RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/708125 / JE RK 26-1136
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de vader wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter met de toestemming van [minderjarige 1] samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezige jeugdbeschermer heeft daarop kunnen reageren.
2. De feiten
[minderjarige 1] is erkend door de vader.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 20 november 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
Voor de moeder is in het afgelopen jaar een WMO-begeleider en psycho-educatie vanuit Middin ingezet, zodat de moeder [minderjarige 1] beter kan begrijpen en aansluiten bij haar ontwikkeling. Door Middin is geprobeerd de druk op [minderjarige 1] te verlagen om voor haar zusje [minderjarige 2] , die een licht verstandelijke beperking heeft, te zorgen op de momenten dat zij bij de moeder is, en haar meer ruimte te geven voor leeftijdsadequaat gedrag en contact met vriendinnen. Aan de moeder zijn handvatten gegeven hoe zij duidelijk en consequent kan zijn in het stellen van grenzen en het benoemen van afspraken, om zo meer voorspelbaarheid binnen het gezin te realiseren. De opvoedondersteuning vanuit Middin is uiteindelijk gestopt, omdat [minderjarige 1] geen hulpvragen meer had. Ook de moeder heeft geen hulpvragen meer en zij geeft aan dat het goed gaat in de thuissituatie. [minderjarige 1] ervaart nu meer rust in huis. Daarnaast is door de gecertificeerde instelling in contact geweest met school en leerplichtambtenaar om de situatie van [minderjarige 1] goed te volgen en af te stemmen. [minderjarige 1] gaat dagelijks naar school en vanuit de school zijn geen grote zorgen meer over haar. [minderjarige 1] zelf wil verder geen individuele hulp meer en is tevreden met hoe het nu gaat, thuis en op school. Wel heeft zij nog een coach vanuit school en ervaart zij hier steun van. [minderjarige 1] ziet haar vader alleen als ze bij familie is, zij zoekt hem niet alleen op en heeft daar ook geen behoefte aan. Het afsluiten van de ondertoezichtstelling is voor [minderjarige 1] een erkenning voor het weer oppakken van haar schoolgang en de gecertificeerde instelling blijft nog wel betrokken bij haar zusje [minderjarige 2] .
4. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn.
Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende. De kinderrechter vindt het positief om te horen dat de moeder de adviezen en ondersteuning vanuit de hulpverlening heeft aangepakt, dat de schoolgang van [minderjarige 1] nu goed loopt en dat zij baat heeft bij de coach vanuit school. [minderjarige 1] ervaart rust en stabiliteit in de thuissituatie van de moeder en zij komt aan haar ontwikkeling toe. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] een positieve ontwikkeling doormaakt en bij haar is geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat een verdere ondertoezichtstelling op dit moment geen toegevoegde waarde meer heeft. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen.
De kinderrechter heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] daarom op met ingang van 21 juli 2026.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5. De beslissing
De kinderrechter:
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] op met ingang van 21 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.