RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51716
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. L.F.D. Drenthe).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben de rechtbank laten weten dat zij niet zullen verschijnen.
Beoordeling door de rechtbank
Wijze van verklaren
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.
Eiser behoort tot de Joodse Amazigh bevolkingsgroep en heeft daardoor discriminatie ervaren. Hij heeft Marokko verlaten vanwege zijn relatie met een man.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de gestelde seksuele geaardheid.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De gestelde homoseksuele geaardheid vindt hij niet geloofwaardig geacht, onder andere omdat de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiser vanwege zijn Joodse afkomst te vrezen heeft voor vervolging of bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser vermoedelijk met opzet zijn reisdocument heeft weggemaakt, hij zijn asielaanvraag alleen heeft ingediend om de uitzetting uit te stellen of te verijdelen en hij niet onmiddellijk asiel heeft gevraagd toen dat mogelijk was.
De beroepsgronden
5. Eiser heeft het volgende aangevoerd. De minister heeft niet overeenkomstig de samenwerkingsverplichting gehandeld. Uit het rapport van nader gehoor blijkt dat eiser vragen niet begrijpt en een verwarde indruk maakt. Volgens eiser zijn er concrete aanwijzingen dat sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid en beperkingen waar tijdens het horen rekening mee had moeten worden gehouden. De minister moet eiser dan ook medisch laten onderzoeken en daarna opnieuw horen.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in de zienswijze wel degelijk uitleg heeft gegeven over zijn seksuele gerichtheid. Ook handhaaft eiser zijn standpunt dat hij zich meer tot mannen aangetrokken voelt en zichzelf als homoseksueel beschouwt. Ook uit het nader gehoor blijkt dat hij later wel degelijk gevoelens voor mannen ontwikkelde: aanvankelijk had hij seks met mannen voor geld, maar daarna ontwikkelde hij ook gevoelens. Daarnaast vindt hij het moeilijk om over zijn gevoelens voor mannen te praten.
Eiser is gediscrimineerd vanwege het feit dat hij Joods is. Door de toegenomen spanningen tussen Israël en Palestina is de situatie voor Joden nog verder verslechterd.
Hij heeft zijn paspoort in bewaring gegeven bij een vriend. Hij heeft niet meteen asiel aangevraagd omdat hij vreesde te worden teruggestuurd naar Marokko. Verder vond eiser het moeilijk om asiel te vragen vanwege zijn seksuele geaardheid, ook daarom heeft hij de asielaanvraag later ingediend.
Het oordeel van de rechtbank
6. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.
7. De rechtbank leidt uit de verslaglegging af dat eiser tijdens het nader gehoor soms brabbelde en verwarrend sprak. Anders dan eiser stelt, volgt de rechtbank niet dat dit het gevolg is van het niet goed begrijpen van vragen, nu eiser het merendeel van de vragen op korte, begrijpelijke wijze heeft beantwoord. Weliswaar geeft eiser aan gestrest te zijn maar zelf legt hij de relatie met zijn detentie op dat moment. Ook is niet gebleken van een bijzondere kwetsbaarheid en beperkingen, nu eiser dat op geen enkele wijze heeft onderbouwd of geconcretiseerd. Daarnaast krijgt de rechtbank uit het rapport van nader gehoor eerder de indruk dat eiser niet over zijn gestelde homoseksuele geaardheid wil verklaren. Bij deze stand van zaken heeft de minister dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiser medisch te laten onderzoeken en/of opnieuw te horen. De samenwerkingsverplichting is niet geschonden.
De homoseksuele geaardheid van eiser
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn homoseksuele geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat eiser zelf zijn seksuele geaardheid niet als reden voor zijn vertrek uit Marokko heeft aangevoerd in het aanmeldgehoor of het vrije relaas van het nader gehoor. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers in het vrije relaas verklaard dat de reden voor zijn asielaanvraag enerzijds armoede is en anderzijds dat hij tot de Joodse gemeenschap behoort. Pas als de hoormedewerker bij de nadere vraagstelling aan eiser vraagt of hij ooit problemen heeft gehad vanwege zijn seksuele gerichtheid verklaart eiser dat hij vier jaar een relatie met een Joodse man heeft gehad. De verklaring van eiser dat hij niet over zijn homoseksuele geaardheid heeft verklaard in het aanmeldgehoor omdat de tolk een hoofddoek droeg, bevreemd de rechtbank, omdat eiser aan het eind van het aanmeldgehoor zelf heeft aangegeven dat het beter zou zijn als dezelfde tolk bij het nader gehoor aanwezig was.
Bovendien heeft de minister hierbij op goede gronden betrokken dat eiser summier en algemeen heeft verklaard over de ontdekking van zijn seksuele geaardheid, vaag, inconsistent en ongerijmd heeft verklaard over de seksuele geaardheid en summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties met en gevoelens voor mannen.
De minister heeft de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser dan ook op goede gronden ongeloofwaardig geacht. De minister heeft de problemen die eiser als gevolg van zijn gestelde homoseksuele geaardheid heeft ondervonden daarom ook op goede gronden niet geloofwaardig geacht.
Vluchtelingschap en een reëel risico op ernstige schade
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Marokko vanwege het feit dat hij een Joodse Amazigh is heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit het artikel van Hespress waarnaar eiser in de zienswijze heeft verwezen blijkt immers niet dat in Marokko sprake is van discriminatie van Joodse Amazigh die een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Dit is ook niet gebleken uit eisers eigen verklaringen.
Kennelijk ongegrond
10. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn paspoort niet heeft overgelegd, maar bij een vriend van hem heeft achtergelaten, zodat hij niet naar Marokko kan worden uitgezet. De rechtbank stelt verder vast dat eiser asiel heeft aangevraagd omdat hij anders zou worden uitgezet naar Marokko en dat als hij vrij zou worden gelaten uit detentie, hij nooit asiel zou aanvragen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser sinds 23 maart 2025 in Nederland verblijft en dat hij eerst vanuit detentie op 15 september 2025 een asielaanvraag ingediend. Onder deze omstandigheden heeft de minister de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, f en h, van de Vw.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.