrouw voert verweer en betoogt het volgende. De kinderen zijn het merendeel van de tijd bij de vrouw. Daarnaast betwist de vrouw dat er sprake is geweest van meerdere discussies over de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen. Ook betwist de vrouw dat zij geen KGB ontvangt. Het enkele gegeven dat zij wellicht iets minder KGB dan de man zou ontvangen, is geen reden om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is de afspraak die de ouders zelf in het ouderschapsplan van 2024 hebben opgenomen, in dit geval zijnde dat de kinderen staan ingeschreven op het adres van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat er geen wijziging van omstandigheden is gebleken, die maakt dat de overeengekomen regeling moet worden aangepast. Ook na wijziging van de zorgregeling, zoals hiervoor overwogen, zullen de kinderen immers feitelijk meer tijd bij de vrouw verblijven dan bij de man. Het door de man genoemde financiële belang leidt, mede gelet op wat hierna wordt overwogen over de kinderbijslag en het KGB, niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats en inschrijving in de Brp bij de man zullen hebben, afwijzen.
Nu de rechtbank dit verzoek zal afwijzen, zal zij het subsidiaire verzoek ten aanzien van het KGB en de kinderbijslag beoordelen.
Kinderbijslag en KGB
De rechtbank overweegt als volgt. In beginsel heeft de ouder bij wie het kind ingeschreven staat recht op kinderbijslag en andere toeslagen, zoals het KGB. Ter zitting heeft de vrouw de stelling van de man dat zij geen KGB ontvangt, gemotiveerd betwist. Zij heeft aangegeven KGB te ontvangen. De man heeft zijn stelling op dit punt vervolgens onvoldoende (nader) onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van de vrouw. Nu de vrouw wel KGB ontvangt, is de rechtbank van oordeel dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek om de vrouw te gelasten eraan mee te werken dat de man bij de Sociale Verzekeringsbank bekend wordt als hoofdaanvrager van de kinderbijslag. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Nu de rechtbank dit verzoek zal afwijzen, zal zij het meer subsidiaire verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie beoordelen.
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Hiérna moet zich dus een wijziging in die omstandigheden hebben voorgedaan of sprake zijn van nieuwe omstandigheden waarmee eerder geen rekening had kunnen worden gehouden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijzing van de overeengekomen alimentatie. Het moet gaan om een wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, is tussen partijen niet in geschil. De man werkte tot 1 maart 2025 als ZZP’er bij het ziekenhuis en is daarna in loondienst getreden.
De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de draagkracht beoordelen of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
Uit artikel 1:402 eerste lid BW volgt dat ten aanzien van iedere alimentatiebeslissing de ingangsdatum moet worden bepaald. De wetgever laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
De rechtbank stelt voorop dat zij volgens vaste rechtspraak terughoudend moet zijn bij het wijzigen van alimentatieverplichtingen over het verleden. Dergelijke wijzigingen kunnen ingrijpende financiële gevolgen hebben. Het bedrag dat de man tot nu toe aan de vrouw heeft betaald, zal inmiddels door de vrouw zijn uitgegeven. Daarom acht de rechtbank het redelijk om de datum van deze beschikking, te weten 21 juli 2026, als ingangsdatum te hanteren voor een te wijzigen kinderalimentatie.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen / draagkracht van [naam]
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onderhoudsplichtig. De vrouw en [naam] zijn onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4]. Daarnaast zijn zij onderhoudsplichtig voor de twee kinderen van [naam]. Nu partijen geen informatie hebben verstrekt over de behoefte van die twee kinderen of over het inkomen van de ex-partner van [naam], heeft de rechtbank (de gevolgen van) deze onderhoudsverplichting van de ex-vrouw van [naam] en [naam] voor hun wee kinderen hierna niet betrokken bij de berekening. De rechtbank zal hierna eerste de behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 4] beoordelen en daarna de draagkracht van de man, de vrouw, en [naam]. Daarna zal de rechtbank beoordelen wat dit betekent voor de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2].
Behoefte [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] - conform wat is vastgesteld in het ouderschapsplan - € 540,- per maand per kind bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 602,- per maand per kind. De totale behoefte bedraagt dan
€ 1.806,- per maand.
