[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Loth)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 juni 2026. Met dat besluit heeft verweerder de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland in het kader van de Dublinverordening tot achttien maanden verlengd.1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.2. Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.31971) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.
Heeft eiser nog procesbelang?
3. Verweerder heeft in het besluit van 1 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ook heeft verweerder in het briefverweer van 22 juli 2026 laten weten dat eiser zich sindsdien niet meer heeft gemeld, waardoor de verblijfplaats van eiser nog steeds onbekend is. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 22 juli 2026 op gereageerd.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.
Gelet op deze rechtspraak en het feit dat de gemachtigde van eiser op
22 juli 2026 de rechtbank heeft laten weten niet meer in contact te staan met eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.