ECLI:NL:RBDHA:2026:23421

ECLI:NL:RBDHA:2026:23421

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/09/692985 / FA RK 25-7736
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wijziging zorgregeling, hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie. Tekort draagkracht bij samengesteld gezin.

Uitspraak

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.S. Rabarison te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. I.M. Van der Drift te Delft.

waargenomen door mr D.K.P.K. El Fadili.

Procedure

De rechtbank heeft in de bodemprocedure kennisgenomen van de stukken, waaronder:

 het verzoekschrift van de vader met bijlagen;

 het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de moeder met bijlagen;

 het bericht van de moeder op 2 juni 2026 met bijlagen;

 het verweerschrift van de vader en tevens wijziging verzoek met bijlagen;

 de brief van de vader op 11 juni 2026 met bijlagen;

 de brief van de moeder met aanvullend wijzigingsverzoek met bijlagen;

 het bericht van de vader op 15 juni 2026 met bijlagen.

De rechtbank heeft in de voorlopige voorzieningen procedure kennisgenomen van de stukken, waaronder:

 het verzoekschrift van de vader met bijlagen;

 het aanvullende verzoek van de vader;

 het verweerschrift van de moeder met bijlagen;

 het bericht van de vader op 11 juni 2026 met bijlage.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 12 juni 2026 in raadkamer hun mening gegeven over het verzoek.

Op 16 juni 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en F. Roos namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

 Partijen zijn gehuwd geweest van 11 december 2010 tot 8 april 2020.

 Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

 [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;

 [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .

 De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen.

 De vader is ook de ouder van de nog minderjarige:

 [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2023 te [geboorteplaats] .

 Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2019 is bepaald dat [de minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is hierbij de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn de getroffen regelingen zoals die staan in het aangehechte ouderschapsplan van 17 juli 2019 opgenomen in de beschikking;

 Bij het ouderschapsplan van 17 juli 2019 hebben de ouders  voor zover hier van belang – de afspraken met betrekking tot de zorgregeling vastgelegd in een schema onder artikel 3.1 waarbij de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld en het weekend van Vaderdag wordt doorgebracht bij de vader en het weekend van Moederdag bij de moeder.

 In het ouderschapsplan van 17 juli 2019 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Artikel 7 — Kinderalimentatie

7.1

De kosten van de kinderen zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 1.245,00 per maand, De ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen.

7.2

Met ingang van 1 juli 2019 en zolang het desbetreffende kind minderjarig is, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor dit kind van € 93,00 per maand. Thans betaalt de vader dan ook aan de moeder een alimentatie voor de kinderen, groot

€ 186,00 per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2020.”

Verzoek en verweer

subsidiair

Het verzoek van de vader in de voorlopige voorzieningen procedure luidt om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van de bodemprocedure:

primair

 een contactregeling vast te stellen tussen [de minderjarige 1] en de moeder inhoudende dat er eenmaal per veertien dagen een dagdeel contact is tussen moeder en [de minderjarige 1] , op een nader in onderling overleg te bepalen dag en tijdstip;

 [de minderjarige 1] in de BRP op het adres van de vader wordt ingeschreven; en

 de moeder € 150,- per maand bijdraagt aan de vader voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] ;

 de moeder ten behoeve van [de minderjarige 2] aan de vader € 55,- bijdraagt voor de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel dat de bijdrage van de vader aan de moeder voor

[de minderjarige 1] nihil is;

zowel primair als subsidiair

 te bepalen dat de moeder gehouden is de invordering van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] via het LBIO — te weten de door haar gestelde achterstallige alimentatie vanaf juni 2025 — aan te houden;

 de zorgregeling voor [de minderjarige 2] te wijzigen in een week-op/week-af regeling.

Het verzoek van de vader in de bodemprocedure strekt er na wijziging toe om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging van de beschikking van 6 december 2019 van deze rechtbank te bepalen dat:

 [de minderjarige 1] hoofdverblijf heeft bij de vader;

 de moeder haar medewerking dient te verlenen aan een inschrijving van [de minderjarige 1] in de BRP op het adres van de vader;

 de kinderalimentatie die de moeder voor [de minderjarige 1] aan de vader dient te voldoen gewijzigd wordt vastgesteld op € 150,- per maand per 1 juni 2025, dan wel op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

 de kinderalimentatie die de moeder voor [de minderjarige 2] aan de vader dient te voldoen (gewijzigd) wordt vastgesteld op € 55,- per maand per 1 juni 2025, dan wel op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

 te bepalen dat de moeder de kinderbijslag ten behoeve van [de minderjarige 1] , voor zover zij deze

heeft ontvangen vanaf het derde kwartaal van 2025, aan de vader betaalt;

 de zorgregeling voor [de minderjarige 2] te wijzigen in een week-op/week-af regeling, waarbij [de minderjarige 2]

wekelijks vrijdagmiddag uit school wisselt tussen de ouders;

 in het geval de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] wijzigt naar de moeder, te bepalen dat [de minderjarige 2] in de BRP op het adres van de vader ingeschreven blijft, waarbij de vader de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 2] blijft voldoen.

De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht:

 te bepalen dat [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en bij de moeder in de BRP wordt ingeschreven;

 vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [de minderjarige 2] op het BRP-adres van de moeder;

 de vader te gelasten mee te werken aan het Contactherstel traject tussen [de minderjarige 1] en de moeder bij “Goud Eerlijk”, [de minderjarige 1] te brengen en alle instructies van de professional op te volgen, subsidiair het contactherstel te laten verlopen bij een door de rechtbank te benoemen bijzondere curator zijnde een psycholoog/systeemtherapeut met een terugkoppeling aan de rechtbank;

 de toestemming van de vader voor de aanmelding bij “Goud Eerlijk” te vervangen;

 de zorgregeling te wijzigen en

primair te bepalen dat de kinderen in de ene week van donderdag 8.30 uur / na school tot vrijdag 8.30 uur / naar school en in de andere week van donderdag 8.30 uur / na school tot maandag 8.30 uur / naar school bij de vader verblijven

subsidiair te bepalen dat de kinderen in de even weken van donderdag na school tot vrijdag en in de oneven weken donderdag na school tot zondag 17:00 bij de vader verblijven;

waarbij geldt dat [de minderjarige 1] naar deze regeling zal toewerken;

 te bepalen dat de vader met ingang van de datum van dit verzoekschrift, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, bedrag van minimaal € 44,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en van € 279,- per maand voor [de minderjarige 2] aan de moeder zal voldoen;

 te bepalen dat de ouders worden doorverwezen naar Kinderen uit de Knel, subsidiair naar een traject dat de rechtbank juist acht, om de onderlinge communicatie te verbeteren.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningenprocedure

Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Nu de rechtbank, zoals hierna zal blijken, in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Ten aanzien van het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder de inning van de achterstallige kinderalimentatie van [de minderjarige 1] via het LBIO dient aan te houden, overweegt de rechtbank nog als volgt. Zoals hierna zal blijken, vervalt de grondslag voor de inning van de kinderalimentatie met ingang van 10 oktober 2025. De vader kan het LBIO op de hoogte kan stellen van de wijziging en het feit dat de grondslag voor de inning is vervallen. De vader heeft daarom geen belang meer bij een uitspraak van de rechtbank op dit verzoek. De rechtbank zal ook dit verzoek daarom afwijzen.

Bodemprocedure

Wijziging hoofdverblijfplaats

In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten

( a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en

( b) de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Voor de inhoudelijke beoordeling maakt de rechtbank onderscheid tussen de situatie van [de minderjarige 1] en die van [de minderjarige 2] .

[de minderjarige 1]

De vader stelt dat [de minderjarige 1] sinds mei 2025 volledig bij hem verblijft en vraagt daarom om de hoofdverblijfplaats te wijzigen naar zijn adres. De moeder verzet zich niet tegen dit verzoek.

De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige 1] sinds mei 2025 feitelijk bij haar vader woont en dat zij sindsdien nauwelijks contact heeft met haar moeder. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige 1] dat haar hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd, zodat de feitelijke situatie en de juridische situatie met elkaar in overeenstemming zijn. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader in zoverre toewijzen. Dit betekent ook dat de moeder haar medewerking zal dienen te verlenen aan de inschrijving van [de minderjarige 1] in het BRP op het adres van de vader.

[de minderjarige 2]

De moeder stelt dat het emotionele waarde heeft voor haar dat in ieder geval één van de kinderen op haar adres staat ingeschreven, omdat dat haar het gevoel geeft dat zij kan blijven functioneren als moeder door betrokken te blijven bij bijvoorbeeld school en het ontvangen van toeslagen. Als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] bij de moeder wordt bepaald, is zij ook verantwoordelijk voor de verblijfsoverstijgende kosten en kan zij bijvoorbeeld kleren met [de minderjarige 2] kopen. Ook dit vindt de moeder belangrijk. Daarnaast stelt de moeder dat het zwaartepunt van de zorg voor [de minderjarige 2] bij haar ligt, waardoor het ook in de rede ligt het hoofdverblijf bij haar te bepalen.

De vader is het niet met de moeder eens en stelt dat het beter is als het hoofdverblijf van [de minderjarige 2] bij hem blijft. De vader draagt al jaren de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 2] en daar zijn nooit problemen mee geweest. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] is het enige wat stabiel is geweest de afgelopen jaren, dus de vader ziet geen reden om daar een wijziging in aan te brengen.

De rechtbank stelt vast dat er ten aanzien van [de minderjarige 2] geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Reeds daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om haar hoofdverblijfplaats te wijzigen.

De rechtbank overweegt voorts als volgt. In zaken zoals deze, waarbij sprake is van een co-ouderschapsregeling, gaat het bij de bepaling van de hoofdverblijfplaats in feite om de financiële belangen. De rechtbank stelt vast dat constructief overleg tussen de ouders over de verblijfsoverstijgende kosten op dit moment niet mogelijk is gelet op een fundamenteel verschil in uitgavepatroon. De vader is eerder geneigd om iets voor de kinderen te betalen dan de moeder. De rechtbank stelt voorts vast dat de tussen de ouders gerezen problemen over de betaling van de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 1] hebben bijgedragen aan het conflict tussen [de minderjarige 1] en haar moeder, als gevolg waarvan [de minderjarige 1] bij haar vader is gaan wonen. De rechtbank stelt voorts vast dat de betaling van de verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige 2] niet tot problemen heeft geleid. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [de minderjarige 2] dat de situatie blijft zoals die de afgelopen jaren geweest is. De rechtbank acht het, gelet op de verschillende uitgavepatronen van de ouders, daarnaast ook in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat ten aanzien van hen beiden dezelfde financiële uitgangspunten gelden. Ook daarom acht de rechtbank een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van [de minderjarige 2] .

Het belang van de moeder bij inschrijving van één van de kinderen op haar adres weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van [de minderjarige 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat de omstandigheid dat [de minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij haar vader heeft, in beginsel geen invloed hoeft te hebben op de betrokkenheid van de moeder bij de school van [de minderjarige 2] . Ook wijst de rechtbank erop dat de moeder, gelet op de zorgregeling die voor [de minderjarige 2] geldt, aanspraak kan maken op een zorgkorting van 35 % en dat die zorgkorting niet alleen ziet op eten en drinken, maar dat de moeder een deel daarvan ook kan aanwenden om (bijvoorbeeld) af en toe te gaan shoppen met [de minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder afwijzen.

Wijziging zorgregeling

Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

[de minderjarige 1]

Gelet op het feit dat [de minderjarige 1] sinds mei 2025 feitelijk bij de vader woont en het contact met de moeder sindsdien grotendeels verbroken is, is er sprake van een wijziging van omstandigheden en zal de rechtbank de ouders ontvangen in hun verzoeken.