Behoefte [minderjarige 4]
De rechtbank berekent de behoefte van [minderjarige 4] aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens van de vrouw en aan de hand van de jaaropgave 2025 van [naam]. Uit de jaaropgave 2025 van [naam] volgt een inkomen van € 8.989,- bruto per jaar. Zijn NBI in 2026 bedraagt dan € 749,- per maand. Zoals hiervoor overwogen, bedraagt het NBI van de vrouw in 2026 € 2.665,- per maand. Het NBGI van de vrouw en [naam] bedraagt dan € 3.414,- (€ 749,- + € 2.665,-). Uitgaande van de ‘tabel eigen aandeel in de kosten van de kinderen 2026’ en van vier kinderen ([minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4]) is het aandeel in de kosten van de kinderen gezamenlijk € 950,- per maand. De behoefte van [minderjarige 4] bedraagt dan € 238,- per maand (€ 950 : 4).
Draagkracht man
Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil.
Allereerst stelt de man dat er rekening moet worden gehouden met zijn inkomen op basis van een 27-urige werkweek. Volgens de man kan hij een uitbreiding van de zorg voor de kinderen niet combineren met een werkweek van 32 uur of van 36 uur zoals de vrouw stelt. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat hij naast het aantal uren van zijn contract ook nog eens vijf tot tien uur per week beschikbaar moet zijn voor bereikbaarheidsdiensten voor spoedoperaties, aldus de man.
De vrouw is van mening dat er van de man kan worden verwacht dat hij 36 uur per week werkt, nu hij dit tijdens het huwelijk ook altijd heeft gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit te gaan van een 27-urige werkweek. De rechtbank betrekt daarbij dat partijen het er over eens zijn dat het in het belang van de kinderen is dat zij vaker bij de man kunnen verblijven, reden waarom de zorgregeling ook, zoals hiervoor is overwogen, zal worden uitgebreid. De rechtbank acht het niet redelijk noch reëel om van de man te verlangen dat hij bij deze zorgregeling een dienstverband van 36 dan wel 32 uur per week blijft vervullen. De rechtbank betrekt daarbij dat de man naast zijn reguliere werkuren nog ongeveer 5 à 10 uur bereikbaarheidsdiensten verricht.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen van € 4.046,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de salarisspecificaties van februari en maart 2026. In deze maanden werkte hij 27 uur per week. Dit bedrag vermeerdert de rechtbank met een bedrag aan overwerk van gemiddeld € 320,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de berekening van de man. Hoewel dit bedrag niet expliciet uit de salarisspecificaties van de man volgt, heeft de vrouw dit bedrag niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid ervan. Daarnaast gaat de rechtbank, zoals de vrouw heeft gesteld en conform de CAO Ziekenhuizen 2025-2027, uit van een eindejaarsuitkering van € 4.044,- per jaar (8,33% van € 48.552,-).
De rechtbank houdt verder rekening met:
In geschil is of er sprake is van huurinkomsten van de woning van de man, die moeten worden meegenomen bij de bepaling van zijn draagkracht.
De vrouw stelt dat de man huurinkomsten genereert uit de verhuur van zijn woning via Airbnb en houdt rekening met een huuropbrengst van € 8.000,- per jaar.
Ter zitting heeft de man verklaard dat hij zijn woning uitsluitend in 2025 via Airbnb heeft verhuurd, omdat hij destijds een partner had waar hij kon verblijven. Sinds de beëindiging van die relatie in 2026 beschikt hij niet langer over een alternatieve verblijfplaats, zodat van verhuur van de woning geen sprake meer is, wat ook volgt uit de door hem overgelegde inkomstenrapporten van Airbnb, aldus de man.
Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat de man in 2026 geen inkomsten meer heeft genoten uit de verhuur van zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet van de man kan worden verlangd dat hij zijn eigen woning verlaat om deze te verhuren en aldus inkomsten te genereren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank niet uitgaan van verhuuropbrengsten.
Nu de man heeft verklaard dat hij in 2026 is gestopt met het geven van ‘ademcirkels’ en daardoor geen inkomsten meer uit deze werkzaamheden heeft, en de vrouw dit niet heeft betwist, zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man geen inkomsten uit ademcirkels in aanmerking nemen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.450,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.450 – (1.035 + 1.365)] = € 735,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen
uit WIA-uitkering van € 2.358,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de meest recente betaalspecificaties van het UWV. Daarnaast gaat de rechtbank uit van een inkomen uit ‘ademcirkels’ van € 30,- netto per maand, conform de berekening van de vrouw.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.665,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw in verband met haar samenwoning met [naam] moet worden uitgegaan van de helft van de forfaitaire woonlast, in plaats van de gebruikelijke forfaitaire woonlast.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van partijen niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(0,3 x NBI), bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om met de helft van het woonbudget te rekenen. De vrouw en [naam] worden geacht hun woonlasten gezamenlijk te kunnen dragen. Dat [naam] wegens gezondheidsklachten niet meer kan werken, leidt niet tot de conclusie dat van hem geen bijdrage in de woonlasten kan worden verlangd. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat hij daartoe financieel niet in staat is. De rechtbank rekent dus met een woonlast van € 400,-, zijnde de helft van het woonbudget van € 800,-, en zal hierop de formule aanpassen. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (400 + € 1.365,-)]. De draagkracht van de vrouw is dan € 630,- per maand.
Draagkracht [naam]
Uit de jaaropgave 2025 van [naam] volgt een inkomen van € 8.989,- bruto per jaar.
De man stelt dat [naam] een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van het minimum inkomen.
De vrouw voert verweer en voert daartoe aan [naam] al meer dan tien jaar in deze omvang werkt wegens persoonlijke (medische) omstandigheden en belastbaarheid.
De rechtbank is van oordeel dat er in deze procedure geen hogere verdiencapaciteit aan [naam] kan worden toegekend. Na de betwisting door de vrouw dat [naam] wegens medische beperkingen niet in staat is om meer te verdienen, heeft de man zijn stelling, dat [naam] dat wel kan, niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat.
Gelet op het beperkte inkomen van [naam] heeft hij een draagkracht van € 50,- per maand. Zoals hiervoor overwogen, moet deze draagkracht worden verdeeld over zes kinderen, hetgeen neerkomt op een draagkracht van minder dan € 10,- per kind per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat deze draagkracht van [naam] al volledig wordt benut in het kader van de zorg met betrekking tot [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2]. Een zorgkorting waarop hij recht zou hebben is al groter dan deze draagkracht. Gelet op de zeer geringe draagkracht van [naam], ziet de rechtbank aanleiding om deze verder buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2].
Berekening bijdrage
Wanneer de draagkracht van de man en de vrouw bekend zijn, kan worden beoordeeld of hun gezamenlijke draagkracht voldoende is om in de kosten van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. Als dat zo is, moeten de kosten van de kinderen naar rato van draagkracht worden verdeeld middels een draagkrachtvergelijking.
De draagkracht van de vrouw bedraagt, zoals hiervoor overwogen, € 630,- per maand. Nu de vrouw ook onderhoudsplichtig is ten aanzien van [minderjarige 4], dient zij een deel van draagkracht aan te wenden voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 4].
Het gedeelte wat wordt aangewend voor [minderjarige 4], moet worden vastgesteld naar rato van de behoefte van enerzijds [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2], en anderzijds die van [minderjarige 4].
Rekening houdende met een behoefte van € 602,- per maand kind voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], en met een behoefte van € 238,- per maand voor [minderjarige 4], berekent de rechtbank het door de vrouw voor [minderjarige 4] aan te wenden deel van haar draagkracht op € 73,- per maand.
De draagkracht van de vrouw die resteert voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt dan € 558,- per maand.
Draagkrachttekort
De draagkracht van partijen voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt gezamenlijk € 1.293,- per maand (€ 558,- + € 735,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 513,- per maand ( € 1.806,- -/- € 1.293,-).
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 632,- per maand (35% van € 1.806,-).
Aandeel man
Omdat sprake is van een tekort van € 513,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 375,- per maand (€ 632,- -/- € 257,-).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bedraagt dan € 360,- per maand (€ 735,- -/- € 375,-), en dus € 120,- per maand per kind.
Conclusie
In het ouderschapsplan is opgenomen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 707,- per maand aan kinderalimentatie betaalt (€ 236,- per kind per maand), telkens op de 26e van de maand bij vooruitbetaling te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Er is door de gewijzigde omstandigheid ten aanzien van de werksituatie van de man en door de gewijzigde zorgregeling een aanzienlijk verschil ontstaan tussen de bijdrage die op basis van de huidige financiële gegevens dient te worden vastgesteld (€ 360,- per maand) en het bedrag dat partijen oorspronkelijk zijn overeengekomen (€ 707,- per maand). De rechtbank zal het verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie daarom toewijzen.
De rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking € 360,- per maand, € 120,- per kind per maand, dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van Jonas, [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een kwestie van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2024 met het daarbij aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan van 22 juni 2024 –:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
bij de man zullen zijn:
bepaalt dat de vakanties als volgt worden verdeeld:
waarbij bij vakanties van één week de vakantie aanvangt op maandag 08:30 uur en loopt tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30), bij vakanties van twee weken de eerste week van de vakantie aanvangt op maandag 08:30 uur en loopt tot de maandag erna 08:30, de tweede week vangt aan op de maandag midden in de vakantie 08:30 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30), en voor de zomervakantie de eerste 2 weken van de vakantie aanvangen op maandag 08:30 uur en lopen tot de maandag 2 weken later 08:30, week drie en vier van maandag 08:30 tot maandag 08:30, en de laatste 2 weken na het vierde weekend in de vakantie van maandag 08:30 tot de maandag aan het einde van de vakantie naar school (of 08:30);
*bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal betalen van € 360,- per maand, zijnde € 120,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Man / Vrouw
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
07-07-2026
Man
Vrouw
Nieuwe partner
Kindgebonden budget na scheiding
€
0
€
860
€
0
Alleenstaande ouderkop
€
0
€
0
€
0
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
€
3.450
€
2.665
€
749
Aantal kinderen
4
[minderjarige 1]
[minderjarige 2]
[minderjarige 3]
[minderjarige 4]
Leeftijd
11
5
5
0
Woont bij
AP
0
0
0
0
AG
1
1
1
1
Ex-partner
0
0
0
0
Zorgkorting Vrouw
%
0
0
0
0
Zorgkorting Man
%
35
35
35
0
Zorgkorting tbv.
AP
AP
AP
Geen
[minderjarige 1]
[minderjarige 2]
[minderjarige 3]
[minderjarige 4]
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
602
602
602
238
2.044
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
0
0
0
0
0
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
0
0
0
0
0
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
602
602
602
238
2.044
Zorgkorting
€ p/m
211
211
211
0
633
Draagkracht
Man
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
245
245
245
0
735
Draagkracht Man per kind
€ p/m
245
245
245
0
735
Draagkracht Man
€ p/m
245
245
245
0
735
Vrouw
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
186
186
186
73
630
Draagkracht Vrouw per kind
€ p/m
186
186
186
73
630
Nieuwe partner
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
0
0
0
50
50
Draagkracht Vrouw
€ p/m
0
0
0
73
Totaal draagkracht Vrouw & Nieuwe partner
€ p/m
123
Draagkracht Vrouw (eventueel na vergelijking)
€ p/m
73
Verschil
€ p/m
0
Draagkracht Vrouw (na vergelijking met Nieuwe partner en correctie)
€ p/m
186
186
186
73
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
431
431
431
1.292
Bijdrage kosten kinderen
Tekort aan gezamenlijke draagkracht
€ p/m
171
171
171
514
Gedeelde tekort aan draagkracht
€ p/m
57
57
57
171
Zorgkorting minus tekort aan draagkracht
€ p/m
154
154
154
462
Aandeel Man in de kosten van de kinderen
€ p/m
245
245
245
735
Af: zorgkorting
€ p/m
154
154
154
462
Ten laste van Man te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m
91
91
91
273
Aandeel Vrouw in de kosten van de kinderen
€ p/m
186
186
186
557
Ten laste van Vrouw te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m
186
186
186
557
Aandeel stiefouder(s) in de kosten van de stiefkinderen
€ p/m
0
0
0