Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707081 / KG ZA 26-646
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. L.Y. Cheung te Rotterdam,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M. Jonkvader te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties.
[de minderjarige] heeft schriftelijk haar mening gegeven.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de
ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] . De vader
heeft [de minderjarige] erkend en de moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
De vader en de moeder hebben in het verleden een omgangsregeling afgesproken waarbij [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen het weekend bij de vader verblijft, van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur en eenmaal per veertien dagen op woensdag na schooltijd bij de vader verblijft tot 17.00 uur, in de week aansluitend aan het weekend waarin [de minderjarige] bij de moeder verblijft.
Op 13 april 2026 heeft de vader een bodemprocedure gestart waarin hij – samengevat – verzoekt om gezamenlijk gezag en vaststelling van een zorg/omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] .
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven en een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad –:
gedaagde te veroordelen de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling onmiddellijk na te komen, inhoudende dat [de minderjarige] :
eenmaal per veertien dagen het weekend bij eiser verblijft, van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur;
eenmaal per veertien dagen op woensdag na schooltijd bij eiser verblijft tot 17.00 uur, in de week aan het weekend waarin [de minderjarige] bij gedaagde verblijft;
Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat er geen sprake is van een overeengekomen omgangsregeling, dan om in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige] :
eenmaal per veertien dagen het weekend bij eiser verblijft, van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur;
eenmaal per veertien dagen op woensdag na schooltijd bij eiser verblijft tot 17.00 uur, in de week aan het weekend waarin [de minderjarige] bij gedaagde verblijft;
gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- per overtreding, dan wel per dag of gedeelte van een dag dat de overtredíng voortduurt, met een maximum van € 5.000,-;
in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure een voorlopige vakantieregeling vast te stellen inhoudende dat [de minderjarige] de navolgende schoolvakanties bij eiser verblijft:
zomervakantie 2026: de eerste, derde en vijfde week van de zomervakantie;
herfstvakantie 2026: de eerste helft van de herfstvakantie;
kerstvakantie 2026: de tweede week van de kerstvakantie.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan.
In november 2016 is de relatie tussen de ouders geëindigd. Sinds [de minderjarige] leerplichtig is geven partijen uitvoering aan een regeling waarbij zij eenmaal per veertien dagen bij de vader is van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, alsmede eenmaal per veertien dagen op woensdag. Per 1 juli 2025 is hier verandering in gekomen. Ouders hebben een discussie gehad over het gebruik van zonnebrandcrème voor [de minderjarige] . De moeder heeft toen het contact tussen de vader en [de minderjarige] voor enkele weken eenzijdig stopgezet. Op 7 april 2026 is de omgang wederom stopgezet. Volgens de moeder zou de vader [de minderjarige] aan haar haren hebben getrokken. De vader betwist dat dit incident heeft plaatsgevonden: de moeder heeft niet aangegeven op welke datum dit zou zijn gebeurd, er zijn geen meldingen van gedaan, er is geen hulpverlening betrokken, er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden en het vermeende incident is pas later door de moeder kenbaar gemaakt. Bovendien heeft de moeder [de minderjarige] nog aan de zorg van de vader toevertrouwd in de voorjaarsvakantie 2026, omdat zij zelf met vakantie ging. De vader wil graag de omgangsregeling zoals deze voorheen werd uitgevoerd schriftelijk laten vastleggen. Ook wenst hij dat er een vakantieregeling wordt bepaald. De vader vordert ook een dwangsom te verbinden aan de nakoming door de moeder omdat hij vreest dat de moeder, als er geen effectief executiemiddel wordt toegepast, niet zal overgaan tot nakoming.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven –
een bijzondere curator te benoemen voor [de minderjarige] ;
een (opbouwende) voorlopige contactregeling te gelasten waarbij [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
tweemaal per week telefonisch of beeldbelcontact van maximaal 15 minuten, op vaste momenten en eenmaal per week een fysiek contactmoment per week van maximaal vier uur, zonder overnachting, op een rustige en voor [de minderjarige] overzichtelijke vaderier;
vervolgens tweemaal per week telefonisch of beeldbelcontact van maximaal 15 minuten, op vaste momenten en eenmaal een fysiek contactmoment per week van maximaal acht uur, zonder overnachting, op een rustige en voor [de minderjarige] overzichtelijke vaderier;
te gelasten dat de contactmomenten van [de minderjarige] aan de navolgende voorwaarden dienen te voldoen:
partijen communiceren over [de minderjarige] via één vast schriftelijk kanaal, behalve bij spoed;
[de minderjarige] wordt niet belast met boodschappen, wijzigingen of verwijten tussen ouders;
partijen laten zich tegenover [de minderjarige] niet negatief uit over de andere ouder;
juridische procedures, verwijten, medische discussies en volwassen veiligheidszorgen worden niet met Danisha besproken;
de vader volgt de door de moeder schriftelijk verstrekte medische, hygiënische en verzorgingsinstructies op, voor zover die verband houden met de gezondheid en dagelijkse verzorging van [de minderjarige] ;
[de minderjarige] wordt niet zelf verantwoordelijk gemaakt voor het gebruiken, verwijderen, weggooien of retourneren van meegegeven verzorgingsproducten;
partijen spannen zich in om het contact rustig op te bouwen, zo nodig met passende begeleiding.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft in april 2026 besloten om het contact tussen de vader en [de minderjarige] tijdelijk op te schorten nadat [de minderjarige] overstuur thuis kwam met de mededeling dat de vader aan haar haren had getrokken en haar had geschopt. De contactmomenten verliepen al langere tijd stroef. Inmiddels ervaart [de minderjarige] spanning bij het vooruitzicht om naar de vader te gaan vanwege het gedrag van de vader naar haar toe. De reden van het opschorten is voor de moeder gelegen in een opstapeling van feiten en omstandigheden. Zo is er sinds juli 2025 tussen de ouders een aanzienlijke discussie over de verzorging van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft een auto-immuunziekte waardoor zij met regelmaat last heeft van blaren, erosies, pijnlijke wonden en ontstekingen op de slijmvliezen van de mond, ogen, neus en geslachtsdelen. De vader weigert volgens de moeder de instructies van de artsen op te volgen over het gebruik van de meegegeven crèmes, zalven en lotions. [de minderjarige] heeft haar verteld dat de vader haar heeft gevraagd om samen met hem de inhoud uit tubes, potjes of flacons te verwijderen en weg te gooien, waarna de verpakkingen aan de moeder werden teruggegeven. Ook zou de vader haar filmpjes hebben laten zien over kinderlokking en gevaar, wat bij haar angst en spanning heeft veroorzaakt. Vaak, als zij thuiskomt van de vader, moet het appartement gecontroleerd worden op enge mensen en zij is inmiddels bang om de lift te gebruiken omdat de vader hierover iets gezegd zou hebben, aldus de moeder. De communicatie tussen partijen is volgens de moeder al jaren slecht; de vader beschuldigt haar van een gijzelactie, ouderverstoting, chantage en vrijheidsberoving.
De moeder vindt dat er wel contact moet zijn tussen de vader en [de minderjarige] , maar stelt daar een aantal voorwaarden aan. Zo moet de vader de door de artsen voorgeschreven medische verzorging en hygiëne naleven. De vader heeft sinds april 2026 enkele keren telefonisch contact gehad met [de minderjarige] en heeft haar op 26 mei 2026 weer bij zich gehad, voor 1,5 uur. Daarna zijn er nog twee contactmomenten geweest die iets langer duurden.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Omgangsregeling
De voorzieningenrechter moet in deze voorlopige voorzieningenprocedure op basis van de stukken en dat wat er op de zitting besproken is, beoordelen of hervatting van de omgangsregeling in het in het belang is van [de minderjarige] en zo ja, op welke wijze. Zij overweegt en oordeelt als volgt.
Vanuit [de minderjarige] zijn er signalen gekomen dat zij de omgangsmomenten niet altijd fijn gevonden heeft. De vader betwist uitdrukkelijk wat de moeder hierover gesteld heeft, maar de voorzieningenrechter kan niet zonder meer voorbij gaan aan de signalen van [de minderjarige] . Ook is duidelijk dat er grote spanningen zijn tussen de ouders. Daarnaast zitten zij niet op één lijn als het gaat om de (medische) verzorging van [de minderjarige] . Dit gaat met name over de behandeling van de klachten die [de minderjarige] ondervindt ten gevolge van haar auto-immunziekte. Volgens de moeder weigert de vader de instructies van de artsen op te volgen omtrent de meegegeven crèmes, zalven en lotions. De vader heeft dit op de zitting betwist. Volgens hem heeft hij zich wel gehouden aan de instructies van de artsen. De voorzieningenrechter vindt dit lastig te rijmen met de inhoud van de brief die hij in juli 2025 aan de moeder schreef. In deze brief neemt de vader scherp stelling tegen de wetenschap, artsen en het gebruik van crèmes en smeerseltjes. In die brief schrijft hij onder meer: ‘In mijn ogen is ‘wetenschap’ niet meer dan het reclamebord van belangengroepen – zeker als het om gezondheid en medicijnen gaat. (…) Alles – van medische opleidingen tot het voorschrijven van medicijnen – is onderdeel van een gecontroleerd verkoopproces. Dokters zijn onbewust de uitvoerende tak van dit systeem (…) ik neem niet iets zomaar voor waar aan omdat een arts het zegt of wat op een etiket staat. (…) Het gevaar van smeerseltjes is OPSTAPELING van toxische stoffen in het lichaam en zal altijd zo blijven (…)’. De vader heeft echter op de zitting toegezegd dat hij in de toekomst de crèmes en middelen zal toedienen die de artsen aan [de minderjarige] hebben voorgeschreven en de voorzieningenrechter gaat er van uit dat hij dat ook zal doen.
Ondanks de hiervoor vermelde perikelen is er voorshands niet gebleken van contra-indicaties die aan hervatting van de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] in de weg staan. In de signalen die [de minderjarige] heeft afgegeven ziet de voorzieningenrechter echter wel aanleiding om te bepalen dat er in stappen moet worden toegewerkt naar de regeling die de ouders in het verleden hebben afgesproken. De voorzieningenrechter zal de door de moeder gestelde opbouwregeling in grote lijnen volgen, met dien verstande dat [de minderjarige] met ingang week 31 (de week die begint op maandag 27 juli 2026) tweemaal per week op vaste momenten een telefonisch of beeldbelcontact heeft met de vader, en daarnaast eenmaal per week een fysiek contactmoment van vier uur. Met ingang van week 35 (de week die begint op maandag 24 augustus 2026) zal [de minderjarige] tweemaal per week op vaste momenten telefonisch of beeldbelcontact hebben met de vader, en daarnaast eenmaal per week een fysiek contactmoment van maximaal acht uur. Ten aanzien van het (beeld)bellen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit in tijd te limiteren. Indien de moeder tijdens de zomervakantie met [de minderjarige] op vakantie gaat en dus niet thuis is, dan vervallen de fysieke contactmomenten met de vader in de betreffende week, met dien verstande dat er niet meer dan twee fysieke contactmomenten kunnen komen te vervallen. Daarnaast heeft te gelden dat een eventuele vakantie van de moeder met [de minderjarige] geen vertraging teweeg brengt in voormelde opbouw. Dit betekent dat als de moeder bijvoorbeeld ergens tussen week 31 en week 35 met [de minderjarige] op vakantie gaat en er dus één of twee fysieke contactmomenten wegvallen, de voormelde regeling van eenmaal per week 8 uur fysiek contact desalniettemin ingaat vanaf week 35. Vanaf week 40 (de week die begint op maandag 28 september 2026) zal de eerder afgesproken regeling (eenmaal per twee weken in het weekend en eenmaal per twee weken op woensdag) weer hervat worden. Uit dit oordeel volgt dat er geen vakantie- regeling wordt bepaald voor de zomervakantie 2026. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om de door de moeder voorgestelde voorwaarden te verbinden aan het contact tussen de vader en [de minderjarige] . Dit neemt niet weg dat het de vader, zoals hij ook op de zitting heeft toegezegd, de crèmes en middelen zal moeten toedienen die de artsen aan [de minderjarige] hebben voorgeschreven.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.
Bijzondere curator
Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als - in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige - de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige.
De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De voorzieningenrechter vindt het, gelet op de signalen die [de minderjarige] heeft afgegeven, in haar belang dat zij vrijuit kan praten met een professionele derde over hoe zij de situatie ervaart en wat haar wensen zijn ten aanzien van het contact met de vader. De bijzondere curator kan ook in gesprek gaan met de ouders en [de minderjarige] om te onderzoeken welke zorgregeling, met name gelet ook op de huidige situatie waarin de ouders moeizaam met elkaar communiceren, het meest in het belang van [de minderjarige] is. Van daaruit kan – in de bodemprocedure – bekeken worden welke definitieve zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is.
De griffier van de rechtbank heeft contact opgenomen met mevrouw drs. A. van Teijlingen en de onderzoeksopdracht uitgelegd zoals hiervoor aangegeven. Zij heeft aangegeven dat zij zich daarvoor wil inzetten en daarvoor ruimte heeft vanaf september 2026.
Mevrouw drs. A. van Teijlingen zal daarom als bijzondere curator worden benoemd. De voorzieningenrechter verzoekt de bijzondere curator om de situatie en de belangen van [de minderjarige] in kaart te brengen en de rechtbank (in de bodemprocedure) te adviseren over een zorgregeling die in het belang is van [de minderjarige] . Het staat de bijzondere curator vrij om te proberen tot een door alle betrokkenen gedragen oplossing te komen. Het staat de bijzondere curator ook vrij om, als zij dit nodig acht (met instemming van de ouders), bij derden nadere informatie op te vragen over [de minderjarige] om een zo volledig en compleet mogelijk beeld te krijgen van de situatie en de betrokken belangen. Daarnaast kan de bijzondere curator aangeven wat zij verder nog van belang vindt om te delen ten aanzien van [de minderjarige] .
Van de ouders wordt verwacht dat zij volledige medewerking verlenen aan het onderzoek van de bijzondere curator en haar op eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en reageren op uitnodigingen om met haar in gesprek te gaan. Op hen rust de verplichting om gevolg te geven aan de instructies van de bijzondere curator, die zij hen geeft om haar taak te kunnen uitvoeren.
De voorzieningenrechter verzoekt de advocaten van de ouders het telefoonnummer en het e-mailadres van de ouders zo spoedig mogelijk naar de bijzondere curator te sturen (naar het in het dictum opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek.
De bijzondere curator is beschikbaar voor [de minderjarige] vanaf september 2026. Van haar bevindingen dient de bijzondere curator uiterlijk op 15 oktober 2026, of zoveel eerder als mogelijk, schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en aan de ouders, waarop de ouders binnen twee weken kunnen reageren. De voorzieningenrechter verzoekt de bijzondere curator om het verslag in te dienen in de bodemprocedure, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/703588 en FA RK 26-3894.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
bepaalt de volgende voorlopige contact- en omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :
[de minderjarige] zal met ingang week 31 (de week die begint op maandag 27 juli 2026) tweemaal per week op vaste momenten een telefonisch of beeldbelcontact hebben met de vader, en daarnaast eenmaal per week een fysiek contactmoment van vier uur;
Met ingang van week 35 (de week die begint op maandag 24 augustus 2026) zal [de minderjarige] tweemaal per week op vaste momenten telefonisch of beeldbelcontact hebben met de vader, en daarnaast eenmaal per week een fysiek contactmoment van maximaal acht uur;
Vanaf week 40 (de week die begint op maandag 28 september 2026) zal [de minderjarige] bij de vader zijn:
eenmaal per veertien dagen tijdens het weekend, van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur;
eenmaal per veertien dagen op woensdag na schooltijd tot 17.00 uur, in de week aan het weekend waarin [de minderjarige] bij de moeder is;
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] :
mevrouw drs. A. van Teijlingen, Mediation voor Jou, kantoorhoudende te Sassenheim aan de H. Knoopstraat 1 (2171 PW), telefoonnummer: [telefoonnummer] , e-mailadres: [e-mailadres] ;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
bepaalt dat de advocaten van de ouders of de ouders zelf zo spoedig mogelijk de contactgegevens van de ouders en – waar mogelijk – de contactgegevens van [de minderjarige] aan de bijzondere curator zullen e-mailen;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk op 15 oktober 2026 schriftelijk verslag dient te doen in de bodemprocedure, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/703588 en FA RK 26-3894, aan de rechtbank en aan de ouders;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, als zij dat willen, schriftelijk kunnen reageren op het verslag. Deze reactie dient aan de rechtbank (onder vermelding van zaak- en rekestnummer C/09/703588 en FA RK 26-3894), aan de bijzondere curator en aan de andere ouder te worden toegezonden;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het over en weer meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Olland en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2027.
M.M.