[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder.
Inleiding
1. In het bestreden besluit van 17 januari 2025 heeft het COa besloten om alle verstrekkingen van eiser vanaf die datum gedurende vier weken in te houden (hierna: het bestreden besluit). Dat houdt voor eiser in dat er € 14,87 per week aan leefgeld wordt ingehouden.
Eiser heeft op 3 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 30 september 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 7 april 2026 ingetrokken en heeft daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft de rechtbank op 8 april 2026 meegedeeld dat hij zich verzet tegen een proceskostenveroordeling.
De rechtbank heeft een zitting belegd op 9 april 2026. Eiser heeft de rechtbank bij de intrekking van het beroep verzocht om uitspraak te doen zonder zitting. Verweerder heeft op 9 april 2026 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een schriftelijke afdoening van de zaak. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Partijen zijn het erover eens dat het bestreden besluit onrechtmatig was. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser op 4 februari 2025 bericht dat het leefgeld van eiser, dat op dat moment twee weken niet was uitbetaald, alsnog uitbetaald zou worden en dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. Verweerder heeft het leefgeld vervolgens ook naar eiser overgemaakt, hiervan is bewijs overgelegd. De gemachtigde van eiser heeft onder verwijzing naar de mailwisseling het beroep ingetrokken.
Partijen zijn in deze procedure alleen in geschil over de vraag of verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat verweerder zijn proceskosten moet vergoeden, omdat verweerder hangende het beroep aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen. Verweerder is pas aan de bezwaren tegemoet gekomen, nadat eiser al op 3 februari 2026 het beroepschrift heeft ingediend.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen proceskostenvergoeding verschuldigd is. Volgens verweerder ontbreekt er een causaal verband, omdat het niet-handhaven van het besluit door verweerder niet het gevolg is van eisers beroep. Verweerder heeft het besluit namelijk niet gehandhaafd als gevolg van een verzoek daartoe van eiser dat op 3 februari 2025 per e-mail aan verweerder is gestuurd. Daarbij heeft verweerder het beroepschrift van eiser pas na 4 februari 2025 ontvangen. Eiser mocht van de medewerking van verweerder uitgaan en had niet meteen beroep moeten instellen, maar dit op een laagdrempelige manier met verweerder samen moeten afhandelen. Volgens verweerder heeft eiser het beroepschrift ingesteld na de schriftelijke toezegging door verweerder op 4 februari 2025 om het besluit niet te handhaven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank overweegt dat van belang is of het beroep is ingesteld voordat het besluit is ingetrokken en niet – zoals verweerder betoogt - of het besluit is ingetrokken als gevolg van het instellen van beroep.
Verweerder heeft niet al voor het instellen van beroep door eiser op 3 februari 2025 te kennen gegeven het beroep te zullen intrekken, laat staan het besluit ingetrokken. Niet in geschil is dat het besluit onrechtmatig was. Eiser heeft hiertegen het geëigende - in de rechtsmiddelenclausule onder het besluit staande - rechtsmiddel aangewend en was niet gehouden eerst bij verweerder na te gaan of verweerder bereid was het besluit in te trekken. Onder deze omstandigheden is er geen reden om verweerder niet in de proceskosten te veroordelen.
Conclusie en gevolgen
6. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, dat punt heeft de waarde van € 934,- en daarop wordt wegingsfactor 1 toegepast).
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.