RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47910
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
(gemachtigde: mr. B. Zager).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld
in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de
asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan zijn inspanningsverplichting voldaan om aannemelijk te maken dat zijn echt bevonden Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Het overgelegde Somalische paspoort doet daar niet aan af. Voorts heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voorbij mogen gaan aan de conclusies uit het B-onderdeel in het iMMO-rapport. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft op 25 juni 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft op 2 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 samen met het verzoek om een
voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De eerdere asielprocedure
Eiser heeft eerder, op 25 juni 2018, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft aan de vorige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Somalische en niet de Keniaanse nationaliteit bezit. Eiser heeft Somalië verlaten vanwege persoonlijke problemen en de oorlog destijds. In Kenia heeft eiser discriminatie ondervonden vanwege zijn nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij meermaals is gekidnapt, mishandeld en gedetineerd. Ook werd hij gedwongen om geld te betalen. In januari 2018 is eiser in zijn huis aangevallen en mishandeld door zes militairen die geld van hem wilden. Dat was voor eiser de aanleiding om Kenia te verlaten. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2020 afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit besluit heeft de minister eisers verklaringen over zijn identiteit en discriminatie vanwege zijn etniciteit en religie geloofwaardig geacht. De minister heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser de door hem gestelde Somalische nationaliteit heeft, omdat uit het EU-Vis bleek dat eiser de Europese Unie is ingereisd met een door de Spaanse autoriteiten afgegeven Schengenvisum dat is aangevraagd met een geldig Keniaans paspoort. Daarom heeft de minister eisers verklaringen over de problemen die hij stelt te hebben ondervonden in Somalië en in Kenia vanwege zijn Somalische nationaliteit en illegale verblijf in Kenia ongeloofwaardig geacht. Eisers verklaringen over de gebeurtenis in 2018 waarbij hij werd aangevallen in zijn huis door soldaten, heeft de minister ook ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2020 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 november 2020 deze uitspraak bevestigd. Hiermee staat het besluit van 10 juli 2020 in rechte vast.
De huidige asielprocedure
Op 25 juni 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen ten opzichte van de vorige procedure die zijn Somalische nationaliteit en zijn asielrelaas ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag heeft eiser verschillende documenten overgelegd:
een Somalisch paspoort;
een Nationaliteitsverklaring;
een Geboorteakte;
het iMMO-rapport van 30 januari 2024.
Het bestreden besluit
De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister acht, evenals in het eerdere besluit, het niet geloofwaardig dat eiser de door hem gestelde Somalische nationaliteit heeft. De minister stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het overgelegde Somalische paspoort de gestelde Somalische nationaliteit niet ondersteunt. Ook heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zijn echt bevonden Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. De minister acht de verklaringen van eiser over de discriminatie vanwege de gestelde Somalische nationaliteit en het illegale verblijf in Kenia dan ook ongeloofwaardig. Ditzelfde geldt voor de aanval in de woning van eiser in 2018. De inhoud van het iMMO-rapport geeft volgens de minister geen aanleiding om het eerder ongeloofwaardig bevonden en in rechte vaststaande asielrelaas alsnog geloofwaardig te achten.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Somalische paspoort
Eiser betoogt dat hij met de door hem overgelegde informatie in de huidige aanvraag, aanknopingspunten heeft aangedragen om te onderbouwen dat het Keniaanse paspoort waarop een Spaans visum is verleend, frauduleus is verkregen. Eiser meent dat er met het overleggen van het Somalische paspoort sneller sprake is van een verplichting aan de zijde van de minister om in het kader van de samenwerkingsverplichting de Keniaanse autoriteiten te benaderen om te verifiëren of er uitgegaan mag worden van de op het paspoort vermelde nationaliteit. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2024, waarin is geoordeeld dat de minister onder omstandigheden zelf gehouden is tot verificatie bij de Keniaanse autoriteiten. Eiser betwist dat er geen waarde kan worden gehecht aan de door hem overgelegde geboorte- en nationaliteitsverklaring alsook het Somalische paspoort. Eiser is van mening dat de minister onvoldoende kenbaar en daadkrachtig heeft gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat op basis van deze informatie zijn identiteit kan worden vastgesteld. Voorts betoogt eiser dat de minister bij zijn algehele besluitvorming had moeten betrekken dat eiser in een bijzonder lastige bewijspositie zit, nu de minister bij voorbaat al geen of slechts beperkte waarde hecht aan Somalische documenten.
De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van 14 maart 2024 waarin de Afdeling heeft uitgewerkt wat van een vreemdeling mag worden verwacht om aannemelijk te maken dat een paspoort op frauduleuze wijze is verkregen en wanneer de minister nader onderzoek moet doen. De rechtbank leidt daaruit af dat het in de eerste plaats op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat een echt bevonden paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij of zij alles doet waar hij of zij redelijkerwijs toe in staat is om van de autoriteiten een verklaring te verkrijgen, waaruit blijkt of zij het paspoort aanmerken als rechtsgeldig afgegeven en/of de vreemdeling als hun onderdaan beschouwen. Als een vreemdeling onvoldoende moeite heeft gedaan om zo een verklaring te verkrijgen, mag de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat het in de eerste plaats op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat zijn echt bevonden Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Het feit dat eiser een Somalisch paspoort heeft overgelegd doet hier niets aan af. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar hetgeen door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, in eisers beroepszaak van de eerste aanvraag is overwogen en welke in rechte vaststaat. In die uitspraak is immers overwogen dat de rechtbank geen aanleiding ziet om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen een Somalisch paspoort over te leggen, omdat eiser hiermee niet aannemelijk kan maken dat hij niet ook de Keniaanse nationaliteit heeft. De gedachtegang van eiser dat met het overleggen van het Somalische paspoort er sneller sprake is van een verplichting aan de zijde van de minister, kan de rechtbank dan ook niet volgen.
Blijkens voornoemde uitspraak van de Afdeling mag van eiser worden verwacht dat hij alles doet waar hij redelijkerwijs toe in staat is om van de Keniaanse autoriteiten een verklaring te verkrijgen waaruit blijkt dat het paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. De rechtbank stelt vast dat eiser op 30 oktober 2025 samen met een medewerker van Vluchtelingenwerk naar de Keniaanse ambassade is gegaan en heeft verzocht om een documentenonderzoek. Ter zitting is gebleken dat er tot op heden nog geen vervolg is gekomen op dit onderzoek. De rechtbank overweegt dat eiser in voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2020 reeds is gewezen op het feit dat het aan hem is om aannemelijk te maken dat het Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Dat eiser tot oktober 2025 heeft gewacht om naar de Keniaanse Ambassade te gaan en nu nog in afwachting is van de uitkomst van het documentenonderzoek, komt daarom voor rekening en risico van eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Dubbele identiteit
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het onmogelijk is dat één persoon twee verschillende identiteiten met uiteenlopende namen en geboortedata bezit, zoals de minister impliciet aanneemt. De minister gaat in de beschikking aan dit logische bezwaar voorbij en stelt slechts dat het Schengenvisum is afgegeven op basis van een authentiek Keniaans paspoort, zonder te verklaren hoe dit te rijmen valt met de authentieke registratie van eiser bij de Somalische autoriteiten. Daarmee blijft onduidelijk op welke feitelijke gronden de minister kiest voor de Keniaanse nationaliteit als uitgangspunt. De minister had de feiten nader moeten onderzoeken in plaats van de verantwoordelijkheid geheel bij eiser te leggen. Ook dit onderdeel van de beschikking schiet volgens eiser tekort in zorgvuldigheid en motivering.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen waarde kan worden gehecht aan het overgelegde Somalische paspoort. In de beroepsprocedure van de eerste asielaanvraag is vast komen te staan dat eiser met de geboorte- en nationaliteitsverklaring van 18 juni 2020 van de Somalische ambassade zijn Somalische nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Aangezien het Somalische paspoort op basis van de geboorte- en nationaliteitsverklaring is verkregen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geen waarde gehecht aan het overgelegde Somalische paspoort. Bovendien volgt uit paragraaf B1/4.2.3 Vc dat
Nederland de Somalische autoriteiten en de door hen uitgegeven documenten niet erkent. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een dubbele identiteit, aangezien alleen het Keniaanse paspoort als authentiek is aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Het iMMO-rapport
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan de conclusie van het iMMO-rapport en dat de minister deze ten onrechte niet als medisch steunbewijs heeft aangemerkt. De minister kan volgens eiser niet zonder meer uitgaan van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Volgens eiser heeft het iMMO zorgvuldig en wetenschappelijk onderbouwd dat de bij hem geconstateerde psychische problematiek beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Eiser betwist dan ook dat het rapport van iMMO niet individueel toegespitst zou zijn. Door zonder nadere motivering te stellen dat de uitspraak van de Afdeling “bindend” is en dat het iMMO-rapport dus terzijde kan worden geschoven, heeft de minister volgens eiser het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De minister had volgens eiser op zijn minst moeten motiveren waarom de reactie van het iMMO van 26 mei 2025 op de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025, waarin het iMMO uitlegt waarom een traumagerelateerd geheugenonderzoek niet thuishoort in een iMMO-onderzoek, niet tot een andere weging kon leiden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het iMMO-rapport van 30 januari 2024 is opgedeeld in twee onderdelen. In het A onderdeel wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt beoordeeld als zeer consistent voor het door eiser gestelde geweldsrelaas. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde medische problematiek ten tijde van de gehoren zeker heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat het iMMO-rapport is aangemerkt als een nieuw element of bevinding. De kern van de beroepsgrond die voorligt is de vraag of de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het iMMO onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de conclusie van het rapport is gebaseerd op een op eiser specifiek toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voorbij mogen gaan aan de conclusies uit het B-onderdeel in het iMMO-rapport. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 waarin, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, is geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie is gebaseerd op een op eiser toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak van eiser een vergelijkbare situatie aan de orde is en dat ook in dit geval het antwoord op de B-vraag niet voldoende is toegespitst op de individuele situatie van eiser. Hoewel het iMMO beschrijft welke medische klachten eiser had tijdens de gehoren, heeft de minister in zijn besluit mogen betrekken dat het iMMO-rapport niet inzichtelijk maakt waarom en hoe de psychische klachten die volgen uit het FMMU-onderzoek en het GZA-dossier, hebben geïnterfereerd met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te verklaren. Ook wordt niet uitgelegd op basis van welke aanwijzingen dit is vastgesteld. Het rapport vermeldt immers enkel de klachten die eiser zelf bij de FMMU heeft aangegeven en dat is niet hetzelfde als een diagnose. Niet blijkt hoe de klachten zijn geduid en evenmin blijkt dat door een medisch deskundige psychische problematiek is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook kunnen concluderen dat dit geen objectieve aanwijzing vormt dat eisers medische gesteldheid hem daadwerkelijk heeft belemmerd in zijn vermogen om te verklaren. Ditzelfde geldt voor de psychische klachten die zijn geconstateerd uit de gehoorverslagen. Ook daaruit komen klachten naar voren, maar dat is eveneens niet hetzelfde als een objectieve medische vaststelling van psychische problematiek (geen diagnose gesteld). Verder heeft de minister kunnen concluderen dat uit het nader gehoor tevens blijkt dat eiser uitleg heeft gekregen over wat er van hem verwacht werd, maar dat hij zelf dacht dat een globaal verhaal voldoende zou zijn. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve aanwijzing dat de medische gesteldheid van eiser hem daadwerkelijk heeft belemmerd in zijn vermogen om te verklaren. Voorts heeft eiser verklaard dat er geen wezenlijk verschil was tussen de gehoren bij de IND en de gesprekken bij het iMMO, behalve dat er voorafgaand aan de gesprekken bij het iMMO een langere aanloop was waardoor eiser zijn emoties beter kon controleren. Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de conclusie uit het iMMO-rapport, dat de psychische problematiek van eiser tijdens het gehoor zeker heeft geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, onvoldoende inzichtelijk is. Voorts heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in de reactie van het iMMO van 26 mei 2025 geen aanleiding hoeven zien om tot een andere conclusie te komen. In deze brief wordt namelijk niet onderbouwd waarom de minister toch had moeten uitgaan van de conclusies uit het iMMO rapport voor wat betreft de B-onderdeel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijf. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.