ECLI:NL:RBDHA:2026:23455

ECLI:NL:RBDHA:2026:23455

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/09/699027 / FA RK 26-1150
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beëindiging voogdij nav informele rechtsingang. Strijd met EVRM en IVRK en analoge toepassing van 1:251a lid 4 BW

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1150

Zaaknummer: C/09/699027

Datum beschikking: 21 juli 2026

Informele rechtsingang

Beschikking naar aanleiding van de op 23 september 2025 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang van:

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de voogd] ,

hierna te noemen: de voogd,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. V. Kidjan te Amsterdam;

[de voogdes] ,

hierna te noemen: de voogdes,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. V. Kidjan te Amsterdam;

[de pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegvader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres;

[de pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

hierna te noemen: JBB.

1. Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief van [minderjarige 1] , ingekomen bij de rechtbank Oost Brabant op 24 september 2025.

Nadat [minderjarige 1] had gesproken met de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant en de belanghebbenden naar aanleiding van dat gesprek door die kinderrechter waren opgeroepen, heeft de kinderrechter te Oost-Brabant zich gerealiseerd niet bevoegd te zijn en de brief van [minderjarige 1] op 28 januari 2026 doorgestuurd naar de bevoegde kinderrechter te Den Haag.

Op 1 februari 2026 is namens de voogden een zienswijze ingediend en zijn stukken overgelegd.

Op 4 maart 2026 heeft [minderjarige 1] via een videoverbinding met de kinderrechter van de rechtbank Den Haag gesproken over deze brief.

Bij brieven van 23 maart 2026 heeft de rechtbank de voogden, de pleegouders en Jeugdbescherming West Haaglanden ingelicht over het gesprek met [minderjarige 1] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige 1] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is voor de zitting uitgenodigd.

Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de voogden, bijgestaan door hun advocaat;

de pleegouders;

[naam 1] van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank heeft de zaak op die zitting aangehouden tot de zitting van 13 juli 2026, in afwachting van het rapport van het op dat moment nog lopende onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Namens de voogden zijn op 8 juni 2026 alle processtukken uit de eerder gevoerde procedures overgelegd.

Op 23 juni 2026 heeft de Raad voor de Kinderbescherming medegedeeld geen verzoek bij de rechtbank te zullen indienen.

De pleegvader heeft op 8 juli 2026 het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 juni 2026 overgelegd.

Namens de voogden is op 9 juli 2026 een verweerschrift met een productie ingediend en op 10 juli 2026 zijn in aanvulling daarop een tweede en derde productie ingediend.

Op 13 juli 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

de voogden;

de pleegouders;

[naam 2] van de Raad voor de Kinderbescherming.

JBB is, hoewel opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Op 15 juli 2026 heeft JBB zich desgevraagd schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.

2. Feiten

[minderjarige 1] is geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , [geboorteland] . [minderjarige 1] heeft een oudere (half)zus [minderjarige 2] en een jongere broer [minderjarige 3].

In een beslissing van de rechtbank te [plaats 2] , [land] van 28 augustus 2020 zijn de voogden belast met een vorm van gezag naar Mozambikaans recht over [minderjarige 2], [minderjarige 1] en [minderjarige 3].

In oktober 2020 zijn de voogden met de kinderen naar Nederland gekomen.

Sinds november 2021 zijn de voogden uit elkaar. Zij zijn in juli 2022 formeel gescheiden, waarna de kinderen bij de voogd zijn blijven wonen, die de kinderen daarna alleen heeft verzorgd en opgevoed.

Sinds november 2023 verblijft [minderjarige 1] niet meer bij de voogd.

Omdat onduidelijkheid bestond over de vraag of de voogden belast waren met de voogdij over [minderjarige 1] en of de beslissing van de rechtbank te [plaats 2] voor in Nederland voor erkenning vatbaar is, is bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2024 over [minderjarige 1] een voorlopige voogdijmaatregel uitgesproken en is JBB, locatie [plaats 1], benoemd tot (voorlopige) voogd over [minderjarige 1] .

Bij beschikking van 26 juni 2025 van deze rechtbank is de beslissing van 28 augustus 2020 van de rechtbank te [land] bekrachtigd en is vastgesteld dat de voogden belast zijn met een vorm van gezag naar Mozambikaans recht over [minderjarige 1] , vergelijkbaar met het gezag/de voogdij, zoals we dit in Nederland kennen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 oktober 2025 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 7 oktober 2026. Bij diezelfde beschikking is een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 oktober 2026.

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 februari 2026 is de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant.

[minderjarige 1] woont bij zijn pleegmoeder.

3. Aanvraag

[minderjarige 1] heeft verteld dat hij wenst dat de voogdij wordt gewijzigd in die zin dat de voogdij die door de huidige voogden wordt uitgeoefend wordt beëindigd. Hij woont niet meer bij hen en er is geen goede band tussen [minderjarige 1] en hen. [minderjarige 1] zou het liefst willen dat de pleegouders de voogdij over hem gaan uitoefenen en anders wil hij dat de jeugdbeschermer zijn voogd wordt.

[minderjarige 1] is bang is dat zijn voogden gaan beslissen dat hij niet meer bij zijn pleegouders mag wonen of dat hij opnieuw bij de voogd moet gaan wonen. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat niet te willen, aangezien zijn voogden erg streng voor hem waren en hij werd geslagen. Hij wil daarom ook niet dat zij nog iets over hem te zeggen hebben. Vanaf zijn komst in Nederland ging [minderjarige 1] al regelmatig naar zijn pleegouders. Inmiddels woont [minderjarige 1] , na verblijf in een gezinshuis, al meer dan tweeënhalf jaar bij zijn pleegouders. Daar voelt hij zich fijn. [minderjarige 1] heeft geen behoefte aan contact met de voogden, maar wil wel graag zijn broertje zien die bij de voogd woont.

4. Standpunten

De Raad heeft onderzoek gedaan naar de vraag of de voogdij van de voogden beëindigd moet worden. De Raad maakt zich zorgen over de bij [minderjarige 1] op de voorgrond liggende stressoren, namelijk de onzekerheid die [minderjarige 1] ervaart over het kunnen blijven wonen in het huidige pleeggezin, de zorgen om en het gemis van zijn broertje en de kwestie rondom gezag. De Raad maakt zich ook veel zorgen om het systeem waar [minderjarige 1] deel van uitmaakt en waar veel conflicten in plaatsvinden en constateert dat de pleegouders en de voogden nog altijd moeizaam met elkaar kunnen samenwerken. De Raad vindt evenwel dat nog onvoldoende gewerkt is aan de doelen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, namelijk – zo begrijpt de rechtbank – inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] , inzet van hulpverlening voor de pleegouders bij de opvoeding van [minderjarige 1] en hulpverlening voor de voogden en pleegouders om hun relatie te verbeteren. Dat laatste omdat [minderjarige 1] nog steeds in een loyaliteitsconflict kan zitten en het gevoel kan hebben dat hij moet kiezen tussen de voogden en pleegouders. Ook als de voogden de voogdij over [minderjarige 1] niet meer zouden hebben, zijn zij volgens de Raad nog steeds de adoptieouders van [minderjarige 1] en blijven zij op die manier betrokken in zijn leven. Het is daarom van groot belang dat alle betrokkenen zich ervoor inzetten om de samenwerking te verbeteren in het belang van [minderjarige 1] , aldus de Raad.

De voogden stellen zich op het standpunt dat [minderjarige 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek, omdat de wet geen zelfstandige rechtsingang biedt aan een minderjarige voor het verzoek tot wijziging van de voogdij. De voogden zijn het eens met de conclusie van de Raad in het rapport. De voogden zullen zich blijven inzetten om in het beste belang van [minderjarige 1] beslissingen te nemen. Zodra zij menen dat [minderjarige 1] psychisch stabieler is en ook de gezinssituatie bij de pleegouders voldoende stabiliteit biedt, zijn zij bereid opnieuw te bezien wat op dat moment het beste voor [minderjarige 1] is.

De pleegouders hebben benadrukt dat [minderjarige 1] zich niet gehoord en gezien voelt door de conclusie van de Raad. Hij wordt hiermee ernstig te kort gedaan. In het rapport mist de realiteit over waarom [minderjarige 1] bij de voogden is weggegaan en bij de pleegouders is komen wonen. De pleegouders hebben elke dag te maken met de boosheid en de stress die het gevolg is van de betrokkenheid en de beslissingsbevoegdheid van de voogden. Hij wordt gedwongen tot contact met de voogden, terwijl hij dat niet wil. [minderjarige 1] houdt zich nog redelijk staande op school en in zijn sociale leven, maar het is veel voor hem dat hij vast zit, geen hulp krijgt en het gevoel houdt dat niemand naar hem luistert. De pleegouders hebben de verwachting dat de voogden in de weg zullen blijven staan aan de belangrijke beslissingen die moeten worden genomen of voor aanzienlijke vertraging zullen blijven zorgen. De situatie kan niet doorgaan zoals het nu is. De pleegouders proberen [minderjarige 1] al vier jaar te ondersteunen, maar dat lijkt onmogelijk te worden in deze situatie. [minderjarige 1] heeft geen toegang tot zorg terwijl hij behandeling nodig heeft. Ook de meer basale dingen, zoals vakanties en een beugel leveren nu problemen op.

5. Beoordeling

Omdat daarover, zo blijkt in de stukken, bij de verschillende betrokken personen en instanties verwarring blijkt te zijn, hecht de rechtbank eraan het volgende op te merken. [minderjarige 1] is in [geboorteland] geboren uit een moeder. Zij is nog steeds de juridische moeder van [minderjarige 1] . Onduidelijk is of de biologische vader van [minderjarige 1] ook de juridisch vader is van [minderjarige 1] . De voogden van [minderjarige 1] zijn door de rechter in [land] met de voogdij belast. Die uitspraak voldeed aan de voorwaarden om in Nederland te worden erkend. Dat is in de beslissing van 26 juni 2025 van deze rechtbank bevestigd en daarom oefenen de voogden de voogdij uit over [minderjarige 1] . Anders dan waar de Raad in haar onderzoeksrapport vanuit gaat, is géén sprake van adoptie van [minderjarige 1] door de voogden. De voogden zijn dan ook niet de (juridisch) ouders van [minderjarige 1] .

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen over de voogdij.

Bevoegdheid

De rechtbank zal eerst beoordelen of zij bevoegd is om naar aanleiding van de aanvraag van [minderjarige 1] ambtshalve over de voogdij te beslissen.

Vooropgesteld wordt dat de mogelijkheden voor een kind om de rechter te vragen een ambtshalve beslissing te nemen beperkt zijn. De wetgever heeft niet voorzien in een bepaling waarin is opgenomen dat een kind om de beëindiging van de voogdij van zijn voogd kan vragen. Wel voorziet artikel 1:251a lid 4 BW in een mogelijkheid voor een kind om, als zijn ouders gescheiden zijn, de rechter te vragen het gezag aan één van de ouders toe te kennen. Feitelijk betekent die beslissing de beëindiging van het gezag van de andere ouder. In die zin lijkt die beslissing op de beslissing die [minderjarige 1] vraagt.

De rechtbank ziet in de situatie van [minderjarige 1] aanleiding om artikel 1:251a lid 4 BW analoog toe te passen. Daarbij is het volgende van belang.

[minderjarige 1] is sinds zijn geboorte in [geboorteland] vaak van woonplek en van verzorger gewisseld. Uit de stukken blijkt dat hij in [land] , samen met zijn zus en broertje, gedeeltelijk bij hun vader, oma en daarna in kindertehuizen is opgegroeid. Voor zover bekend is zijn moeder overleden. De (biologische) vader vervult op dit moment geen actieve rol in het leven van [minderjarige 1] . De voogden zijn in [land] in augustus 2020 met de voogdij belast en zijn vervolgens in januari 2021 met [minderjarige 1] en zijn zus en broertje naar Nederland teruggekeerd. De voogden zijn vrij kort daarna, in november 2021, uit elkaar gegaan en vervolgens ook formeel gescheiden. [minderjarige 1] en zijn zus en broertje zijn bij de voogd gebleven. Bij de voogd ging het evenwel niet goed met [minderjarige 1] . Hij is daarom korte tijd in een familiehuis geplaatst en vervolgens in februari 2024 ondergebracht bij zijn huidige pleegouders. Het contact tussen [minderjarige 1] en de voogden is zeer beperkt. Met de voogdes is al lange tijd helemaal geen contact. Met de voogd is alleen contact in het kader van bezoeken van [minderjarige 1] aan zijn broertje en visa versa.

