ECLI:NL:RBDHA:2026:23611

ECLI:NL:RBDHA:2026:23611

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer AWB 25/6228
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Reguliere verblijfsvergunning; Chavez-Vilchez; paragraaf B10/2.2 Vc; artikel 8 Vw; zorg- en opvoedtaken niet aangetoond; niet zodanige afhankelijkheidsverhouding dat kinderen het grondgebied van de EU moeten verlaten; artikel 3 IVRK; afwijzing aanvraag niet in strijd met familie- en gezinsleven; hoorplicht niet geschonden; beroep is ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Tsitsouashivili),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Ook de minderjarige zoon en zijn moeder, mevrouw [naam] (de ex-partner van eiser) waren aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1968 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser heeft op 8 augustus 2023 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. Eiser wenst verblijf bij zijn twee minderjarige kinderen in Nederland.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen en de afwijzing in bezwaar gehandhaafd, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Eiser heeft niet aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor zijn kinderen verricht en ook niet dat zijn kinderen zodanig afhankelijk van hem zijn dat zij de Europese Unie zouden moeten verlaten als eiser geen verblijf wordt toegestaan. Daarnaast is er volgens verweerder geen strijd met het recht op uitoefening van het familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als eisers aanvraag wordt afgewezen. Verweerder heeft eiser ook niet hoeven horen. Er is ook geen aanleiding om af te wijken van de beleidsregels, op basis van artikel 4:84 van de Awb, en eisers aanvraag alsnog in te willigen.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert het volgende aan. Het mag eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet in Nederland werkt omdat van hem niet mag worden verwacht dat hij een goedbetaalde baan in Ghana opgeeft zonder zekerheid op een verblijfsvergunning in Nederland. In Ghana heeft eiser een goed en stabiel inkomen waarmee hij zijn kinderen onderhoudt. Het mag eiser ook niet worden tegengeworpen dat hij zijn aanvraag niet eerder heeft gedaan; hij wist immers niet eerder wat juridisch gezien tot zijn mogelijkheden behoorde. Ook mag het eiser niet worden tegengeworpen dat hij geen bewijsstukken van zijn financiële ondersteuning kan overleggen; de verklaring van de moeder van de kinderen moet voldoende zijn. Dat eiser geen foto’s heeft waarop te zien is dat hij zorgtaken uitvoert, mag niet worden tegengeworpen omdat daar nou eenmaal geen foto’s van zijn genomen. Eiser acht de kans groot dat hij zijn kinderen zal meenemen naar Ghana als hij geen verblijfsvergunning krijgt, omdat de moeder van de kinderen niet alleen voor haar vier kinderen kan zorgen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het belang van het kind. Het weigeren van de vergunning is in strijd met artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder onvoldoende feitenonderzoek gedaan; er is geen huisbezoek gedaan, er is geen gesprek gevoerd met eiser of met de moeder van de kinderen en de overgelegde verklaringen zijn niet serieus gewogen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wettelijk kader

6. Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat als een ouder die onderdaan is van een derde land een minderjarig kind heeft dat EU-burger is, die ouder een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Het beleid dat relevant is voor de beoordeling van eisers aanvraag is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc, die gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. In dit beleid staat onder meer:

‘Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;

b. de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;

c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en

d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

De IND kan niet vaststellen dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als de vreemdeling onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.’

Chavez-aanvraag

7. Allereerst zijn partijen het erover eens dat eiser aan de voorwaarden a en b van paragraaf B10/2.2. Vc voldoet. Hij heeft zijn identiteit en nationaliteit aangetoond en hij is de ouder is van twee minderjarige Nederlandse kinderen. Verweerder betwist ook niet dat eiser een rol speelt in het leven van zijn kinderen, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat dit niet voldoende is.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor zijn kinderen verricht. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de rol die eiser speelt bij de verzorging en opvoeding van zijn kinderen te klein is om als daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken in de zin van paragraaf B10/2.2, aanhef en onder c, van de Vc te gelden. Verweerder heeft mogen aannemen dat de andere ouder de daadwerkelijke en dagelijkse zorgtaken voor hun kinderen verricht. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat eiser hoofdzakelijk in Ghana verblijft. Eiser heeft dat zelf verklaard. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij zorgtaken verricht als hij in Nederland is, omdat eiser dit niet met aanvullende (objectieve) documenten heeft aangetoond. Verweerder heeft ook de overgelegde verklaringen van eiser en de andere ouder onvoldoende mogen vinden om de aanvraag te onderbouwen, omdat dit subjectieve verklaringen zijn. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat de overgelegde schermafbeeldingen van gesprekken en de foto’s niet aantonen welke zorg- en opvoedtaken eiser verricht. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat eiser naast het ontbreken van foto’s van de zorgtaken, wat daar ook van zij, ook niet met andere documenten heeft aangetoond dat hij zorgtaken verricht. Verweerder heeft de verklaringen van school en ouders van andere leerlingen namelijk onvoldoende mogen vinden. Daarnaast heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat hij zijn kinderen financieel steunt; de verklaring van eiser en zijn partner zijn subjectief en dus onvoldoende bewijs. De stelling van eiser dat hij niet in Nederland mocht werken, heeft verweerder niet hoeven volgen. Verweerder mocht er op wijzen dat eiser tijdens zijn procedure, en dus al sinds 8 augustus 2023, recht heeft om in Nederland te wonen en te werken. Verweerder heeft daar ook bij mogen betrekken dat eiser al eerder een aanvraag kon indienen in Nederland. In het feit dat eiser zijn baan in Ghana niet heeft willen opgeven, heeft verweerder geen reden hoeven zien om aan te nemen dat eiser om die reden niet kan aantonen dat hij zorgtaken heeft verricht.

Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat zijn kinderen het grondgebied van de Europese Unie moeten verlaten als eiser geen verblijfsvergunning krijgt, in de zin van paragraaf B10/2.2, aanhef en onder d, van de Vc. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kans groot is dat hij zijn kinderen mee zal nemen naar Ghana als aan hem geen verblijfsvergunning wordt verstrekt. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat de verklaring van eiser dat zijn kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd en hij daarom een aanvraag heeft ingediend, niet met nadere stukken is onderbouwd. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser de stelling, dat de moeder de zorg voor de kinderen niet alleen aankan, niet heeft onderbouwd en dat bovendien niet zonder meer een reden kan zijn om aan te nemen dat de kinderen dus afhankelijk zijn van eiser.

Artikel 3 van het IVRK

9. In het primaire besluit heeft verweerder de belangen van de kinderen kenbaar meegewogen. Eiser stelling in beroep dat verweerder dat onvoldoende heeft gedaan, wordt, gelet op het hiervoor onder 8. en 8.1. overwogene, niet gevolgd.

Artikel 8 van het EVRM

10. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de afwijzing van eisers aanvraag niet in strijd is met het recht op gezins- en familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft mogen concluderen dat eiser gezinsleven heeft met zijn kinderen, maar dat de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. Verweerder heeft in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat eiser maar in beperkte mate invulling geeft aan zijn gezinsleven met zijn kinderen, zoals hiervoor in r.o. 8 is overwogen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend, zoals de afgelopen jaren ook is gedaan, en verweerder heeft er op kunnen wijzen dat niet is gebleken dat dat niet meer mogelijk is. Eiser heeft in beroep ook niet nader onderbouwd waarom de weigering van zijn aanvraag een schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Hoorplicht

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Op 28 maart 2024 heeft verweerder eiser verzocht om zijn aanvraag nader aan te vullen met bewijsstukken, eiser heeft daarop op 15 mei 2024 en 24 mei 2024 gereageerd. Eiser is vervolgens in de bezwaarfase voldoende in de gelegenheid gesteld om (aanvullende) informatie te verstrekken en stukken te overleggen. Van deze gelegenheid heeft eiser onvoldoende gebruik gemaakt en eiser heeft ook geen nieuwe stukken aangekondigd. Daarbij wegen de schriftelijke verklaringen van eiser en de andere ouder niet op tegen het ontbreken van objectief bewijs. Verweerder heeft op grond van wat er naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft dus in stand.

13. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M.A. Vinken

Griffier

  • mr. L.W.H. Schippers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand