RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45543
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiser met als verblijfsdoel ‘nareis asiel’. Eiser wenst bij zijn vader (referent) te verblijven in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. Eiser is het hier niet mee eens, onder meer omdat referent eiser financieel ondersteunt en er ook veel contact is tussen eiser en referent. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat op het moment van inreis van referent in Nederland geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. Dat eiser en referent na de inreis een band willen opbouwen leidt niet tot een ander oordeel. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Referent heeft voor eiser een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘nareis asiel’. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 september 2023 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Referent (eisers gestelde vader; hierna: vader) is Nederland in 2012 ingereisd. Referent beschikt sinds 9 juli 2020 over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning is aan referent toegekend met het besluit van 29 december 2021.
Op 28 maart 2022 heeft referent voor eiser een aanvraag voor een mvv ‘nareis asiel’ ingediend waarmee de wettelijke termijn voor het indienen van een aanvraag is veiliggesteld. De aanvraag is op 4 mei 2022 aangevuld met verschillende stukken waaronder de ‘vragenlijst gezinsband kind’. Op 20 juli 2023 heeft verweerder een (digitaal) interview gehouden met de moeder van eiser. Op 23 augustus 2023 heeft referent de ruimte gekregen om tegenstrijdigheden in het dossier toe te lichten in een gesprek met verweerder.
Met het besluit van 12 september 2023 heeft verweerder de aanvraag voor een mvv voor eiser afgewezen. Hoewel verweerder stelt dat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie tussen onder meer eiser en referent niet aannemelijk zijn gemaakt, heeft verweerder vanwege de minderjarigheid van eiser in het kader van een integrale beoordeling eiser het voordeel van de twijfel gegeven en nader onderzoek gedaan naar de feitelijke gezinsband. Dat nader onderzoek bestond uit de interviews met de biologische moeder van eiser en referent zoals weergeven onder 3.1. Verweerder heeft vastgesteld dat de verklaringen van de moeder en referent onder meer ten aanzien van het samenwonen, de financiële afhankelijkheid en het herstel van het contact tussen referent en eiser van elkaar verschillen en referent ook zelf wisselend verklaart. Verweerder concludeert daarom, in aanmerking nemend dat eiser niet is geboren binnen het huwelijk of een aan een huwelijk gelijk te stellen relatie, dat niet gebleken is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent zodat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. Mede om die reden heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Voor zover relevant in deze procedure houdt verweerder vast aan het standpunt dat geen sprake is van een feitelijke gezinsband. Verweerder overweegt daarbij dat de eerdere wisselende verklaringen maken dat de verklaring die referent daarvoor heeft gegeven in het aanvullend bezwaarschrift (een andere duiding van hetzelfde feitencomplex) niet wordt gevolgd. Verder is het feit dat referent als asielzoeker in Nederland verbleef geen afdoende verklaring voor de omstandigheid dat tussen 2012 en 2022 helemaal geen contact is geweest tussen eiser en referent. Ook het feit dat referent inmiddels geld stuurt aan eiser en frequent contact heeft met eiser, maakt volgens verweerder niet dat er wel sprake is van een feitelijke gezinsband.
Omvang procedure
4. Ter zitting is vastgesteld dat de vraag of de identiteit en de familierechtelijke relatie aannemelijk is gemaakt – hetgeen zowel in het bestreden besluit als in het beroepschrift nog uitdrukkelijk wordt benoemd – niet meer relevant is vanwege het gegeven voordeel van de twijfel en het daarop volgende onderzoek naar de feitelijke gezinsband. Het beroep richt zich daarom uitsluitend op de vraag of sprake is van een feitelijke gezinsband.
Toetsingskader
5. Aan een gezinslid van een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hoofdpersoon) kan onder voorwaarden een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Als het gezinslid niet gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd of binnen drie maanden is nagereisd, zal voor het gezinslid ten minste binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel is verleend een mvv met als verblijfsdoel ‘nareis asiel’ moeten zijn aangevraagd.
Onder gezinslid wordt onder meer verstaan een minderjarig kind dat op het tijdstip van binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon (feitelijke gezinsband). Voor de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, wordt aansluiting gezocht bij artikel 8 van het EVRM. Voor zover minderjarige kinderen zijn geboren tijdens het huwelijk of het samenwonen van hun ouders is ipso iure sprake van een feitelijke gezinsband. In andere gevallen kan sprake zijn van een feitelijke gezinsband tussen een minderjarig kind en een biologische vader als sprake is van hechte persoonlijke banden. Dat is een begrip van feitelijke aard en kan bijvoorbeeld volgen uit het feit dat sprake is geweest van bijvoorbeeld samenwoning, betrokkenheid bij de opvoeding, contact en financiële afhankelijkheid.
