Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Beschikking op het op 13 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[minderjarige],
hierna te noemen: [minderjarige],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
vertegenwoordigd door:
mr. M.N.G.N.H. Brech, advocaat kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over voornoemde minderjarige, hierna te noemen: de bijzondere curator.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
en
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
Na een aanvraag van [minderjarige] op grond van de informele rechtsingang heeft de rechtbank bij beschikking van 12 maart 2026 een bijzondere curator voor [minderjarige] benoemd.
Op 13 mei 2025 heeft de rechtbank het verzoekschrift van de bijzondere curator ontvangen.
Op 10 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De man is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.
Feiten
- [minderjarige] is op [geboortedatum 1] 2008 geboren uit de moeder.
- De moeder is nooit gehuwd geweest en [minderjarige] is niet erkend
- De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige].
- De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
- De man heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 12 maart 2026 is mr. M.N.G.N.H. Brech voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
Verzoek en verweer
De bijzondere curator verzoekt:
een DNA-onderzoek te gelasten door een deskundige, ter beantwoording van de vraag of [minderjarige] het biologische kind is van de man;
de man te veroordelen om binnen vier weken na het wijzen van deze beschikking alle vereiste medewerking te verlenen aan het voornoemde DNA-onderzoek, op straffe van een aan [minderjarige] te betalen dwangsom van € 500,00 voor elke dag, na die vier weken, dat hij niet meewerkt aan dergelijk onderzoek met een maximum van € 10.000,00;
de man te veroordelen in de kosten van het voornoemde DNA-onderzoek;
indien uit voornoemd DNA-onderzoek blijkt dat [minderjarige] het biologische kind is van de man, het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen;
op te nemen in de beschikking dat [minderjarige] na gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, de geslachtsnaam van de man zal hebben;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [minderjarige] in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt krachtens artikel 10:97 BW bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
De moeder en de man hebben geen gemeenschappelijke nationaliteit. De moeder en de man hebben wel beiden de gewone verblijfplaats in Nederland. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW kan het ouderschap van een persoon door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind. Voor een kind is aan een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap geen termijn verbonden. Omdat [minderjarige] stelt dat hij het kind van de man is, is hij ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De bijzondere curator vindt het van belang voor [minderjarige] dat hij zekerheid krijgt over wie zijn
verwekker is en, als de man dat is, het vaderschap van de man gerechtelijk wordt
vastgesteld. De bijzondere curator heeft geprobeerd om met de man in gesprek te gaan, maar de man heeft het ingeplande gesprek afgezegd en zich daarna onbereikbaar gehouden. De man is wel op de hoogte van de wens van [minderjarige] omdat deze in de uitnodiging voor het gesprek met de bijzondere curator staat en de man de in deze brief aangekondigde afspraak kort tevoren heeft afgebeld. Kennelijk wenst de man, zo stelt de bijzondere curator, niet mee te werken aan een DNA-test en evenmin aan erkenning van [minderjarige] of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De bijzondere curator meent dat uit de verhalen van [minderjarige] en zijn moeder voldoende aannemelijk is geworden dat de man de verwekker van [minderjarige] kan zijn. De man heeft de kans gehad om zijn visie te vertellen en deze verhalen te weerleggen, maar heeft ervoor gekozen om daar niet op in te gaan.
De rechtbank stelt voorop dat in procedures omtrent de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap het bewijs ten aanzien van het verwekkerschap een belangrijke rol speelt. Een DNA-onderzoek is niet verplicht om vast te stellen dat de man de verwekker is van het kind. Ook uit andere feiten kan de rechter afleiden dat de man de verwekker is. De rechter kan een DNA-onderzoek gelasten als aannemelijk is op grond van de feiten dat de man de verwekker kan zijn.
De rechtbank neemt in aanmerking dat foto’s zijn overgelegd van de man en de moeder uit de tijd dat zij nog een affectieve en seksuele relatie hadden. De broer van [minderjarige] staat ook op een deel van deze foto’s. [minderjarige] staat niet op de foto’s. De moeder heeft toegelicht dat de man is vertrokken toen zij zwanger was van [minderjarige]. Volgens de moeder lijken [minderjarige] en de vader op elkaar. Zij twijfelt er niet aan dat de man de vader van [minderjarige] is. Ook zijn bankpapieren van de man overgelegd die de moeder nog had en een aankoopbewijs van een visum, waar de naam van de man en zijn handtekening op staat. De visie van de man is niet bekend. Hij is, hoewel uitgenodigd en deugdelijk opgeroepen, niet op gesprek gegaan bij de bijzondere curator en niet op de zitting verschenen.
De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] aldus voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man de verwekker van [minderjarige] kan zijn. De man is tot op heden onbereikbaar gebleven voor de bijzondere curator en heeft tot op heden niet meegewerkt aan een DNA-onderzoek. [minderjarige] heeft aangegeven graag duidelijkheid te willen over zijn afstamming. Hij wenst te achterhalen of de man zijn biologische vader is. De rechtbank zal een DNA-onderzoek bevelen, nu zij dit het meest gerede middel vindt voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij weet wie zijn vader is en ook bestaat in beginsel een medisch en juridisch belang bij kennis van afstamming. [minderjarige] heeft het recht om te weten wie zijn vader is en van wij hij afstamt. Het belang van [minderjarige] dient in dit geval te prevaleren boven het recht van de man om zelf te bepalen of hij DNA-materiaal afstaat.
De rechtbank zal Verilabs B.V. als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te verrichten. Partijen dienen voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact op te nemen met deze deskundige. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen, kan de uitslag van het DNA-onderzoek van belang zijn. De man dient er rekening mee te houden dat hij bij de eindbeslissing, zoals verzocht door [minderjarige], in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld.
Uit het rapport van Verilabs B.V. dient tevens dient te blijken dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
Dwangsom
Omdat de man zich onbereikbaar heeft gehouden voor de bijzondere curator, niet is verschenen op de zitting en geen verweer heeft gevoerd gaat de rechtbank ervan uit de man niet vrijwillig over zal gaan tot medewerking aan het verwantschapsonderzoek. Daarom zal de rechtbank een dwangsom verbinden aan de medewerking van de man.
Het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming is immers een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Tegenover het fundamentele recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. In dit verband geldt als uitgangspunt dat het recht van een kind om te weten van wie het afstamt, prevaleert boven het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden dan wel om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Slechts indien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan dat anders zijn (Vgl. Hoge Raad 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337 en Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349). De man heeft zich niet gemeld in de procedure en geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank aan kan nemen dat het belang van de man in dit specifieke geval anders moet worden gewaardeerd.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de man, binnen vier weken na datum van deze beschikking, DNA moet hebben afgestaan aan een deskundige verbonden aan Verilabs ten behoeve van het verwantschapsonderzoek. Als de man binnen deze periode geen DNA-materiaal heeft afgestaan aan de betrokken deskundige werkzaam bij Verilabs en niet volledig aan de door deze organisatie bepaalde werkwijze heeft meegewerkt, verbeurt hij aan [minderjarige] een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag, dat hij in gebreke blijft om hieraan zijn medewerking te verlenen tot een maximum van € 10.000, -.
Verdere verloop
De rechtbank zal de behandeling van het verzoek en alle verdere beslissingen pro forma aanhouden tot 1 november 2026 in afwachting van het rapport van het DNA-onderzoek. De rechtbank verzoekt partijen zich voor de pro formadatum uit te laten over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure.
Indien de man, ondanks de dwangsom, geen medewerking verleent aan het DNA-onderzoek zal de rechtbank daaraan de conclusie verbinden die zij geraden acht.
Beslissing
De rechtbank:
*
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. de man: [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1975 waarvan de geboorteplaats onbekend is in [geboorteland], en
2. de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats],
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
*
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:
een deskundige, verbonden aan Verilabs Nederland B.V. correspondentieadres: Oxfordlaan 70, 6229 EV Maastricht, (telefoonnummer 085-105 1415);
*
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
*
bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas;
*
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek uiterlijk op 21 oktober 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
*
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
*
veroordeelt de man, [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1975 waarvan de geboorteplaats onbekend is in [geboorteland], om binnen vier weken na datum van deze beschikking, mee te werken aan een onderzoek van zijn DNA, door een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V. zoals is bepaald in deze beschikking van deze rechtbank, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 10.000, -;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling ouderschap, wijziging van de geslachtsnaam, de uitvoerbaar bij voorraad verklaring, het ontslag van de bijzondere curator en de kosten van het deskundigenonderzoek aan tot 1 november 2026 pro forma.