RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/706336 / JE RK 26-963
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland,
Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026;
de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2026;
de door de gecertificeerde instelling ter zitting overgelegde geboorteakte van [de minderjarige] .
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
Voor zover de kinderrechter uit de stukken kan opmaken, verblijft [de minderjarige] met de ouders in [plaats] , Spanje.
De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 13 april 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 13 juli 2026.
3. Het verzoek
De Raad stelt zich allereerst op het standpunt dat de rechtbank absoluut bevoegd is om op het verzoek te beslissen. De Raad heeft aangevoerd dat er veel onduidelijkheid bestaat over de verblijfplaats van [de minderjarige] en de ouders. De ouders hebben gedurende het onderzoek onvoldoende openheid gegeven van zaken en uit de informatie van de informaten blijkt telkens een ander verhaal rondom de verblijfplek van de ouders en [de minderjarige] . De Raad stelt zich op het standpunt dat [de minderjarige] zich vanwege haar jonge leeftijd nog niet heeft kunnen hechten aan één bepaalde plek en dat er sprake is van weinig tot geen continuïteit in het verblijf van [de minderjarige] . Daar komt bij dat [de minderjarige] samen met de moeder in maart 2026 is afgereisd naar Nederland. De bedoeling van deze reis is tot op heden onduidelijk en het is lange tijd onduidelijk geweest of (en wanneer) de ouders naar Spanje zijn gegaan en voor hoe lang zij in Nederland hebben verbleven. Er zijn geen stukken van inschrijvingen (in een Spaanse gemeente) overgelegd door de ouders en de ouders zijn ook niet op de door de doorgegeven adressen in Spanje aangetroffen door de Centrale Autoriteit. De Raad heeft daarom geen verblijfplaats van [de minderjarige] en de ouders kunnen vaststellen en de bedoeling om zich in Spanje te vestigen is ook niet duidelijk. De vader heeft in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en hij zou zijn werk in Nederland hebben. Ook zijn de ouders op [datum] 2025 in Nederland gehuwd. De Raad weet niet of de plannen om zich te vestigen in Nederland voldoende bestendig zijn. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, meent de Raad dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is gelegen, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is het verzoek te beoordelen.
Verzoek tot ondertoezichtstelling
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad heeft grote zorgen over de ontwikkeling en opvoedomgeving van [de minderjarige] . [de minderjarige] is pas een paar maanden oud en er is geen zicht op haar ontwikkeling en opvoedomgeving. Eind maart 2026 is [de minderjarige] in een zorgelijke situatie aangetroffen, waarna een voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken. [de minderjarige] is toentertijd getuige geweest van een ruzie tussen de ouders, waarbij de ouders onvoldoende oog hadden voor [de minderjarige] . Op dit moment bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de verblijfplaats van [de minderjarige] en de ouders. De ouders zouden met [de minderjarige] naar Spanje zijn vertrokken. De Raad heeft [de minderjarige] gedurende het onderzoek niet gezien en er is geen zicht op hoe het met [de minderjarige] gaat. De ouders willen geen contact met de Raad en geen verdere bemoeienis van de Nederlandse autoriteiten. Ook is er geen zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders en of zij in staat zijn om [de minderjarige] de veiligheid en stabiliteit te bieden die zij nodig heeft. Er is ook nog onvoldoende zicht op het netwerk en in wat zij kunnen betekenen voor de ouders en [de minderjarige] . Het vrijwillig kader is momenteel ontoereikend, nu de ouders geen bemoeienis wensen en niet (meer) in contact zijn. Ook heeft de gecertificeerde instelling, ondanks alle inspanningen, onvoldoende zicht kunnen verkrijgen op de ontwikkeling en opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de ouders. De Raad acht het van belang dat de jeugdbeschermer de komende maanden betrokken blijft om zicht te krijgen op de verblijfplaats en de gehele situatie van [de minderjarige] . De komende maanden kunnen ook worden gebruikt om het onderzoek van de Centrale Autoriteit af te wachten en daarna kan de jeugdbeschermer een overdracht doen naar de Spaanse hulpverlening zodat zij verder zicht kunnen krijgen op [de minderjarige] en om te bezien of er voor haar of ouders hulpverlening nodig is.
4. De standpunten
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat de ouders uitdrukkelijk hebben aangegeven in [plaats] , Spanje te wonen. Ze hebben op 12 mei 2026 een adres doorgegeven in [plaats] . Ze hebben ook aangegeven voornemens te zijn om in Spanje te blijven, zich hier te willen vestigen en niet terug te willen keren naar Nederland. Ze weigeren documenten van bewijs van inschrijving aan te leveren. Onduidelijk is of de ouders in Spanje werk en/of inkomsten hebben. Op 3 juni 2026 is er contact geweest met de moeder en toen heeft zij aangegeven in contact te zijn met de sociale dienst in Spanje. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting een document overgelegd dat de geboorteakte van [de minderjarige] bleek te zijn.
5. De beoordeling
Nu uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] met de ouders in Spanje verblijft, heeft deze zaak een internationaal aspect. De kinderrechter dient daarom te bepalen of zij internationaal bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dat het geval is, dient het toepasselijke recht te worden bepaald.
Op grond van artikel 7 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, in dit geval op 2 juni 2026. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid valt onder meer de ondertoezichtstelling van een minderjarige. Volgens vaste rechtspraak moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan de voorliggende zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De kinderrechter is van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoek tot ondertoezichtstelling niet in Nederland is gelegen. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
Op het moment dat het verzoek aanhangig is gemaakt, 2 juni 2026, was [de minderjarige] vier maanden oud. De moeder was op dat moment ingeschreven in Nederland, maar duidelijk is dat de moeder hier niet verbleef en de vader stond in het BRP geregistreerd als geëmigreerd. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat [de minderjarige] en de ouders toen al in [plaats] , Spanje verbleven. De ouders hebben een adres in Spanje doorgegeven aan de gecertificeerde instelling en uit het door de gecertificeerde instelling overgelegde stuk blijkt dat [de minderjarige] is geboren in een ziekenhuis in Spanje. Daarnaast blijkt uit het contact dat de moeder op 3 juni 2026 heeft gehad met de gecertificeerde instelling, dat de ouders in Spanje in contact zijn met de sociale dienst aldaar. De ouders hebben laten weten aan de gecertificeerde instelling dat zij nog altijd in Spanje verblijven en voornemens zijn om zich daar voor langere tijd te vestigen. Er zijn geen aanknopingspunten dat de gewone verblijfplaats in Nederland is gelegen dan wel dat Nederland een bestendige plek is voor [de minderjarige] en de ouders. Dat [de minderjarige] en de ouders in maart 2026 enige tijd in Nederland hebben verbleven, maakt niet dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland is gelegen.
De kinderrechter komt gelet op het bovenstaande tot de conclusie dat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. Daarmee komt de kinderrechter ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verklaart zich absoluut onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 19 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.