Het is de rechtbank gebleken dat [de minderjarige 1] en de moeder elkaar missen en allebei graag meer contact met elkaar willen hebben. De vader staat daar ook achter. Ouders zijn het er echter niet over eens wat ervoor nodig is om dat te kunnen bereiken. De moeder wil onder deskundige begeleiding een traject voor contactherstel doorlopen, omdat zij bang is dat het verleden tussen haar en [de minderjarige 1] in zal blijven staan als zij niet uitspreken wat er gebeurd is. Ook is de moeder bang dat [de minderjarige 1] en zij ruzie zullen krijgen als zij het verleden proberen uit te spreken zonder begeleiding van een professional, en zij vreest dat haar band met [de minderjarige 1] daardoor onherstelbaar beschadigd zal raken. [de minderjarige 1] wil eigenlijk geen hulpverlening meer, omdat de hulpverleningstrajecten die tot op heden zijn ingezet niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. [de minderjarige 1] heeft er weinig vertrouwen in dat een ander hulpverleningstraject wel zal slagen. [de minderjarige 1] wil met haar moeder samen naar de toekomst kijken en hun band herstellen door samen regelmatig leuke dingen te doen. De vader heeft op zitting begrip getoond voor de wens van moeder om het verleden uit te spreken met [de minderjarige 1] , maar ook voor de wens van [de minderjarige 1] om zich te richten op de toekomst in plaats van op het verleden. De rechtbank heeft op zitting met de ouders gezocht naar een oplossing die recht doet aan de gevoelens van zowel de moeder als van [de minderjarige 1] . Daarbij zijn de ouders overeengekomen dat [de minderjarige 1] en de moeder bij “Goud Eerlijk” één herstelgesprek zullen hebben, en dat de moeder en [de minderjarige 1] de komende tijd eens per veertien dagen een dagdeel samen iets leuks gaan doen. Als het contact hersteld is en naar tevredenheid verloopt, zullen de ouders samen met [de minderjarige 1] kijken hoe de contacten kunnen worden uitgebreid. Ook zijn de ouders overeengekomen dat zij zich zullen wenden tot “Goud Eerlijk” voor een hulpverleningstraject gericht op verbetering van de communicatie tussen hen beiden, om verdere conflicten en escalaties in de toekomst te voorkomen. De ouders hebben daarbij afgesproken dat zij de kosten voor de hulp van “Goud Eerlijk” ieder voor de helft zullen dragen. De rechtbank acht deze afspraken in het belang van [de minderjarige 1] en zal dienovereenkomstig beslissen.

[de minderjarige 2]

Ten behoeve van [de minderjarige 2] zijn de ouders op de zitting tot de conclusie gekomen dat de zorgregeling op dit moment beter kan blijven zoals hij is. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belangen van [de minderjarige 2] zich hiertegen verzetten, dus zal de rechtbank het verzoek van zowel de vader als de moeder om wijziging van de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 2] afwijzen.

Wijziging kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

Een rechterlijke beslissing kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).

Tussen de ouders is niet in geschil dat de omstandigheden sinds de kinderalimentatie is vastgelegd zodanig zijn gewijzigd dat het vastgelegde bedrag niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, omdat [de minderjarige 1] al geruime tijd feitelijk bij de vader woont en de vader op [geboortedatum 3] 2023 samen met zijn nieuwe partner een kind heeft gekregen, [de minderjarige 3] , waarvoor hij ook onderhoudsplichtig is. Ook de rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen zijn verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Samenloop van onderhoudsverplichtingen

Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De vader is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudsplichtig (gezin 1), maar ook voor [de minderjarige 3] (gezin 2). Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen.

De rechtbank zal een relatief nieuwe methode toepassen van draagkrachtverdeling bij samengestelde gezinnen voor de ouder die meerdere onderhoudsverplichtingen heeft. De rechtbank zal voor beide gezinnen apart het aandeel van de vader berekenen op basis van zijn draagkracht. Zo wordt de zuivere draagkracht van de vader per gezin berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Voor zover de vader een tekort heeft om in het totaal van de aandelen te voldoen, wordt dit naar rato over de aandelen verdeeld.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De vader stelt dat [de minderjarige 1] sinds mei 2025 feitelijk bij hem woont en hij sindsdien ook alle kosten voor [de minderjarige 1] heeft betaald. Hij vraagt daarom de ingangsdatum op 1 juni 2025 te bepalen. De moeder stelt dat zij, ondanks dat [de minderjarige 1] vanaf mei 2025 bij de vader woont, wel nog kosten voor [de minderjarige 1] heeft voldaan waardoor de ingangsdatum niet met terugwerkende kracht dient te worden vastgesteld.

De rechtbank acht het redelijk om de datum van indiening van het verzoek – te weten 10 oktober 2025 – te hanteren als ingangsdatum voor de wijziging van de alimentatieverplichting, omdat de moeder vanaf dat moment rekening kon en moest houden met een wijziging van de alimentatie. De rechtbank ziet geen aanleiding een eerdere ingangsdatum vast te stellen. [de minderjarige 1] woont weliswaar al sinds mei 2025 bij de vader, maar zij is bij hem gaan wonen na een hoog opgelopen ruzie tussen haar en haar moeder en op dat moment was nog niet voorzienbaar dat die situatie langdurig zou blijven bestaan. De moeder hoefde op dat moment dus nog niet direct rekening te houden met een wijziging van de kinderalimentatie.

Gezin 1 (met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] )

Behoefte

De ouders zijn het erover eens dat de (geïndexeerde) behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in 2025

€ 1.569,- per maand bedraagt.

Draagkracht vader

Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 62.498 per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde inkomen van de vader over de jaren 2023, 2024 en 2025 (69.914 + 62.043 + 55.538 / 3). De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de jaarcijfers van de vader over het jaar 2025 weliswaar nog niet definitief zijn vastgesteld, maar dat de vader ter zitting een duidelijke verklaring heeft gegeven voor de afname van zijn winst uit onderneming, namelijk dat een gedeelte van zijn klanten minder gebruik maakt van de diensten van zijn onderneming, omdat die klanten (een gedeelte van) de werkzaamheden waarvoor zij voorheen de vader inhuurden, nu laten uitvoeren door AI. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om de voorlopige winst uit onderneming uit 2025 bij de berekening van de draagkracht te betrekken.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op een bedrag van € 7.181,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 4.484,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4.484 – (1.345 + 1.310)] = € 1.280,- per maand.

Draagkracht moeder

De ouders zijn het erover eens dat bij de bepaling van de draagkracht van de moeder rekening moet worden gehouden met een gemiddelde winst uit onderneming van € 23.368,- per jaar. Ook zijn de ouders het erover eens dat daarnaast rekening moet worden gehouden met het inkomen uit loondienst bij Brasserie Mirell van € 7.541,- per jaar.

De vader stelt dat daarnaast rekening gehouden moet worden met het inkomen uit loondienst – dan wel verdiencapaciteit ter hoogte van eenzelfde bedrag – dat de moeder in 2023 verdiende bij De Lange Keizer Kinderopvang. De moeder stelt dat het onredelijk zou zijn om rekening te houden met dit inkomen, omdat zij haar werkzaamheden bij de kinderopvang heeft beëindigd om meer uren in haar onderneming te kunnen werken. Dat heeft geleid tot een toename van haar winst uit onderneming, waar reeds rekening mee wordt gehouden.

De rechtbank zal geen rekening houden met het inkomen dat de moeder in het verleden bij de kinderopvang verdiende. Evenmin zal de rechtbank rekening houden met fictieve verdiencapaciteit. De rechtbank volgt daarbij de verklaring van de moeder dat zij niet minder is gaan werken – wat aanleiding zou kunnen zijn voor het aannemen van verdiencapaciteit of om rekening te houden met het in het verleden in loondienst gegenereerde inkomen – maar dat zij de uren die zij in het verleden bij de kinderopvang werkte tegenwoordig besteedt aan werkzaamheden voor haar onderneming. De rechtbank acht dit ook redelijk, omdat de moeder er terecht op heeft gewezen dat haar totale inkomen is toegenomen nadat zij is gestopt bij de kinderopvang.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 2.496,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.496 – (749 + 1.310)] = € 306,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.586,- per maand (€ 1.280 + € 306). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.280 / 1.586 x 1.569 = € 1.266,-

Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 306 / 1.586 x 1.569 = € 303,-

Samen: € 1.569,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt – in de ideale situatie, ervan uitgaande dat de vader voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van al zijn kinderen te voorzien – een gedeelte van € 1.266,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 303,- per maand zou – in de ideale situatie – voor rekening van de moeder komen.

Gezin 2 ( [de minderjarige 3] )

Behoefte [de minderjarige 3]

Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de ouders het erover eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige 3] € 467,- per maand bedraagt.

Draagkracht vader

Voor de berekening in gezin 2 gaat de rechtbank uit van dezelfde draagkracht voor de vader als in gezin 1, wetende een bedrag van € 1.280,- per maand.

Draagkracht partner van de vader

Het is uit de stukken en op de zitting gebleken dat de ouders het eens zijn over het bedrag van € 25,- per maand aan draagkracht voor de partner van de vader.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de vader en zijn nieuwe partner bedraagt gezamenlijk € 1.305,- per maand (€ 1.280 + € 25). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 3] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.280 / 1.305 x 467 = € 458,-

Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 25 / 1.305 x 467 = € 9,-

Samen: € 467,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige 3] komt – in de ideale situatie, ervan uitgaande dat de vader voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van al zijn kinderen te voorzien – een gedeelte van € 458,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 9,- per maand zou – in de ideale situatie – voor rekening van de nieuwe partner van de vader komen.

Vergelijking gezin 1 en gezin 2

Uit de hiervoor gemaakte draagkrachtvergelijkingen volgt dat de vader – gelet op de behoefte van de kinderen en in verhouding tot de draagkracht van de moeders van de kinderen –voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in totaal € 1.266,- per maand zou moeten bijdragen en voor [de minderjarige 3] € 458,-. Samen is dit € 1.724,- per maand. De vader heeft een draagkracht van € 1.280,- per maand; dit is onvoldoende om in de behoefte van alle drie de kinderen te voorzien.

Als er – zoals ook in dit geval – sprake is van een tekort, moet de volledige draagkracht worden verdeeld naar rato van de eerder berekende aandelen, zodat ieder van de kinderen een evenredig geel van de eerder berekende aandelen krijgt. Dat doet de rechtbank met de formule (berekende aandeel van de onderhoudsplichtige ouder) gedeeld door (totaal van de berekende aandelen van de onderhoudsplichtige ouder) vermenigvuldigd met (draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder).

Zoals hiervoor berekend, zou het eigen aandeel van de vader in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 1.266,-, oftewel € 633,- per kind, per maand bedragen en voor [de minderjarige 3] € 458,-. Het totaal van de berekende aandelen van de vader bedraagt € 1.724,- per maand en de feitelijke draagkracht van de vader bedraagt € 1.280,- per maand.

Als de draagkracht van de vader – gebruikmakend van de hiervoor omschreven formule – naar rato van de berekende aandelen over de kinderen wordt verdeeld, leidt dat tot de volgende bijdragen:

 voor [de minderjarige 1] : (633 / 1724) x 1280 = 470

 voor [de minderjarige 2] : (633 / 1724) x 1280 = 470

 voor [de minderjarige 3] (458 / 1724) x 1280 = 340

Het aandeel van de moeder in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 303,- per maand en het aandeel van de vader in deze kosten van € 940,- per maand komen bij elkaar neer op

€ 1.243,- per maand en zijn dus ontoereikend om volledig in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. Het tekort bedraagt (€ 1569,- -/- € 1.243,- =) € 326,- per maand.

Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage ten aanzien van [de minderjarige 1] in geschil. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de moeder gemiddeld eens per veertien dagen een dagdeel de zorg heeft voor [de minderjarige 1] , geldt een percentage van 5%. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om vooruit te lopen op een mogelijke uitbreiding van de contacten tussen [de minderjarige 1] en de moeder. Het staat de ouders uiteraard vrij om hier, zo nodig met behulp van hun advocaten, een aanpassing naar rato in te maken wanneer de zorgregeling tussen moeder en [de minderjarige 1] structureel en duurzaam wordt uitgebreid. De zorgkorting voor [de minderjarige 1] bedraagt op dit moment € 39,- per maand (5% van € 784,-). Niet in geschil is dat er ten aanzien [de minderjarige 2] een zorgkortingspercentage geldt van € 35 %, en dus een zorgkorting van

€ 275,- (35% van € 785,-). De totale zorgkorting bedraagt € 314,- per maand.

Omdat er sprake is van een tekort in gezamenlijke draagkracht, kan de moeder niet de gehele zorgkorting verzilveren. Het tekort, zoals hiervoor berekend, bedraagt € 326,- per maand. De helft hiervan (€ 163,-) komt in mindering op de zorgkorting van de moeder. De andere helft van het tekort moet door de vader worden gedragen. Dat betekent dat de moeder een bedrag van (€ 314 - € 163 =) € 151,- per maand aan zorgkorting kan verzilveren. Van de zorgkorting die de moeder kan verzilveren, ziet één achtste deel (€ 19) op [de minderjarige 1] en zeven achtste deel (€ 132) op [de minderjarige 2] .

Het totale aandeel van de moeder in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt (€ 303 / 2 =)

€ 152,- per kind per maand. Rekening houdend met de hiervoor berekende zorgkorting betekent dat dat de moeder aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] een bedrag van € 133,- per maand moet betalen en voor [de minderjarige 2] € 20,- per maand.

Conclusie

Uit voorgaande berekeningen volgt dat de moeder aan de vader voor [de minderjarige 1] een bedrag van € 133,- per maand dient te voldoen en voor [de minderjarige 2] een bedrag van € 20,- per maand. De rechtbank zal deze bedragen aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 10 oktober 2025.

De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wijzigen met ingang van 10 oktober 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 139,- voor [de minderjarige 1] en € 21,- voor [de minderjarige 2] . Met ingang van 1 januari 2027 worden laatstgenoemde bedragen van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

Kinderbijslag

De moeder heeft gesteld dat zij van de tot op heden ten behoeve van [de minderjarige 1] ontvangen kinderbijslag onder meer schoolkosten, sport en schoolkamp heeft betaald. De vader heeft dit niet betwist. De rechtbank zal het verzoek van de vader om de tot op heden door de moeder ten behoeve van [de minderjarige 1] ontvangen kinderbijslag aan hem te voldoen afwijzen, nu de rechtbank ervan uitgaat dat de moeder deze bedragen heeft opgesoupeerd ten behoeve van [de minderjarige 1] . De rechtbank gaat ervan uit dat partijen samen aan de Sociale Verzekeringsbank doorgeven dat de kinderbijslag nu moet worden uitgekeerd aan de vader.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging van de beschikking van 6 december 2019 van deze rechtbank en de daarin opgenomen tussen partijen getroffen regeling –:

bepaalt dat de minderjarige:

 [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ,

voortaan de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] , éénmaal per veertien dagen een dagdeel bij de moeder zal zijn, op een nader in onderling overleg te bepalen dag en tijdstip;

*

bepaalt dat de moeder aan de vader een kinderalimentatie zal betalen van

vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.S Matthijssen

Griffier

  • mr. R. Warmerdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand