Alimentatie
Beschikking op het op 19 augustus 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Hoogeveen in Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.E. Nauta-Rijsdijk in [gemeente].
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 17 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat.
Feiten
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, althans een andere datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, betaalt ter zake de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 196,- per maand, althans een ander bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, bij vooruitbetaling verschuldigd, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man bespreken.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Niet in geschil tussen partijen is dat de man in een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject zit en € 80,- per week aan leefgeld ontvangt. De man stelt dat hij vanwege zijn schulden geen kinderalimentatie kan betalen voor [minderjarige]. De vrouw heeft op de zitting aangevoerd dat de man inmiddels al bijna achttien maanden in het schuldhulpverleningstraject zit en daarom bijna klaar zou moeten zijn met het traject. Op basis van de uitkering en studiefinanciering die de man ontvangt zou de man volgens de vrouw in ieder geval met ingang van 1 juli 2026 voldoende draagkracht moeten hebben om € 25,- per maand aan kinderalimentatie te voldoen.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat de man bijna klaar is met zijn schuldhulpverleningstraject niet met stukken onderbouwd. De rechtbank gaat hierom, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, aan de stelling van de vrouw voorbij. De man heeft met brieven en e-mails van de gemeente [gemeente] en financiële stukken over zijn afloscapaciteit en leefgeld voldoende onderbouwd dat hij geen enkele ruimte heeft om op dit moment bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat de man omgang heeft met [minderjarige] en dat hij zo kosten maakt voor en bijdraagt aan de verzorging van [minderjarige]. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man geen draagkracht heeft om een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vrouw af.