ECLI:NL:RBDHA:2026:23622

ECLI:NL:RBDHA:2026:23622

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 22-08-2026
Zaaknummer C/09/690656 / FA RK 25-6453
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Raadsonderzoek gelast. Voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie.

Uitspraak

Gezagsuitoefening en kinderalimentatie

Beschikking op het op 25 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. Y.E. Palit in Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Hoogeveen in Gouda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening over de verzoeken te geven. [minderjarige 1] heeft in een gesprek met de rechter haar mening over de verzoeken gegeven. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Op 17 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en tolk H. Ibnolfaqir en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2015;

- [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2017;

- [minderjarige 3], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] 2020.

- is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- is geen kinderalimentatie vastgesteld;

- is de inhoud van het door partijen op 29 juli 2021 ondertekende echtscheidingsconvenant opgenomen, tevens houdende een ouderschapsplan, , waarin, voor zover hier van belang:

 is bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;

 de volgende zorgregeling voor de kinderen is afgesproken:

 maandag: vader;

 dinsdag: vader;

 woensdag vader; 16.00 uur brengt vader de kinderen naar moeder;

 donderdag: moeder;

 vrijdag: moeder;

 zaterdag: moeder;

 zondag: om en om;

 de vakanties en de feestdagen van de kinderen zullen in onderling overleg worden verdeeld;

 tijdens schoolvakanties zijn de kinderen overdag bij hun moeder en slapen daar ook;

 tijdens de zomervakantie verblijven de kinderen in principe bij elke ouder drie weken aansluitend.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank – na wijziging – :

- herfstvakantie: weekend in de vakantie van vrijdagmiddag tot zondag 18:30 uur bij de vader zijn;

- kerstvakantie:

 even jaren: eerste week bij de moeder en tweede week bij de vader zijn;

 oneven jaren: eerste week bij de vader en tweede week bij de moeder zijn;

- voorjaarsvakantie: weekend in de vakantie van vrijdagmiddag tot zondag 18:30 uur bij de vader zijn;

- meivakantie:

 even jaren: eerste week bij de moeder en tweede week bij de vader zijn;

 oneven jaren: eerste week bij de vader en tweede week bij de moeder zijn;

- zomervakantie: een week bij de vader zijn;

- feest- in studiedagen bij helfte in onderling overleg worden verdeeld;

met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:

- primair te bepalen dat de kinderen wekelijks van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 18.30 bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag brengt en de vader de kinderen op zondag brengt;

subsidiair te bepalen dat de kinderen de weekenden in de even weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen op vrijdag brengt en de vader de kinderen op zondag brengt;

- feestdagen, schoolvakanties en studiedagen te verdelen waarbij de kinderen:

- voorjaarsvakantie:

 bij moeder zijn van zondag 18.30 tot en met woensdag 15.30 uur;

 bij vader van woensdag tot en met vrijdag 17.00 uur;

- meivakantie:

 één week waarin alle kinderen vrij zijn bij de vader zijn, voor de jaarlijkse vakantie naar [plaats 2] van zondag 18.30 uur tot zaterdag om 16.00 uur;

 de overige tijd bij de moeder zijn;

- zomervakantie:

 eerste drie weken bij vader zijn met wissel op zaterdag om 16.00 uur en videobellen in die weken iedere woensdag met de moeder;

 tweede drie weken bij de moeder zijn vanaf zaterdag 16.00 uur en videobellen in die weken iedere woensdag met de vader;

- herfstvakantie:

 bij de moeder zijn van zondag 18.30 uur tot en met woensdag 15.30 uur;

 bij de vader zijn van woensdag tot en met vrijdag 17.00 uur;

- kerstvakantie:

 eerste week bij de vader zijn met overdracht op zaterdag om 16.00 uur;

 tweede week bij de moeder zijn vanaf zaterdag om 16.00 uur;

- het eerste en laatste weekend van de vakantie volgens de reguliere zorgregeling bij de betreffende ouder zijn;

- het Suiker- en Offerfeest van 14.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zijn, waarbij de moeder brengt en de vader terugbrengt;

- Nederlandse feestdagen bij de ouder zijn bij wie ze volgens de reguliere zorgregeling (of vakantieregeling als het in vakantie valt) verblijven;

- studiedagen worden in overleg bij helfte verdeeld.

Beoordeling

Zorgregeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.

Ontvankelijkheid

De rechtbank is gebleken dat na voormelde vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de omstandigheden zijn gewijzigd. De zorgregeling zoals deze is afgesproken in het ouderschapsplan wordt niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de zorgregeling te wijzigen en zal de moeder ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder stelt dat de omgang tussen de vader en de kinderen niet goed gaat. De moeder is een periode ziek geweest waarna ze heeft moeten revalideren. In die periode hebben de kinderen bij de vader gewoond. Er waren toen al signalen dat het niet goed ging. Op 14 maart 2024 heeft een jeugdbeschermingstafel plaatsgevonden over de situatie van de kinderen bij de vader. Besloten is dat de kinderen binnen twee maanden terug naar de moeder moesten, ook al was ze nog niet volledig hersteld. Er is toen afgesproken dat de kinderen ieder weekend naar de vader zouden gaan, zodat de moeder in het weekend fysiek kon herstellen. Er is vervolgens nog een Veilig Thuis melding gedaan door de jeugdregisseur en naar aanleiding daarvan heeft de Raad onderzoek gedaan. De moeder stelt dat de conclusie van dit onderzoek was dat de vader specifiek hulp moet krijgen bij hoe hij met [minderjarige 1] om kan gaan en hoe hij structuur en rust aan kan brengen voor alle drie de kinderen. Hiervoor wordt een gezinscoach van [zorginstantie 2] ingezet. [zorginstantie 2] is inmiddels al enige tijd betrokken bij het gezin en is tot de conclusie gekomen dat het niet goed is voor de kinderen om langer dan twee dagen bij de vader te zijn. Gelet op het bovenstaande stelt de moeder dat er op dit moment te veel zorgen en contra-indicaties zijn voor het uitbreiden van de zorgregeling en verzoekt zij om een omgangsregeling van -kort samengevat- eens in de twee weken van vrijdag na schoolt tot zondagavond.

De vader stelt dat de kinderen sinds kort van de moeder eens in de twee weken een weekend bij de vader mogen zijn. De moeder zou de kinderen het andere weekend naar een zorgboerderij laten gaan. Hiervoor waren de kinderen elk weekend van vrijdag uit school tot zondagavond na het eten bij de vader. De moeder heeft niet met de vader overlegd over de voorgenoemde wijziging. De vader wil dat de kinderen elk weekend bij hem zijn. Volgens de vader loopt de vakantie- en feestdagenregeling goed. Hij wil graag voor het Offer- en Suikerfeest vaste afspraken vastleggen.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Er is al jarenlang grote onrust in het gezin en dit heeft zijn weerslag op de kinderen. Op de zitting is gebleken dat de door de Veilig Thuis verzochte jeugdbeschermingstafel niet is doorgegaan omdat de jeugdbescherming in het vrijwillig kader heeft aangegeven de regie te willen voeren over de hulpverlening in het gezin en een experttafel te willen beleggen. Gelet op de complexiteit van de situatie zal de rechtbank de Raad, zoals ook door de Raad zelf is geadviseerd, verzoeken om een aanvullend raadsonderzoek te doen naar de vraag welke zorgregeling tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen is en om de rechtbank hierover te adviseren. De rechtbank verwacht dat de Raad de ouders en alle betrokken hulpverlening rondom de ouders en de kinderen bij dit onderzoek zal betrekken.

De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek de procedure aanhouden tot 1 november 2026 pro forma, zoals nader vermeld in het dictum van deze beschikking.

De rechtbank zal in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen vaststellen. De rechtbank hoopt dat dit de ouders en de kinderen de duidelijkheid zal geven die zij nodig hebben. Gelet op de stukken en het kindgesprek concludeert de rechtbank dat er grote weerstand bij [minderjarige 1] is om langere periodes bij de vader te zijn. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige 1] dat zij eens in de twee weken van vrijdag uit school tot zaterdagavond bij de vader zal verblijven. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zullen voorlopig eens in de twee weken het gehele weekend bij de vader verblijven.

Wat betreft de vakantie- en feestdagen regeling is op de zitting gebleken dat de ouders zelf afspraken over de zomervakantie hebben gemaakt. De rechtbank acht de ouders in staat om ook zelf afspraken over de herfstvakantie te maken. Een verdere definitieve vakantie- en feestdagenregeling zal in afwachting van het raadsonderzoek worden aangehouden.

Vervangende toestemming [zorginstantie 1]

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (één van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is niet gelukt om tot een vergelijk tussen de ouders te komen, zodat de rechtbank een zodanige beslissing zal nemen als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder stelt dat [minderjarige 1] sinds januari 2022 aangemeld is bij [zorginstantie 1], naar de rechtbank begrijpt een gespecialiseerde organisatie voor de begeleiding van hoogbegaafde kinderen. [minderjarige 3] is eind augustus 2025 aangemeld bij [zorginstantie 1]. De vader heeft op 13 januari 2026 zijn toestemming voor de inschrijving bij [zorginstantie 1] ingetrokken na een overleg tussen hem en [zorginstantie 1]. Dit overleg werd door [zorginstantie 1] als grimmig en onveilig omschreven. Volgens de moeder hebben de kinderen moeite met school nu de begeleiding van [zorginstantie 1] is gestopt. Het is volgens haar in het belang van de kinderen om volgend schooljaar door te gaan met [zorginstantie 1].

De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat er binnenkort tijdens een experttafel zal worden bekeken wat de kinderen nodig hebben en welke beslissingen daarvoor genomen moeten worden. De rechtbank acht het van belang dat bij deze experttafel wordt vastgesteld welke hulpverlening het meest in het belang van de kinderen is. De rechtbank zal hier niet op vooruitlopen door nu vervangende toestemming tee geven voor de inschrijving bij [zorginstantie 1]. Het verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.

Kinderalimentatie

Op de zitting heeft de moeder haar verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie aangepast. De moeder verzoekt nu in plaats van € 200,- per maand per kind, een door de vader te betalen bedrag van € 157,- per maand per kind.

De rechtbank zal in afwachting van het raadsonderzoek en de definitieve zorgregeling een voorlopige kinderalimentatie vaststellen, nu de hoogte van de kinderalimentatie kan veranderen vanwege de uiteindelijk toe te passen zorgkorting.

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking, omdat de rechtbank het gezien de financiële situatie van de vader niet redelijk acht de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen.

Behoefte

Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Voor het bepalen van de behoefte van een kind wordt in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders ten tijde van hun uiteengaan bepaald. De ouders zijn uit elkaar gegaan eind 2021.

De rechtbank overweegt dat stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, in beginsel invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven.

Zoals door de vader op de zitting is aangegeven is zijn inkomen op dit moment hoger dan het NBGI op het moment dat partijen uit elkaar gingen. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbare inkomen (NBI) van de vader het voormalig NBGI overstijgt, zodat de rechtbank de behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de hand van het huidige NBI van de vader zal vaststellen. De rechtbank gaat daarbij uit van het gemiddelde van de drie de door de vader overgelegde loonstroken van januari, februari en maart 2026, te weten € 2.324,- per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de gemiddelde pensioenpremie van € 77,- per maand en de gemiddelde aanvullende pensioenpremie (PAWW) van € 2,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 2.269,- per maand. Op basis hiervan hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 645,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 619,- per maand voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], te weten € 207,- per maand per kind.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

Draagkracht moeder

De rechtbank gaat aan de zijde van de moeder uit van een WIA-uitkering van € 1.644,- per maand, inclusief Toeslagenwet, zoals blijkt uit de UWV-specificaties van februari t/m april 2026. Partijen zijn het hierover eens.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 2.246,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.246 – (0,3 x 2.246 + 1.365)] = € 145,- per maand.

Draagkracht vader

Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank, net als bij de berekening van de behoefte, uit van een gemiddeld inkomen € 2.324,- per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de gemiddelde pensioenpremie van € 77,- per maand en de gemiddelde aanvullende pensioenpremie (PAWW) van € 2,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 2.269,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De vader voert een draagkrachtverweer en stelt dat er bij zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met aflossingen die de vader maandelijks op zijn schulden doet. De vader stelt dat hij maandelijks € 100,- aan de heer [naam 2] aflost voor een lening en € 55,- aan de [gemeente] voor herinrichtingskosten. Wanneer de vader zijn schuld aan de heer [naam 2] heeft afgelost zal hij gaan aflossen op een schuld aan opa vaderszijde. De moeder betwist dat de vader aflost op deze schulden. Met betrekking tot de schuld aan opa vaderszijde voert de moeder aan dat dit een huwelijkse schuld is en dat partijen bij hun scheiding een convenant zijn overeengekomen waarbij de draagplicht van hun schulden is verdeeld. De moeder heeft inmiddels haar huwelijkse schulden afgelost. Ze is van mening dat het verwijtbaar is dat de vader zijn huwelijkse schulden nog niet heeft afgelost. De moeder verzoekt de rechtbank daarom geen rekening te houden met deze schuld. Met betrekking tot de schuld aan de heer [naam 2] geeft de moeder aan dat dit een na huwelijkse schuld is. Ze verzoekt de rechtbank ook met deze schuld geen rekening houden.

De rechtbank overweegt als volgt. De schuld aan de heer [naam 2] zal niet worden meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat de vader zijn stelling dat hiermee rekening gehouden moet worden, mede gelet op de betwisting door de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. Ook de schuld aan de opa vaderszijde zal niet worden meegenomen. Naar oordeel van de rechtbank heeft de vader onvoldoende gesteld dat het niet vermijdbaar was dat deze schuld nu nog niet is afgelost. De rechtbank zal wel rekening houden met de schuld van de man aan de [gemeente]. Vast is komen te staan dat de [gemeente] een lening aan de vader heeft verstrekt voor herinrichtingskosten en dat de vader hierop aflost. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat dit een noodzakelijke schuld is.

Rekening gehouden met het bovenstaande bedraagt de draagkracht van de vader volgens de formule € 118,- in de maand, te weten 70% x [2.269 – (0,3 x 2.269 + € 1.365 + 55)].

Zorgkorting

Op de door de vader te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 25% voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] en een zorgkorting van 15% voor [minderjarige 1].

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 145,- + € 118,- =) € 263,- per maand ten opzichte van een totale behoefte van de kinderen van € 619,- per maand. Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vader. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 15 juli 2026, voorlopig een kinderalimentatie zal betalen van € 118,- per maand, te weten € 39,- per maand per kind, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2017, en [minderjarige 3], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] 2020, voorlopig bij de vader zijn eens in de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur, waarbij de vader de kinderen naar de moeder toe brengt;

*

bepaalt dat [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2015, voorlopig bij de vader is eens in de twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag 18.30 uur, waarbij de moeder in principe [minderjarige 1] bij de vader ophaalt;

*

bepaalt de door de vader met ingang van deze beschikking, te weten 15 juli 2026, voorlopig te betalen alimentatie voor [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] op € 39,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

*

wijst het verzoek van de moeder om aan de moeder vervangende toestemming te verlenen – ter vervanging van de toestemming van de vader – voor het aanmelden van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] bij [zorginstantie 1] af;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

houdt de behandeling aan tot 1 november 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht

aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

houdt iedere verdere definitieve beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie aan.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.F. Baaij

Griffier

  • mr. C.A.E. de Koning

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand