Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706358 / KG ZA 26-588
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. C.S. Ganga te Zoetermeer,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M. Maric te Zoetermeer.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 13);
- de door de vader op 2 juli 2026 overgelegde producties 14 t/m 19;
- de conclusie van antwoord met 1 productie;
- de door de vader op 5 juli 2026 overgelegde producties 20 t/m 23;
- de op 7 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling.
De voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de zitting in raadkamer gesproken met [minderjarige 1]. [minderjarige 2] heeft zich schriftelijk uitgelaten.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats]. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
Partijen zijn in het ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 18 september 2024, voor zover hier van belang, een co-ouderschapsregeling overeengekomen, waarbij de kinderen afwisselend bij beide ouders verblijven volgens een week-op-week-af-schema, met wisselmoment op vrijdag. De schoolvakanties worden tussen de ouders gedeeld, in onderling overleg af te stemmen.
Na de echtscheiding zijn er verschillende hulpverlenende instanties betrokken (geweest), waaronder Kwadraad, Veilig Thuis, Jeugd- en Gezinshulp [plaats] (JGHZ) en het Scheidspunt.
Na 28 februari 2026 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen. Partijen hebben vervolgens onder begeleiding van JGHZ geprobeerd om afspraken te maken over contactherstel tussen de vader en de kinderen. Dit is niet gelukt.
De moeder heeft op 27 februari 2026 bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt (met kenmerk C/09/702470), waarin zij beëindiging van het gezamenlijk gezag, begeleide omgang en kinderalimentatie verzoekt. Die procedure loopt nog.
3. Het geschil
De vader vordert – zakelijk weergegeven – :
i) primair: nakoming van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling, met een opbouw voor de eerste week, waarbij de kinderen die keer van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school bij de vader zijn;subsidiair: een voorlopige wijziging van de zorgregeling, waarbij de kinderen wekelijks van vrijdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school bij de vader zijn;
ii) te bepalen dat de kinderen in de zomervakantie 2026 van 24 juli 18.00 uur tot 7 augustus 18.00 uur en van 21 augustus 18.00 uur tot 28 augustus 18.00 uur bij de moeder zijn en bij de vader verblijven van 17 juli 18.00 uur tot 24 juli 18.00 uur en van 7 augustus 18.00 uur tot 21 augustus 18.00 uur;
iii) te bepalen dat de kinderen in de herfstvakantie 2026 de eerste helft tot woensdag 12.00 uur zijn bij de ouder die hen de vrijdag waarmee de herfstvakantie begint bij zich heeft, en dat zij de tweede helft tot maandagochtend naar school bij de andere ouder zijn;
iv) de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan de vader van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 5.000,-, met machtiging van de vader om het vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm, nadat het maximum is bereikt.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De moeder houdt de kinderen bij zich en komt de zorgregeling ten onrechte niet na. De zorgregeling moet weer worden opgebouwd naar de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling. Hulpverlening in de vorm van solo-parallel-ouderschap is nodig, in combinatie met een duidelijker ouderschapsplan met een concrete vakantie- en bijzondere (feest)dagenregeling. Ook moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over gezag aangelegenheden. Iedere dag waarop de huidige situatie voortduurt bestendigt en versterkt de feitelijke situatie die de moeder in de bodemprocedure permanent wil maken. De vervreemding tussen de kinderen en hun vader neemt met de dag toe en de schade aan de vader-kind relatie is onomkeerbaar.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Uitgangspunt is dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling (hier het door partijen opgestelde ouderschapsplan) moet worden nagekomen. Als een van partijen wijziging van de zorgregeling wil moet dat in beginsel in een bodemprocedure bij de familierechter aan de orde worden gesteld. De moeder heeft inmiddels een bodemprocedure gestart die strekt tot wijziging van het gezag en de zorgregeling. De vraag die in dit kort geding voorligt is of er sprake is van spoedeisende en zwaarwegende omstandigheden die op dit moment onverkorte nakoming van de zorgregeling in de weg staan.
De kern van de problematiek is in dit geval gelegen in de problematische en complexe verstandhouding tussen de ouders. Het lukt hen niet om op een constructieve manier in gesprek te gaan. De inzet van hulpverlening in het verleden heeft geen (structurele) oplossing gebracht. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat in ieder geval [minderjarige 1] zich mede door de strijd tussen de ouders in een acute noodsituatie bevindt. In het kindgesprek heeft zij zelf aangegeven dringend hulp nodig te hebben en graag met een onafhankelijke derde te willen praten zonder dat haar ouders daarbij zijn. De voorzieningenrechter heeft benadrukt dat het van groot belang is dat partijen gezamenlijk optrekken om de problemen van [minderjarige 1] aan te pakken. Daarbij is het essentieel dat de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen verbetert en dat zij in onderling overleg tot afspraken over de (invulling van de) hulpverlening voor [minderjarige 1] en het weer opstarten van de omgang komen.
Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat [minderjarige 1] hulp moet krijgen, maar dat zij van mening verschillen over de vraag welke hulpverlening ingezet moet worden en ook over de manier waarop deze hulp in gang gezet moet worden. Ter zitting is uiteindelijk afgesproken dat de moeder een afspraak zal maken met de praktijkondersteuner van haar huisarts. De praktijkondersteuner zal beoordelen of zij [minderjarige 1] zelf kan begeleiden door het voeren van gesprekken of dat een verwijzing naar andere hulpverlening nodig is. De vader heeft toegezegd zijn toestemming voor dit traject te geven. De voorzieningenrechter zal de medewerking aan het traject voor alle duidelijkheid als verplichting voor partijen vastleggen in het dictum van het vonnis.
De voorzieningenrechter acht het op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zij per direct verplicht worden om de in de beschikking vastgestelde zorgregeling weer na te komen. Datzelfde geldt voor een beperktere weekendregeling waarvan de vader subsidiair nakoming vordert. Daarbij weegt zwaar dat [minderjarige 1] in het kindgesprek heeft aangegeven nu absoluut niet naar de vader te willen en [minderjarige 2] datzelfde schriftelijk heeft meegedeeld. Duidelijk is dat [minderjarige 1] het op dit moment moeilijk heeft, en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dat ook voor [minderjarige 2] geldt. Aannemelijk is dat zij beiden hersteltijd en hulpverlening nodig hebben om te komen tot contactherstel met hun vader. Met begeleiding van hulpverlening kan bekeken worden of, wanneer en op welke manier contactherstel tussen de kinderen en de vader kan plaatsvinden. Op dit moment valt niet te voorspellen wanneer het contact zal zijn hersteld. In de lopende bodemprocedure zal kunnen worden bezien wat de ontwikkelingen op dat punt zijn en kan worden beoordeeld of er aanleiding bestaat de huidige zorgregeling te wijzigen, zoals de moeder in die procedure verzoekt. Daarvoor leent een kort geding zich niet.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de vader die strekken tot nakoming van de huidige zorgregeling dan wel voorlopige wijziging van die zorgregeling en het vaststellen van een regeling voor de aankomende zomer- en herfstvakantie worden afgewezen. Gelet hierop zijn ook de gevorderde dwangsom en machtiging tot tenuitvoerlegging met de sterke arm niet toewijsbaar.
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kinderen betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat partijen verplicht zijn zich op korte termijn te wenden tot de praktijkondersteuner van de huisarts van de moeder met het verzoek na te gaan of de praktijkondersteuner zelf gesprekken als bedoeld in 4.3. kan voeren of dat daartoe doorverwijzing naar een andere hulpverlener noodzakelijk is;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
AW