In het leven van [minderjarige 1] hebben in de afgelopen jaren aldus meermalen ingrijpende veranderingen plaatsgevonden, grotendeels als gevolg van beslissingen die de volwassenen om hem heen voor hem hebben genomen. Hij wil nu dat er een wijziging komt in de persoon die beslissingen over hem neemt. Een dergelijke wijziging kan een kind van gescheiden ouders, dat doorgaans bij zijn eigen ouders woont, op grond van artikel 1:251a lid 4 BW aan de rechter voorleggen. Dit terwijl die ouders een dergelijk verzoek ook zelf kunnen doen. [minderjarige 1] , die zonder zijn ouders en niet in het gezin van zijn voogden opgroeit, kan dit op grond van de wet niet. De personen die op dit moment vanuit het perspectief van [minderjarige 1] de rol van zijn ouders vervullen, namelijk zijn pleegouders, kunnen dit ook niet. Aan de voorwaarde bedoeld in artikel 1:336a BW is immers niet voldaan.

De wet voorziet in de situatie van [minderjarige 1] namelijk alleen in de mogelijkheid voor de voogden, de raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad om een wijziging in de persoon van de voogd te bewerkstelligen. Voor zover [minderjarige 1] familie heeft, bevinden zij zich in [land] en zijn zij niet betrokken bij [minderjarige 1] . De Raad voor de Kinderbescherming heeft medegedeeld geen verzoek te doen tot beëindiging van de voogdij. De voogden hebben ten aanzien van de voogdij een andere mening dan [minderjarige 1] en daarmee een tegenstrijdig belang. Dat laatste vormt weliswaar grond voor de benoeming voor een bijzondere curator, maar ook een bijzondere curator kan – namens [minderjarige 1] – het gewenste verzoek niet bij de rechtbank doen.

De rechtbank is onder deze specifieke omstandigheden, met name ook gelet op de uitzonderlijk kwetsbare en afhankelijke positie van [minderjarige 1] , van oordeel dat de rechten van [minderjarige 1] op bescherming van zijn privéleven en op toegang tot de rechter in de zin van artikelen 6, 8 en 13 EVRM worden geschaad, terwijl op grond van de artikelen 3, 6 en 12 en 20 IVRK juist de verplichting bestaat kinderen in een positie als die van [minderjarige 1] bijzondere bescherming te bieden.

Artikel 13 EVRM garandeert eenieder wiens rechten zijn geschonden het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie (‘effective remedy’). De wetgever kan weliswaar beperkende regels stellen aan het recht op toegang tot de rechter, maar de kern van het recht op toegang tot de rechter mag daarmee niet wordt aangetast. Het EHRM heeft in dat kader geoordeeld dat artikel 13 EVRM niet vereist dat een kind zelfstandig een gerechtelijke procedure kan starten en voeren; het is in het licht van deze bepaling voldoende dat een vertegenwoordiger dit namens het kind kan doen (EHRM 25 februari 1992, ECLI:CE:ECHR:1992:0225JUD001296387 (Andersson/Zweden). In de situatie van [minderjarige 1] levert de situatie dat zijn wettelijk vertegenwoordigers (de voogden) namens hem een verzoek kunnen doen hem in de praktijk evenwel geen toegang tot de rechter op, zodat van een ‘effective remedy’ in dit geval geen sprake is. Daarmee worden naar het oordeel van de rechtbank ook de [minderjarige 1] op grond van artikel 6 en 8 EVRM toekomende rechten geschaad.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om artikel 1:251a lid 4 BW analoog toe te passen in die zin dat de rechtbank ambtshalve zal toetsen of er grond is tot beëindiging van de voogdij die door de voogden wordt uitgeoefend.

Beëindiging van de voogdij

Grond tot beëindiging van de voogdij die door de voogden wordt uitgeoefend is er, gelet op het bepaalde in artikel 1:327 BW, alleen als:

een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de voogd het gezag misbruikt, of

niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie onder a. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en ten aanzien van de voogden is geoordeeld dat zij niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, om welke reden [minderjarige 1] onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst.

Ontwikkelingsbedreiging

De ontwikkelingsbedreiging vloeit onder meer voort uit het belaste verleden van [minderjarige 1] . Zoals genoemd heeft [minderjarige 1] een periode in een weeshuis in [land] verbleven waar hij traumatische ervaringen heeft opgedaan. Hij is vervolgens met zijn zus en broertje bij de voogden in Nederland gaan wonen, waar ze geconfronteerd werden met andere waarden en normen, een andere cultuur, het uiteengaan van de voogden en huiselijk geweld jegens hen. Daarna is de voogdes voor [minderjarige 1] uit beeld geraakt en zijn zowel [minderjarige 1] als zijn zus uit het huis van de voogd geplaatst, hetgeen ook tot gevolg heeft gehad dat de drie kinderen weinig contact met elkaar hebben. [minderjarige 1] heeft door dit alles ernstige trauma gerelateerde klachten. Bij [minderjarige 1] is sprake van een stagnatie in zijn ontwikkeling en er hebben zorgelijke incidenten plaatsgevonden. Het is van groot belang dat [minderjarige 1] op korte termijn specialistische en traumagerichte hulp ontvangt. Bovendien ervaart [minderjarige 1] al lange tijd veel stress en zorgen over het feit dat de voogden beslissingen over hem mogen nemen. De uitdrukkelijke toezegging van de voogden naar [minderjarige 1] dat hij bij zijn pleegouders mag blijven wonen heeft daarin geen verandering gebracht.

Dat [minderjarige 1] dringend hulp nodig heeft, is inmiddels al jaren duidelijk. De zorg voor [minderjarige 1] is de voogden kort nadat zij hem naar Nederland hebben gehaald boven het hoofd gegroeid en de zorgen rondom [minderjarige 1] zijn sindsdien alleen maar groter geworden. De voogden hebben ingezien dat [minderjarige 1] niet bij hen kan opgroeien en stemmen ermee in dat [minderjarige 1] bij de pleegouders blijft wonen. De voor [minderjarige 1] noodzakelijke hulp is evenwel nog altijd niet tot stand gekomen. Ook niet in het afgelopen jaar, waarin duidelijkheid bestond over de voogdij van de voogden en er een ondertoezichtstelling liep. Uit het rapport van de Raad is af te leiden dat sprake was van een slechte werkrelatie tussen JBW en de voogden en dat nog altijd sprake is van onenigheid tussen de voogden en de pleegouders. Aan wie die problemen ook te wijten zijn, het gevolg hiervan is dat, toen eindelijk een intakeprocedure was opgestart voor hulpverlening voor [minderjarige 1] , die intakeprocedure aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en vanuit de GGzE uiteindelijk de conclusie is getrokken “dat het stress-level van [minderjarige 1] te hoog is en er eerst meer stabiliteit en veiligheid (bijvoorbeeld ten aanzien van voogdij en toekomstperspectief ten aanzien van wonen) en minder stressfactoren in zijn leven dienen te zijn voordat het traject richting traumabehandeling in gang gezet kan worden.”

Aanvaardbare termijn

De rechtbank is, anders dan de Raad, van oordeel dat de voor [minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn, zoals bedoeld in artikel 1:327 onder a BW, is verstreken. Daarbij weegt mee dat [minderjarige 1] maar een beperkte tijd, drie jaar, bij de voogd is opgegroeid. De voogdes heeft nog veel korter een rol gespeeld in het leven van [minderjarige 1] . Inmiddels woont [minderjarige 1] al bijna een even lange periode bij de pleegouders en is duidelijk dat de [minderjarige 1] niet bij de voogden zal terugkeren.

[minderjarige 1] lijdt onder de situatie zoals deze nu is. Ten eerste omdat binnen het huidige systeem rondom [minderjarige 1] onvoldoende slagvaardig kan worden gehandeld. Dit is het gevolg van een veelheid van factoren. [minderjarige 1] woont al lange niet meer bij de voogden, er is geen vertrouwensrelatie meer tussen [minderjarige 1] en de voogden en tussen de voogden en de pleegouders spelen al jaren conflicten. Dat veroorzaakt onnodige vertraging bij gezagsbeslissingen en de uitvoering daarvan en maakt dat de voogden, de pleegouders en [minderjarige 1] voor de uitwisseling van informatie en afstemming van beslissingen rondom [minderjarige 1] vrijwel volledig afhankelijk zijn en blijven van de jeugdbescherming. De Raad vindt dat nog moet worden ingezet op de verbetering van de relatie tussen de pleegouders en de voogden en tussen [minderjarige 1] en de voogden. Die afweging van de Raad lijkt evenwel met name ingegeven vanuit de onjuiste veronderstelling van de Raad dat de voogden [minderjarige 1] hebben geadopteerd. Bovendien is er recent nog mediation ingezet tussen de voogden en de pleegouders, maar toen duidelijk werd dat [minderjarige 1] zich via de informele rechtsingang tot de rechtbank had gewend, hebben de voogden zich uit de mediation teruggetrokken. Ter zitting hebben zij medegedeeld niet opnieuw met de pleegouders in gesprek te willen. Er is dan ook geen verbetering van de situatie te verwachten.

[minderjarige 1] is bovendien 14 jaar en verdient en heeft recht op een stem in de beslissing wie zeggenschap over hem heeft. Hij vertelt al jaren consistent tegenover de verschillende betrokken instanties geen band te ervaren met de voogden. Vanuit de GGzE wordt genoemd dat de lijdensdruk die hiermee gepaard gaat zichtbaar is. Hij verzet zich tegen de rol die de voogden spelen in zijn leven. Zo geeft [minderjarige 1] geen toestemming aan de GGzE voor de aanwezigheid van de voogden bij gesprekken en wil hij niet dat informatie met hen wordt gedeeld. De weerstand van [minderjarige 1] tegen de betrokkenheid van zijn voogden is dusdanig dat dit aan behandeling van zijn trauma’s in de weg staat. Als gevolg van de stress, boosheid, onrust en onveiligheid die hij ervaart bij de beslissingsbevoegdheid van zijn voogden ontvangt [minderjarige 1] nu geen hulp.

De rechtbank is daarom van oordeel dat van [minderjarige 1] niet langer kan worden gevergd dat hij accepteert dat de voogdij van de voogden voortduurt. De rechtbank heeft begrip en waardering voor de wens van de voogden om betrokken te blijven in het leven van [minderjarige 1] en voor zijn welzijn te willen blijven waken. Belangrijker is nu evenwel dat [minderjarige 1] krijgt wat hij zo ontzettend hard nodig heeft, namelijk bestaanszekerheid, geruststelling, veiligheid en behandeling van zijn trauma’s. De rechtbank is ervan overtuigd dat dat alleen kan als de voogdij van de voogden wordt beëindigd. Daarom zal de rechtbank de voogdij van de voogden beëindigen.

Voorzien in de voogdij

De rechtbank zal JBB benoemen als voogd voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft de voorkeur uitgesproken dat de pleegouders de voogdij gaan uitoefenen. De situatie van [minderjarige 1] is echter dusdanig complex dat een professionele voogd, die vanuit kennis en ervaring beslissingen kan nemen over [minderjarige 1] , op dit moment meer in het belang is van [minderjarige 1] . Daarbij speelt mee dat er in het belang van [minderjarige 1] constructief overleg moet kunnen zijn met de [de voogd] (als voogd van [minderjarige 3]) over de omgang tussen [minderjarige 1] en zijn broertje. Ook de pleegouders geven de voorkeur aan het beleggen van de voogdij bij JBB. JBB heeft zich bovendien bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

Brief [minderjarige 1]

De rechtbank zal deze beslissing in een aparte brief als volgt aan [minderjarige 1] mededelen en uitleggen:

“Beste [minderjarige 1] ,

Wij hebben op 4 maart 2026 met elkaar gesproken via Teams. Ik heb jou toen beloofd dat ik met de volwassenen om jou heen zou gaan praten over jouw wens dat jouw pleegouders jouw voogden worden. Dat heb ik gedaan. Ik heb jou daarna nog een brief gestuurd en uitgelegd dat de Raad voor de Kinderbescherming (ik noem de Raad voor de Kinderbescherming hierna de Raad) nog bezig was met het onderzoek naar wat zij het beste vinden voor jou en dat ik zonder dat rapport nog geen beslissing kon nemen. Het onderzoek is nu wel klaar en daarover heb ik op 13 juli 2026 verder gesproken met jouw pleegouders, voogden en een medewerker van de Raad.

In het gesprek met jouw pleegouders, voogden en de Raad heb ik gezien dat zij zich allemaal zorgen om jou maken en het beste willen voor jou. Ze denken alleen verschillend over wat het beste voor jou is.

De Raad heeft uitgelegd dat zij niet hebben besloten om te vragen om beëindiging van de voogdij van [de voogd] en [de voogdes]. De Raad vindt dat de jeugdbeschermer eerst moet zorgen voor hulpverlening voor jouw trauma’s en om te proberen de relatie tussen jou en [de voogd] en [de voogdes] en de relatie tussen jouw pleegouders en [de voogd] en [de voogdes] te verbeteren.

[de voogd] en [de voogdes] hebben verteld dat zij het ermee eens zijn dat jij bij jouw pleegouders blijft wonen. Zij willen wel graag voogd blijven, omdat zij in de gaten willen houden dat het goed met jou gaat.

Jouw pleegouders hebben verteld dat het jou niet lukt te accepteren dat [de voogd] en [de voogdes] zeggenschap over jou hebben. Jij wil dat niet en je hebt het gevoel dat niemand naar je luistert. Ze hebben ook verteld dat zij zich er zorgen over maken dat je op deze manier niet de hulp krijgt die je nodig hebt.

Ik heb nagedacht over wat jij en alle volwassenen verteld hebben en daarna besloten de voogdij van jouw voogden te beëindigen en Jeugdbescherming Brabant als voogd te benoemen.

Dat doe ik omdat ik mij veel zorgen maak over jou. Je hebt heel veel meegemaakt in jouw leven en je hebt nu rust, veiligheid en hulp voor jouw trauma’s nodig. Ook vind ik meewegen dat jij maar een aantal jaren bij [de voogd] hebt gewoond en nu al bijna even lang bij jouw pleegouders woont. Daar zul je ook blijven wonen.

Er zijn nu veel volwassenen betrokken bij beslissingen die over jou moeten worden genomen en die volwassenen hebben geen goede samenwerking met elkaar. Dat maakt het lastiger om goed en snel de beslissingen te nemen die jij nodig hebt.

Jij wil bovendien niet dat de voogden zeggenschap over jou hebben en je hebt er veel last van dat dat nu wel zo is. Daardoor kun je nu niet starten met de behandeling voor jouw trauma’s.

Ik waardeer het dat [de voogdes] en [de voogd] hun best voor jou willen blijven doen, maar ik vind het nu belangrijker dat jij krijgt wat jij nodig hebt en ik denk dat dat alleen kan als de voogdij van [de voogdes] en [de voogd] beëindigd wordt.

Jij wil het liefst dat jouw pleegouders jouw voogden worden en anders Jeugdbescherming Brabant. Ik denk dat het beter is dat Jeugdbescherming Brabant jouw voogd wordt. Zij hebben veel kennis en ervaring, waarmee ze jou goed kunnen helpen. Ze zullen altijd overleggen met jouw pleegouders over beslissingen. Ze kunnen ook contact houden met [de voogd] om af te spreken wanneer jij jouw broertje kunt zien.

Ik hoop dat je met deze beslissing wel gehoord voelt en de rust en duidelijkheid krijgt die je nodig hebt. Ik hoop ook dat je nu toe kan komen aan de behandeling van jouw trauma’s. Ik wens je alle goeds voor de toekomst en nu eerst een hele fijne vakantie.

Met vriendelijke groet,

de kinderrechter.”

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt de voogdij van [de voogd] en [de voogdes], over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ;

benoemt tot voogd over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] : Stichting Jeugdbescherming Brabant;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.J.W. Straatsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand