[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan geeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiser is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Eerdere aanvragen
3. Eiser heeft drie keer eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Eiser heeft op 20 november 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarna heeft eiser op 17 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Op 9 mei 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvragen hebben niet tot een verblijfsvergunning geleid.
Huidige procedure
4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiser heeft op 28 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Eiser wenst verblijf bij de minderjarige kinderen van zijn (gestelde) partner. Op het moment van de aanvraag bevond eiser zich in vreemdelingenbewaring.
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook is volgens verweerder niet gebleken dat eiser de biologische of juridische ouder is van de kinderen. Eiser heeft daarbij niet aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht ten behoeve van de kinderen. Verweerder concludeert ook dat niet is gebleken dat de kinderen zo afhankelijk zijn van eiser dat zij gedwongen zijn om Nederland met eiser te verlaten als er geen verblijfsdocument aan eiser wordt verleend. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen familie- of gezinsleven tussen eiser en de kinderen is. Ook kan niet worden aangenomen dat eiser privéleven heeft opgebouwd. Daardoor is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met het recht op uitoefening van het familie- en gezinsleven, en het privéleven van eiser in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser voert in beroep aan dat verweerder voorbij gaat aan de kern van het arrest Chavez-Vilchez, omdat ook een niet-biologische ouder van een Nederlands kind op basis van dat arrest een verblijfsvergunning kan krijgen. Eiser zorgt al jaren samen met zijn partner voor de kinderen. Eén van de kinderen, [minderjarige], heeft de Nederlandse nationaliteit. Er is ook sprake van een duurzame opvoedrelatie, ook al is eiser biologisch of juridisch gezien niet de vader van de kinderen. Daarnaast is er sprake van schrijnende persoonlijke omstandigheden, de partner van eiser is namelijk overbelast en afhankelijk van eiser bij de zorg voor de kinderen. Daarbij zou [minderjarige] bij uitzetting van eiser ofwel zonder een van haar ouders in Nederland blijven, ofwel het land moeten verlaten. Dit is in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Verder heeft verweerder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel geschonden. Verweerder heeft namelijk nagelaten onderzoek te doen naar de feitelijke situatie van eiser. Ook heeft verweerder het feit genegeerd dat eerdere post retour is gekomen, terwijl eiser met zijn gemachtigde contact heeft gehouden. Tot slot heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiser.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
8. Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat als een ouder die onderdaan is van een derde land een minderjarig kind heeft dat EU-burger is, die ouder een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Het beleid dat relevant is voor de beoordeling van eisers aanvraag is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc, die gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. In dit beleid staat onder meer:
‘Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;
b. de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;
c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
De IND kan niet vaststellen dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als de vreemdeling onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.’
Identiteit en nationaliteit
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat eiser geen paspoort of andere officiële documenten van de Sierra Leoonse overheid heeft toegestuurd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Eiser heeft dit in beroep ook niet weersproken. Eiser voldoet daarom niet aan voorwaarde a van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Hoewel verweerder de aanvraag alleen op basis hiervan al had mogen afwijzen, beoordeelt de rechtbank hierna ter volledigheid ook de overige voorwaarden.
Ouder van een Nederlands minderjarig kind
10. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de biologische of juridische ouder is van de kinderen, waardoor hij niet aan voorwaarde b van paragraaf B10/2.2 van de Vc voldoet. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat slechts één van de kinderen de Nederlandse nationaliteit heeft.
Zorg- en opvoedingstaken
11. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedtaken verricht. Daarom voldoet eiser niet aan voorwaarde c van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Verweerder heeft daarbij er op kunnen wijzen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij samenwoont met zijn (gestelde) partner en de kinderen.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het inderdaad, zoals eiser stelt, mogelijk is voor niet-biologische ouders om verblijf te ontlenen aan artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez, maar dat eiser zijn stelling niet nader onderbouwd heeft. Zoals hiervoor in r.o. 11 is overwogen heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende is gebleken dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. In de verklaring van de kinderopvang waarin weliswaar staat dat eiser de kinderen mag ophalen en dat ook een aantal keer heeft gedaan, maar verweerder heeft mogen concluderen dat dit de aard, intensiteit en duur van de opvoedrelatie niet aantoont. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser de stelling, dat zijn partner overbelast is en afhankelijk is van zijn steun bij de zorg van de kinderen, niet heeft onderbouwd.
Zodanige afhankelijkheidsverhouding
12. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de kinderen zodanig afhankelijk van eiser zijn dat zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, indien aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser voldoet dan ook niet aan voorwaarde d van paragraaf B10/2.2 van de Vc. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de kinderen in hun lichamelijke of emotionele ontwikkeling worden bedreigd als het gevraagde verblijfsdocument niet wordt gegeven. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat eiser ook niet nader heeft onderbouwd waarom de kinderen in hun belangen zouden worden geschaad in het kader van het IVRK.
Artikel 8 van het EVRM
13. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen eiser en de kinderen, en tussen eiser en de (gestelde) partner. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de juridische of biologische ouder is van de kinderen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zorgtaken voor hen verricht en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen zo afhankelijk van eiser zijn dat zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsdocument krijgt. Verweerder heeft dus mogen concluderen dat de afwijzing van de aanvraag van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Hoorplicht
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft ook per brief van 29 mei 2024 om aanvullende informatie verzocht, eiser heeft hier niet op gereageerd. Eiser is ook in de bezwaarfase voldoende in de gelegenheid gesteld om (aanvullende) informatie te verstrekken en stukken te overleggen. Van deze gelegenheid heeft eiser onvoldoende gebruik gemaakt. Verweerder heeft op grond van wat er naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
Nader onderzoek
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook geen nader onderzoek hoeft te doen naar de feitelijke situatie van eiser, omdat eiser zijn beroepsgronden niet nader met stukken heeft onderbouwd. Eiser heeft in de bezwaar- en beroepsprocedure de mogelijkheid gehad om zijn standpunt met stukken te onderbouwen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Uit de stelling van eiser dat de post eerder retour is gekomen, blijkt dan ook niet dat eiser in zijn belangen is geschaad.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft dus in stand.
17. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
18. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.