RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31198
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag
van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
(asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is
voor de behandeling ervan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder en de gemachtigde van eiser hebben bij berichten van 4 augustus 2026 toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 5 augustus 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 3 september 2026 geen doorgang vindt. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende
bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in
beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken
(‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens
gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met
zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel
prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli
2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
2. Verweerder heeft op 21 juli 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 15 juli 2026 heeft geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft vervolgens aan
de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 30 juli 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet weet waar eiser verblijft.
3. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang
van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan
worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland
gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een
inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2026.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet
inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep