ECLI:NL:RBDHA:2026:23499

ECLI:NL:RBDHA:2026:23499

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer C/09/705591 / JE RK 26-880 C/09/705611 / JE RK 26-882
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; deels toegewezen en verwijzing naar de meervoudige kamer van deze rechtbank (opvoedbesluit)

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummers:

I. C/09/705591 / JE RK 26-880

II. C/09/705611 / JE RK 26-882

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

beiden wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 17 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd van 23 juni 2026 tot 23 juli 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden (C/09/705611 / JE RK 26-882).

Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 23 juni 2026 tot 23 juli 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden (C/09/705591 / JE RK 26-880).

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 17 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;

de producties 1 t/m 4 van de ouders, ontvangen op 15 juli 2026.

Tijdens de zitting zijn door de advocaat van de ouders pleitnotities overlegd.

Op de zitting van 21 juli 2026 is de behandeling met gesloten deuren voortgezet en is de behandeling van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] (C/09/705611 / JE RK 26-882) opnieuw gecombineerd met de behandeling van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] (C/09/705591 / JE RK 26-880). Daarbij waren aanwezig:

- de ouders met hun advocaat;

- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

2. De feiten

De ouders zijn met elkaar gehuwd.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

[minderjarige 1] woont bij de ouders.

[minderjarige 2] verblijft in een pleeggezin.

3. De verzoeken

Verlenging ondertoezichtstelling [minderjarige 1]

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de resterende duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige 1] heeft kindeigen problematiek.

Er zijn zorgen over de belastbaarheid en opvoedvaardigheden van de ouders. De ouders zijn betrokken en bereid om mee te werken met de hulpverlening, maar zij raken snel overbelast en zijn daardoor niet altijd voldoende beschikbaar voor [minderjarige 1]. Zij nemen adviezen van de hulpverlening moeizaam over en vallen vaak snel terug in oude patronen. De ouders bieden [minderjarige 1] onvoldoende sturing en structuur en hebben moeite om hem te begrenzen. Hierdoor laat [minderjarige 1] zelfbepalend gedrag zien en neemt hij regelmatig de regie over in huis. Ook wordt hij door de ouders onvoldoende gestimuleerd in zijn ontwikkeling. De ouders zijn passief in contactmomenten en laten [minderjarige 1] vaak alleen spelen. [minderjarige 1] heeft moeite met het reguleren van zijn emoties en kan zich jaloers opstellen richting zijn broertje [minderjarige 2]. Op de peuterspeelzaal heeft [minderjarige 1] ook moeite om mee te komen op de groep. Er is daarom één-op-één begeleiding ingezet om uitval te voorkomen. Daarnaast zijn er zorgen over de taalontwikkeling van [minderjarige 1], hij is daarom aangemeld voor logopedie. Het huidige HIT-traject (Het Integrale Team) loopt binnenkort af en zal worden overgenomen door VUHP, hiervoor was een lange wachtlijst waardoor dit nu pas kan starten. Het is nog onduidelijk of [minderjarige 1] volgend jaar al kan starten met basisonderwijs. Gelet op de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] vindt de gecertificeerde instelling een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.

Tijdens de zitting heeft de jeugdbeschermer ter aanvulling toegelicht dat begin juli 2026 de hulp vanuit het HIT is afgerond en in dat kader een eindverslag is opgesteld. Hierin zijn doelen -met name op [minderjarige 1] gericht- opgesteld van de afgelopen periode, deze zien onder andere op het bieden van structuur vanuit de ouders en de opvoedsituatie.

Het eindverslag vanuit het HIT is best positief, maar niet toegezonden aan de rechtbank.

Er wordt mede op basis van dit stuk door de jeugdbeschermer niet meer gedacht aan een uithuisplaatsing van [minderjarige 1]. De situatie is verbeterd en de ouders zijn gegroeid in hun rol.

De enige zorg die er nu nog is vanuit het HIT is of het de ouders lukt om -met de handvatten die ze daarbij krijgen- voldoende structuur toe te passen in de opvoedsituatie voor [minderjarige 1]. Gelet op dit positieve eindverslag is een VUHP-traject niet langer passend, omdat dit als een laatste redmiddel wordt gezien voorafgaand aan een uithuisplaatsing, wat niet meer aan de orde is. Recent heeft daarom een intake plaatsgevonden om zo advies in te winnen over welke intensieve hulp voor langere tijd bij de ouders kan worden ingezet. Verder wordt gezien dat de ouders veel hulp en ondersteuning vanuit hun netwerk, zoals de grootouders vaderszijde, nodig hebben, omdat [minderjarige 1] veel van hen vraagt. Tot slot is door de jeugdbeschermer toegelicht dat de intern begeleider van de reguliere basisschool waar [minderjarige 1] ingeschreven staat, geconcludeerd heeft dat [minderjarige 1] het komende schooljaar naar het regulier basisonderwijs kan gaan. Zijzelf heeft dit niet begeleid. Bij hem is geen sprake van achterstand in zijn ontwikkeling op cognitief gebied en er is ook nog geen sprake van een diagnose bij hem.

Omdat in het regulier basisonderwijs geen mogelijkheid bestaat om continu één op één begeleiding in te zetten, is het volgens de jeugdbeschermer de vraag of het regulier basisonderwijs wel passend is voor [minderjarige 1]. In dat kader zal in september 2026 nog een gesprek plaatsvinden. Er is nog niet bekeken of het speciaal basisonderwijs passend is, mocht het regulier basisonderwijs niet haalbaar zijn. In dat geval zal er wel een wachttijd zijn voor plaatsing op een passende speciale school.

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing [minderjarige 2]

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] ook te verlengen voor de resterende duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Toen [minderjarige 2] een jonge baby was, is hij vanwege ernstig toegebracht letsel in het ziekenhuis opgenomen. Hij had bloedingen in het hersenvlies, gebroken ribben en bloedingen in het netvlies van beide ogen. Tot op heden is het onvoldoende duidelijk hoe dit letsel heeft kunnen ontstaan en wie hier verantwoordelijk voor is geweest. Naar aanleiding van het letsel is [minderjarige 2] uit huis geplaatst. Binnen het pleeggezin laat [minderjarige 2] een positieve ontwikkeling zien en hij vertoont signalen van een veilige hechting met de pleegouders. Binnen een stabiele en voorspelbare opvoedomgeving komt hij tot rust en voelt hij zich emotioneel veilig. Op dit moment is er geen sprake van blijvende schade van het opgelopen letsel. Er is intensief onderzocht of een terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de ouders mogelijk zou zijn. In dat kader is intensieve ambulante hulpverlening vanuit het HIT ingezet. Ook zijn contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige 2] begeleid om zo zicht te krijgen op hun opvoedvaardigheden en belastbaarheid. Deze contactmomenten zijn één keer per week voor de duur van 1,5 uur. De ene week vinden deze bij de ouders thuis plaats en de andere week zijn deze op een locatie.

Bij de ouders wordt gezien dat zij hun aandacht voornamelijk richten op [minderjarige 1] en op zijn behoeften. Hij vraagt vanwege zijn kind eigen problematiek veel sturing, nabijheid en begeleiding van de ouders. Omdat de ouders daarom weinig ruimte hadden om ook emotioneel beschikbaar en responsief te zijn tegenover [minderjarige 2], is besloten [minderjarige 1] niet aanwezig te laten zijn bij de contactmomenten op locatie. Op die manier hebben de ouders dan alle aandacht voor [minderjarige 2]. [minderjarige 2] is steeds meer op zijn gemak tijdens het bezoek. Hoewel hij over het algemeen vrolijk is, blijft hij ook gereserveerd.

Tijdens de laatste evaluatie in mei ten aanzien van de contactmomenten, is bepaald dat de huidige vorm van 1,5 uur per week op dit moment het hoogst haalbare is. Dit, omdat gezien werd dat [minderjarige 2] huilerig en hangerig kan zijn na het contact. Bij [minderjarige 2] is er een verschil te zien wanneer de pleegmoeder er niet is, en wanneer zij terugkomt om hem op te halen.

Ook bestaan ernstige zorgen over het beschermend vermogen van de ouders. Het feit dat [minderjarige 2] ernstig letsel heeft opgelopen binnen de thuissituatie, zonder dat hierover duidelijkheid is ontstaan, maakt dat zijn veiligheid onvoldoende kan worden gewaarborgd. In december 2025 heeft in het kader van een mogelijke terugplaatsing van [minderjarige 2] aanvullend een gezinsopname van [zorginstantie] plaatsgevonden. Deze opname is al na 2 dagen voortijdig negatief beëindigd. Voortzetting werd niet in het belang van [minderjarige 2] geacht. [minderjarige 2] was ziek. Tijdens de opname werd zichtbaar dat de ouders onvoldoende aan konden sluiten bij zijn signalen, emoties en verzorgingsbehoeften. De ouders ervaarden de zorg voor beide kinderen als zwaar en belastend. [minderjarige 2] kreeg koorts en wilde niet meer drinken. Na zijn terugkeer in het pleeggezin verdwenen deze klachten snel.

Volgens de gecertificeerde instelling is het aannemelijk dat [minderjarige 2] tijdens de opname veel stress heeft ervaren en dat dit onderliggend is geweest voor zijn ziek zijn. De zorgen binnen het gezin namen tijdens het traject verder toe. Het lukt ouders nét aan voldoende om voor [minderjarige 1] te zorgen, die een nog grotere opvoedbehoefte heeft dan [minderjarige 2] (door kindeigenproblematiek). Binnen het netwerk van de ouders worden weinig mogelijkheden gezien om de opvoedsituatie duurzaam te ontlasten of voldoende veiligheid te waarborgen. Ondanks de inzet van de hulpverlening zijn er onvoldoende mogelijkheden voor een veilige terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de ouders. De ouders zijn te weinig in staat om duurzaam aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van [minderjarige 2]. Vanwege zijn jonge leeftijd, voorgeschiedenis en behoefte aan continuïteit en hechtingsveiligheid, vindt de gecertificeerde instelling dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige 2] is verstreken. Er is daarom een opvoedbesluit genomen, waarin bepaald is dat het komende jaar zal niet meer gewerkt zal worden aan een terugplaatsing bij de ouders. Het is -voor [minderjarige 2], de ouders en de pleegouders- belangrijk dat duidelijkheid komt over het opvoedperspectief, en de pleegouders hebben zich beschikbaar gesteld als perspectiefbiedend pleeggezin voor [minderjarige 2].

4. De standpunten

Door en namens de ouders is ingestemd met de verzoeken ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Er wordt verweer gevoerd ten aanzien van het verzoek tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2].

Aangevoerd wordt dat de ouders zich realiseren dat zijn letsel heel ernstig is geweest. De ouders blijven benadrukken dat zij dit niet hebben toegebracht en [minderjarige 2] ook niet in een onveilige positie hebben gebracht waardoor dit heeft kunnen ontstaan. Het doet de ouders dan ook veel pijn dat zij hier, door de uithuisplaatsing van [minderjarige 2], toch verantwoordelijk voor worden gehouden. De ouders zijn van mening dat verder dan het letsel moet worden gekeken en beroepen zich op het primaire standpunt dat er geen grond is voor een uithuisplaatsing en dat er wel degelijk gewerkt moet gaan worden aan een terugplaatsing.

In de afgelopen periode is intensieve hulp ingezet, onder meer in de vorm van het HIT en een gezinsopname. Naast de hulp en opvoedondersteuning voor de ouders, is ook hulp voor [minderjarige 1] vanwege zijn kindeigenproblematiek ingezet en hij gaat inmiddels naar een peuterspeelzaal waar hij tot voor kort één op één begeleiding kreeg. Deze begeleiding wordt momenteel afgebouwd, omdat het beter met [minderjarige 1] gaat. In het nieuwe schooljaar start hij op een reguliere basisschool.

De contactmomenten met [minderjarige 2] werden eerst vanuit het HIT begeleid en nu door Coach Vooruit. Uit de door de ouders overlegde stukken van de hulpverlening, blijkt dat de ouders zich positief voor de hulp hebben ingezet en dat zij een groei hebben doorgemaakt.

De positieve ontwikkeling van de ouders blijkt ook uit de verslagen met betrekking tot de contactmomenten met [minderjarige 2], onder meer omdat zij de taken onderling verdelen wanneer beide kinderen bij hen zijn.

Het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling staat dan ook haaks op de door de ouders overlegde stukken en volgens de ouders is de situatie uit het verleden voornamelijk onderliggend aan het verzoek van de gecertificeerde instelling.

Juist daarom is het opvallend dat de gecertificeerde instelling de verslagen over de contactmomenten met [minderjarige 2] niet zelf heeft overlegd. Zo zou [minderjarige 2] volgens de gecertificeerde instelling spanning laten zien tijdens de begeleide contactmomenten. Dit blijkt echter niet uit de huidige verslagen hierover.

De advocaat van de ouders benadrukt dat juist beschreven is dat [minderjarige 2] goed op de ouders en op [minderjarige 1] reageert.

Ook is het -gelet op de informatie die voortkomt uit de verslagen van Coach Vooruit- onjuist dat de ouders zich tijdens de contactmomenten vooral op [minderjarige 1] richten. Uit die verslagen blijkt namelijk dat de ouders de kinderen leren zelfstandig iets op te pakken en hen stimuleren in hun ontwikkeling.

Daarbij komt dat door de hulpverlening wordt gezien dat de ouders in staat zijn de adviezen vanuit de hulpverleners duurzaam en consequent toepassen.

Met de opvoedondersteuning die de ouders tot nu toe hebben gehad, zijn zij in staat om [minderjarige 2] een fysiek, emotioneel, pedagogisch en veilig opvoedklimaat te bieden. Deze opvoedondersteuning willen de ouders blijven voortzetten en het lukt hen door de hulp om [minderjarige 1] waar nodig te begrenzen.

Omdat de verslagen over de contactmomenten een heel ander beeld schetsen dan het verzoekschrift, moet voorbij worden gegaan aan de conclusie van de gecertificeerde instelling dat niet meer gewerkt dient te worden aan een terugplaatsing.

Zeker in het licht van de positieve verslagen over de contactmomenten en het feit dat de ouders goed meewerken aan de hulp, is het te kort door de bocht om door één gezinsopname van twee dagen die niet helemaal goed is verlopen tot de conclusie te komen dat een terugplaatsing niet meer mogelijk is.

Bovendien hebben ook andere factoren meegespeeld aan het niet goed verlopen van de gezinsopname. Zo was de moeder kort daarvoor geopereerd, vindt [minderjarige 1] het lastig om in een vreemde omgeving te zijn waardoor hij ander gedrag vertoont en is [minderjarige 2] ziek geworden.

De conclusie dat niet meer gewerkt zal worden aan een terugplaatsing is -gelet op het bovenstaande en de positieve ontwikkeling van de ouders- te prematuur. Gezien de tijd die nu verlopen is en de groei die de ouders hebben doorgemaakt, moet er juist nu alles op alles worden gezet om wel terug te werken naar een terugplaatsing.

In dat kader is het belangrijk dat de contactmomenten met [minderjarige 2] in de thuissituatie van de ouders worden uitgebreid. Omgang gedurende 1,5 uur per week is onvoldoende.

Hiermee zal een veel reëler beeld worden verkregen dan de observaties die tijdens de gezinsopname zijn gedaan. Indien deze contactmomenten goed blijven verlopen, kan dit uitgebreid worden naar overnachtingen waarbij uiteindelijk toegewerkt kan worden naar een terugplaatsing.

Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium en als uitgangspunt volgens de wet geldt dat een kind het recht heeft om bij zijn eigen ouders op te groeien.

Door en namens de ouders wordt dan ook verzocht de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen.

Subsidiair wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van drie dan wel zes maanden, waarbij het noodzakelijk is dat binnen die periode gewerkt wordt aan een terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de ouders.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.

Daartoe overweegt de kinderrechter dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Beide kinderen hebben in hun jonge leven veel meegemaakt en bij [minderjarige 1] is sprake van kind eigen problematiek. Hij kan zelfbepalend gedrag vertonen en kan moeilijk te begrenzen zijn.

Hoewel op dit moment weinig zorgen zijn op kindniveau bij [minderjarige 2], is hij als jonge baby opgenomen in het ziekenhuis vanwege ernstig lichamelijk letsel. De oorzaak is onbekend. Het is duidelijk dat [minderjarige 1], door zijn verhoogde opvoedbehoeften, [minderjarige 2] vanwege zijn uithuisplaatsing, en de ouders ook de komende tijd nog hulp en ondersteuning nodig zullen hebben. De kinderrechter vindt het dan ook noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de regie kan blijven voeren over de (nog in te zetten) hulpverlening, kan blijven beoordelen hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat en de ouders kan ondersteunen.

De vraag die vervolgens aan de orde komt is of de machtiging tot uithuisplaatsing nog langer noodzakelijk is, zodat de plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin voortgezet wordt.

De visies van de gecertificeerde instelling en de ouders lopen sterk uiteen wat betreft de continuering hiervan.

Door de gecertificeerde instelling is in april 2026 een opvoedbesluit genomen, waarin geconcludeerd is dat het komende jaar niet meer gewerkt zal worden aan een terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de ouders. De belangrijkste argumenten voor dit opvoedbesluit zijn gelegen in de verstreken aanvaardbare termijn van [minderjarige 2], zijn ernstige lichamelijke letsel uit het verleden en de bevindingen van de gezinsopname in december 2025.

De ouders zijn volgens de gecertificeerde instelling onvoldoende in staat de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] weer op zich te nemen en zijn perspectief ligt in het pleeggezin.

Daar tegenover staan de ouders en de door en namens hen overlegde (recente) verslagen van de hulpverlening vanuit het HIT en Coach Vooruit. Hieruit kan worden opgemaakt dat de ouders in staat zijn de adviezen van de hulpverlening consequent toe te passen, meewerken aan de hulp, en ook leerbaar zijn. Al met al hebben de ouders zich de afgelopen tijd positief ontwikkeld en zijn zij gegroeid in hun rol als opvoeders. Het lukt de ouders om [minderjarige 1] te begrenzen in zijn gedrag, tegemoet te komen aan zijn opvoedbehoefte en tijdens de contactmomenten met beide kinderen voldoende zicht en aandacht voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] te hebben. Ter zitting is hiernaast door de jeugdbeschermer mondeling toegelicht dat ook het eindverslag van het HIT van begin juli 2026 overwegend positief is. De enkele zorg vanuit het HIT is de vraag of het de ouders -met de handvatten die ze daarbij aangereikt krijgen- lukt voldoende structuur toe te passen in de opvoedsituatie voor [minderjarige 1].

De kinderrechter ziet zich dan ook voor de complexe vraag gesteld wat in deze omstandigheden het beste is voor [minderjarige 2], maar ook voor [minderjarige 1] in het kader van de ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van de kinderrechter lijkt het er vooralsnog op dat een directe terugplaatsing bij de ouders niet in het belang van [minderjarige 2], maar ook niet in het belang van [minderjarige 1] zal zijn. Voor [minderjarige 1] zal namelijk de komende tijd veel veranderen: hij zal naar de (reguliere) basisschool gaan en zal (nieuwe) intensieve hulpverlening gaan ontvangen. Hij moet hiervoor de rust en de tijd krijgen om dit aan te gaan en ook voor [minderjarige 2] is het van belang dat hem de komende tijd rust en stabiliteit geboden wordt. In het pleeggezin wordt [minderjarige 2] een opvoedklimaat geboden waar hij baat bij heeft en komt hij aan zijn ontwikkeling toe.

Daarbij is de kinderrechter wel van oordeel -in tegenstelling tot het standpunt van de gecertificeerde instelling zoals volgt uit r.o. 5.3.- dat het perspectief van [minderjarige 2] nog niet duidelijk is. De al in april 2026 genomen beslissing is prematuur geweest.

Als onderbouwing voor een langdurige machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en dus het opvoedbesluit verwijst de gecertificeerde instelling onder andere naar het verslag en advies van de gezinsopname van twee dagen van [zorginstantie] uit eind 2025.

De kinderrechter stelt vast dat het HIT en Coach Vooruit, de organisaties die op dit moment veel zicht gedurende een lange periode hebben op de thuissituatie van de ouders, herhaaldelijk aangeven dat de ouders een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. Dit wordt nogmaals onderstreept in het recente eindverslag van het HIT, zo is tijdens de zitting gebleken. Daarin neemt de kinderrechter ook mee dat de gecertificeerde instelling niet meer overweegt een verzoek tot een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in te dienen bij de rechtbank. Ook is een VUHP-traject niet meer passend vanwege het voornoemde, waardoor de intensieve hulpverlening voor [minderjarige 1] en ter ondersteuning van de ouders langer op zich zal laten wachten. De ouders zijn desalniettemin samen voldoende in staat om met de hulpverlening de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] goed (genoeg) vorm te geven en het lukt hen om aan te sluiten bij zijn behoeften. Ondanks de beperkte omgang van de ouders met [minderjarige 2] gedurende 1,5 uur per week is uit de verslagen gebleken dat dit positief is verlopen.

Gelet op de complexiteit, de samenhang van de zaken en de ingrijpendheid van de te nemen beslissing zal de kinderrechter de verzoeken tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin dan ook toewijzen voor vier maanden, met aanhouding van het overige en voor verdere behandeling verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De kinderrechter benadrukt dat het de komende tijd noodzakelijk is dat de contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige 2] (en [minderjarige 1]) niet één keer anderhalf uur per week dienen plaats te vinden, maar twee keer. De gecertificeerde instelling moet daarbij ook voortvarend beoordelen of een uitbreiding van de uren hiernaast mogelijk is.

Verder is tijdens de zitting gebleken dat [minderjarige 1] het komende schooljaar naar het regulier basisonderwijs zal gaan. Gelet op de verandering voor [minderjarige 1], maar mogelijk ook voor de ouders, die daarmee gepaard zal gaan, wil de kinderrechter ook hiervan op de hoogte worden gehouden. Of het reguliere onderwijs inderdaad passend is voor [minderjarige 1] gezien zijn kindeigen problematiek is onzeker, terwijl pas na de start hiervan en na het ervaren van problemen daarbij een aanmelding voor speciaal onderwijs (met wachttijden) door de gecertificeerde instelling wordt overwogen. De jeugdbeschermer is zelf niet betrokken geweest bij de afweging of regulier onderwijs haalbaar is voor [minderjarige 1]. Niet slagen brengt voor [minderjarige 1] en de ouders een risico met zich mee, zeker wanneer er een wachtperiode overbrugd moet worden. Van de jeugdbeschermer mag gevraagd worden om actief bij de afweging betrokken te zijn en snel te reageren, wanneer er op de reguliere school problemen bij [minderjarige 1] zich zouden voordoen en meer begeleiding voor [minderjarige 1] noodzakelijk blijkt te zijn.

De komende periode moet tot slot nader worden bekeken wat het meest in het belang van beide kinderen is en of, zo ja op welke manier, het netwerk daarbij betrokken kan worden. Ook dient de optie van deeltijd uithuisplaatsing of een steun pleeggezin mede betrokken worden in de afweging van de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter vraagt dan ook aan de gecertificeerde instelling om een schriftelijke update te willen versturen met daarbij in ieder geval, indien beschikbaar, de verslagen ten aanzien van de contactmomenten met [minderjarige 2] en de verslagen van de nog in te zetten hulpverlening voor [minderjarige 1] en de ouders.

Het is jammer dat de gecertificeerde instelling voor deze zitting van 21 juli jl. de verslagen vanuit de hulpverlening van het HIT en van Coach Vooruit niet bij haar verzoek heeft overlegd, deze zijn door en namens de ouders overlegd. Het laatste stuk van HIT, dat de rechtbank niet heeft ontvangen, uit juli 2026 zou de rechtbank graag nog nagezonden willen krijgen, zoals ter zitting door de gecertificeerde instelling is toegezegd.

De beslissing tot de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

C/09/705611 / JE RK 26-882

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 23 november 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

C/09/705591 / JE RK 26-880

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 23 november 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 november 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan tot de zitting van 20 oktober 2026 om 15:00 uur bij de meervoudige kamer van deze rechtbank; en verzoekt de gecertificeerde instelling om twee weken voor voornoemde zitting een verslag in te dienen met daarin de laatste stand van zaken, de verslagen vanuit de hulpverlening en het standpunt ten aanzien van het aangehouden verzoek, alsmede de laatste versie van het gezinsplan.

gelast de griffier voor die zitting op te roepen:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

- de ouders;

- de advocaat van de ouders: mr. B.S. van Haeften, uit Den Haag;

- de pleegouders van [minderjarige 2].

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.E. Klopper als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand