Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706640 / KG ZA 26-614
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. E.H. van de Gein te Den Haag,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de op 7 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] . De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij de vrouw.
[de minderjarige] heeft een autisme spectrumstoornis en een matig verstandelijke beperking (2025 SON-IQ=55). Daarnaast is [de minderjarige] non-verbaal.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024 is een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit de dagbesteding tot woensdag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg.
Nadien is de omgangsregeling mondeling gewijzigd, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit de dagbesteding tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.
De gewijzigde omgangsregeling wordt door de man al een aantal weken niet uitgevoerd.
3. Het geschil
De man vordert – zakelijk weergegeven – de vrouw te veroordelen tot nakoming van primair de gewijzigde omgangsregeling, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag uit de dagbesteding tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen en subsidiair de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2024, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 500,- voor iedere dag en/of afspraak of gedeelte hiervan, dat zij met het gevorderde in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,-. Daarnaast vordert de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De vrouw geeft zonder opgaaf van redenen geen uitvoering meer aan de omgangsregeling. Gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige] is het extra zorgelijk dat de vrouw hierdoor zijn wekelijkse routine verbreekt. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de omgangsregeling zo spoedig mogelijk wordt hervat.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Als uitgangspunt geldt dat de omgangsregeling moet worden nagekomen. Dit is alleen anders als er feiten of omstandigheden zijn die maken dat de regeling niet (langer) in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er van dergelijke omstandigheden sprake is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de voorzieningenrechter gebleken dat de man de afgelopen periode de omgangsregeling niet consequent is nagekomen. Dat betekende feitelijk dat de vrouw maar moest afwachten of en wanneer de man [de minderjarige] wilde verzorgen. De enige redenen die de man daarvoor heeft aangedragen zijn privéomstandigheden, die hij weigerde op de zitting nader toe te lichten, en het feit dat hij moe is en de zorg voor [de minderjarige] - mede gezien zijn leeftijd - feitelijk niet goed meer kan opbrengen. Om diezelfde redenen heeft hij de vrouw in februari 2026 medegedeeld dat de omgangsregeling door hem zou worden teruggebracht naar een weekend per veertien dagen. De vrouw heeft dat blijkens haar toelichting toen maar geaccepteerd omdat zij geen keus had. Daarbij lijkt bij de man erg weinig begrip te zijn voor de (extra) inspanningen die de vrouw moet leveren in het kader van de zorg voor [de minderjarige] . Zij draagt zelfstandig het merendeel van de (bovengemiddelde) zorg voor [de minderjarige] en werkt daarnaast 24 uur per week als verpleegkundige. Zij heeft toegelicht dat zij heel graag zou willen dat de man de omgangsregeling stipt zou nakomen en dat zij de regeling slechts heeft stopgezet, omdat zij merkte dat [de minderjarige] veel last had van de onregelmatigheid van de omgang met de man en dat hij hierdoor ontregeld raakte.
Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat [de minderjarige] gelet op zijn kwetsbaarheid juist een bovengemiddelde behoefte aan structuur, rust en regelmaat heeft. De voorzieningenrechter overweegt dan ook dat de voorliggende vraag niet zozeer is of de vrouw verplicht moet worden de huidige omgangsregeling na te komen, maar of de man in staat en bereid is die (al verkorte) omgangsregeling correct na te komen. In dit kader is door de Raad geopperd dat partijen wellicht een nog minder omvangrijke omgangsregeling kunnen afspreken, in de hoop dat de man die regeling dan wel consequent kan en zal nakomen. De zitting is daarom kortdurend onderbroken geweest voor overleg tussen partijen.
Gebleken is dat partijen daarbij gesproken hebben over een aangepaste, meer beperkte, omgangsregeling waarbij [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen op de zaterdag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man zou verblijven. Meer kan de man volgens hem niet opbrengen. Partijen zijn het echter niet eens geworden over een haal- en brengregeling. De man bleek niet bereid om [de minderjarige] op de omgangsdag bij de vrouw op te halen en weer thuis te brengen. De vrouw heeft daarom in een poging alsnog overeenstemming te bereiken voorgesteld, dat hij [de minderjarige] kan ophalen bij de parkeerplaats in de buurt van haar woning of op [station 1] . De man heeft ook dit geweigerd; hij bleek alleen bereid [de minderjarige] op te halen op station [station 2] of station [station 3] . De man stelde daartoe dat de overdracht op een druk station moet plaatsvinden, zodat hij achteraf niet onterecht beschuldigd kan worden door de vrouw van bedreigingen aan haar adres. Aangezien hij [station 1] daar niet geschikt voor acht, weigert hij [de minderjarige] op deze locatie op te halen; hij vindt dat ook te ver van zijn huis. Deze weigering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter volstrekt onbegrijpelijk. [station 1] is immers een druk bezocht station, zeker op de zaterdagmiddag. Ook de afstand tussen de stations [station 2] en [station 3] en [station 1] is niet noemenswaardig groot, zodat niet valt in te zien dat [station 1] geen goede optie zou zijn. Gelet op het feit dat de vrouw al vrijwel alle zorg voor [de minderjarige] alleen moet dragen is het halen en brengen van [de minderjarige] bij [station 1] , eenmaal per veertien dagen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook wel het minste wat van de man verwacht kan worden. De man heeft echter ook nadat de voorzieningenrechter dit ter zitting kenbaar had gemaakt geweigerd om in te stemmen met halen en brengen naar [station 1] en hij heeft daarbij zelfs te kennen gegeven ‘er dan helemaal mee te stoppen’.
In het licht van het feit dat het partijen daardoor niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over een (op verzoek van de man verder beperkte) omgangsregeling zal de vordering van de man de vrouw te veroordelen tot nakoming van de eerder overeengekomen uitgebreidere zorgregeling worden afgewezen. Het is immers duidelijk geworden dat de man die regeling zelf niet zal nakomen. Daarbij wordt aangetekend dat het uiterst moeilijk is voor de vrouw dat zij nu de volledige zorg voor [de minderjarige] heeft, maar dat geen contact met de man op dit moment rustiger is voor haar en [de minderjarige] dan een uiterst onregelmatig contact, waarbij de vrouw maar moet afwachten of en hoe de man nakomt. Het is immers voor [de minderjarige] van groot belang dat zijn structuur gewaarborgd is. Het is nu aan de man om desgewenst stappen te zetten om te proberen alsnog te komen tot afspraken over een aangepaste omgangsregeling.
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van de man af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
MS