Uit rechtspraak volgt dat er twee peilmomenten zijn voor het vaststellen van de feitelijke gezinsband. Het eerste peilmoment is het moment van de inreis van de hoofdpersoon in Nederland. Bestaat de feitelijke gezinsband op dat moment, dan beoordeelt verweerder in nareiszaken vervolgens ook nog of op het moment van het nemen van het besluit op de nareisaanvraag, het tweede peilmoment, de feitelijke gezinsband aanwezig is. Verweerder mag de mvv-aanvraag afwijzen als er op het eerste peilmoment (het moment van de inreis van de hoofdpersoon) geen feitelijke gezinsband is tussen een vreemdeling en de hoofdpersoon. Verweerder hoeft in dat geval niet meer te beoordelen of er op het tweede peilmoment (het besluit op de nareisaanvraag) wel een feitelijke gezinsband is.
Is sprake van een feitelijke gezinsband?
6. Eiser betoogt dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Eiser voert daarover aan dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn argumenten dat sprake is geweest van samenwoning en daarover ook eenduidig is verklaard door referent en de moeder van eiser. Verder stelt eiser dat referent hem financieel onderhoudt en dat er frequent contact is tussen hem en referent.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op het eerste peilmoment (het moment van inreis van referent in Nederland) geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. In dat verband heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft daarbij betrokken dat referent en de moeder van eiser in het gehoor van referent in het kader van de asielaanvraag op 20 oktober 2011 (referent) en de interviews in het kader van de integrale beoordeling op 20 juli 2023 (de moeder van eiser) en 23 augustus 2023 (referent) ten opzichte van elkaar en referent ten opzichte van zichzelf wisselend hebben verklaard over de samenwoning, de feitelijke en financiële zorg voor eiser en het contact tussen referent en de moeder van eiser en het contact tussen referent en eiser voorafgaand aan het vertrek van referent in 2012. De rechtbank is met verweerder eens dat er wisselende verklaringen zijn afgelegd. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat vanwege die wisselende verklaringen niet aannemelijk is geworden dat voorafgaand aan de inreis van referent sprake is geweest van een feitelijke gezinsband bijvoorbeeld ontstaan door samenwoning, feitelijke of financiële zorg, of betrokkenheid bij de opvoeding. Eiser heeft in beroep niet toegelicht of met stukken onderbouwd waarom dat standpunt onjuist is. De rechtbank wijst verder op het feit dat referent zowel op 20 oktober 2021 als op 23 augustus 2023 heeft verklaard dat hij eiser niet meer heeft gezien sinds hij ongeveer twee jaar oud was. Dat was in 2009. Daarnaast betrekt de rechtbank dat uit de verklaringen volgt dat referent in het land van herkomst weinig contact had met eiser. Namens referent is ter zitting gesteld dat het vertrek door noodzaak was ingegeven en de breuk niet vrijwillig was, maar deze stelling is verder niet toegelicht of met stukken onderbouwd. Uit de verklaringen van referent volgt bovendien dat er ook voor die tijd weinig contact lijkt te zijn geweest tussen referent en eiser. Hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake was van hechte persoonlijke banden en daarmee een feitelijke gezinsband. Ook anderszins heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat op het eerste peilmoment sprake was van een feitelijke gezinsband. Uit rechtspraak volgt dat verweerder in dat geval mag volstaan met de conclusie dat de feitelijke gezinsband op het eerste peilmoment (moment van de inreis van referent) niet aanwezig was. In die situatie hoeft daarom niet te worden getoetst of de feitelijke gezinsband op het tweede peilmoment (het besluit op de nareisaanvraag) aanwezig was of is hersteld. Hoewel de rechtbank ziet dat referent zijn best doet om (op afstand) een band met eiser op te bouwen en hem daar waar mogelijk ook financieel ondersteunt, is dat pas (ruim) na de inreis van referent begonnen en leiden deze omstandigheden niet tot het oordeel dat op het eerste peilmoment wel een feitelijke gezinsband bestond tussen eiser en referent. Hetgeen eiser daarover in beroep naar voren heeft gebracht en de in dat verband overgelegde stukken blijven daarom verder buiten beschouwing. Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat er op het moment van inreis geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent, zodat verweerder de aanvraag voor een mvv voor eiser terecht heeft afgewezen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen mvv krijgt met als verblijfsdoel ‘nareis asiel’. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.