Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 3 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.H.J.M. van Hoof te Laren.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.C. Post te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het betekeningsexploot van 16 januari 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 6 maart 2025 van de advocaat van de man;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het verweerschrift van 22 mei 2025 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 12 juni 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het verzoekschrift met gewijzigde verzoeken van 12 juni 2026 van de advocaat van
de man.
Op 24 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op de zitting zijn door de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan op [dag] 2022 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
- Bij beschikking van 10 februari 2025 van deze rechtbank zijn alle verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft – na aanvulling en wijziging – verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
- - - te bepalen dat de volgende onbegeleide zorgregeling voor [minderjarige] wordt vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft wekelijks van donderdagmiddag 17.00 uur tot maandagochtend (naar de opvang) bij de vrouw, waarbij de man [minderjarige] wekelijks op donderdagmiddag om 17.00 uur naar (de woning van) de vrouw brengt;
- [minderjarige] verblijft wekelijks van maandagochtend uit de opvang tot en met donderdagmiddag 17.00 uur bij de man, waarbij de vrouw [minderjarige] wekelijks op maandagochtend naar de opvang brengt. Indien de opvang op maandag gesloten is, brengt de vrouw [minderjarige] wekelijks op maandagochtend om 11.00 uur naar de woning van de man;
- te bepalen dat de vakanties bij helfte worden gedeeld, met dien verstande dat de vrouw in de even jaren de eerste keuze heeft om de vakantieweken te bepalen en de man in de oneven jaren en dat in geval een vakantie één week duurt (of korter) de reguliere zorgregeling zal gelden;
- te bepalen dat voor Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaart, Eerste en Tweede Pinksterdag, Sinterklaasavond, Oudjaarsdag/avond en Nieuwjaarsdag en de verjaardag van [minderjarige] wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling alsmede te bepalen dat voor de overige feestdagen het volgende schema geldt: verjaardag van de vrouw bij de vrouw, verjaardag van de man bij de man, Kerstavond bij de man, Eerste Kerstdag (tot 17.00 uur) bij de man, Eerste Kerstdag (vanaf 17.00 uur) bij de vrouw, Tweede Kerstdag bij de vrouw en Koningsdag wordt afgewisseld (in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man);
subsidiair:
- te bepalen dat met ingang van de datum dat [minderjarige] naar de basisschool gaat én de gezamenlijke woning van partijen te [plaats 2] is verkocht en geleverd aan een derde, de volgende onbegeleide zorgregeling voor [minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige] wekelijks verblijft:
- bij de vrouw van zaterdag 16.00 uur tot woensdag 12.00 uur;
- bij de man van woensdag 12.00 uur tot zaterdag 16.00 uur;
- met bepaling dat de overdracht plaatsvindt bij de woningen van partijen (in [plaats 2] ) en niet langer bij de ijsbaan en het tankstation;
- te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking maandelijks bij
vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 214,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen, althans een kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag per maand dat de rechtbank in goede justitie juist acht;
- de wijze van verdeling van de woning te [adres 1] te gelasten, aldus dat deze wordt verkocht en geleverd aan derden, dat uit de opbrengst daarvan de hypothecaire geldlening bij Munt Hypotheken wordt afgelost en de overwaarde tussen partijen wordt verdeeld rekening houdende met het aan de vrouw toekomende vergoedingsrecht ad € 63.500,- (zie onder punt 89 tot en met 96 van het verweerschrift), alsmede de man te veroordelen daaraan zijn medewerking te verlenen;
- de vrouw aan te stellen als dwangvertegenwoordiger van de man ex artikel 3:300 lid 1 BW, zodat zij namens de man de verkoop van de woning aan de [adres 1] aan derden kan bewerkstellingen, waaronder in ieder geval het verrichten van de volgende rechtshandelingen wordt verstaan:
a. het verstrekken van een opdracht tot verkoop aan het door de vrouw, althans door de rechtbank aan te wijzen makelaarskantoor, bij welke verkoop de door deze makelaar geadviseerde vraag- en verkoopprijs, geschikt voor een zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te verkopen termijn, worden gehanteerd, met betaling uit de koopsom van de hieraan verbonden kosten en van de aflossing van de hypothecaire geldlening bij Munt Hypotheken;
b. opdracht verlenen om al datgene te doen dat nodig is om de woning verkocht te krijgen (maken van foto’s, plattegronden);
c. de man te vertegenwoordigen in het onderhandelingsproces van de verkoop van de woning en het aanvaarden van eventuele biedingen;
d. ondertekenen van de verkoopovereenkomst, mede namens de man;
- te bepalen dat de beschikking in de plaats zal treden (op grond van artikel 3:300 lid 2 BW) van een deel van de leveringsakte en wel de wilsverklaring van de man tot levering van de woning die in de leveringsakte besloten ligt, zodat daarmee de levering van de woning te [adres 1] kan worden bewerkstelligd en daarbij de termijn, genoemd in artikel 3:301 lid 1 sub b, op nihil zal worden vastgesteld;
- enkel voor het geval de verzoeken onder V en VI tot reële executie niet, of slechts op onderdelen kunnen worden toegewezen (voor die resterende onderdelen) te bepalen dat de man zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het gehele verkooptraject van de woning te [adres 1] , waaronder in ieder geval wordt verstaan:
a. het binnen 48 uur na betekening van de beschikking verstrekken van een opdracht tot verkoop van de woning aan het door de vrouw of door de rechtbank aan te wijzen makelaarskantoor, bij welke verkoop de door deze makelaar geadviseerde vraag- en verkoopprijs, geschikt voor verkoop binnen een zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk te verkopen termijn, worden gehanteerd;
b. het daarbij verlenen van opdracht aan de makelaars al datgene te doen wat nodig is om de woning binnen bedoelde termijn verkocht te krijgen (maken van foto’s, plattegronden) en er voor zorg te dragen dat de woning zo snel als mogelijk in de verkoop staat (onder meer via Funda.nl of andere website);
c. de makelaars op hun eerste verzoek steeds toegang te verlenen tot de woning ten behoeve van bezichtigingen met geïnteresseerden;
d. de door de makelaars ingeschakelde fotograaf op hun eerste verzoek toegang te verlenen tot de woning ten behoeve van het maken van foto’s voor de (online) verkoop van de woning;
e. de woning schoon te maken en op te ruimen op eerste aanwijzing van de makelaars ten behoeve van de te nemen foto’s en bezichtigingen met potentiële kopers;
f. de vrouw binnen 24 uur een kopie te verstrekken van ieder contact dat hij met de makelaars onderhoudt (inclusief e-mailberichten die hij aan de makelaars stuurt dan wel van de makelaar ontvangt);
g. het binnen 24 uur na ontvangst van het advies van de makelaars instemmen met de door de makelaars geadviseerde vraagprijs en verkoopprijs;
h. het binnen 24 uur na ontvangst daarvan ondertekenen van de verkoopovereenkomsten en retourneren daarvan aan de makelaars;
i. het binnen 24 uur instemmen met een opleveringsdatum binnen de meergenoemde termijn van twee maanden na de datum van het vonnis;
j. het binnen 24 uur na ontvangst van de concept akte van levering verlenen van goedkeuring aan de betreffende notaris om de akte te kunnen passeren;
k. het uiterlijk op de dag voorafgaand aan de levering van de woning ontruimen van de woningen en ontruimd te houden met al het zijne en de zijnen en de woningen leeg, schoon en opgeruimd achter te laten;
l. het ondertekenen van de akte van levering op de door de betreffende notaris voorgestelde datum, althans het afgeven van een daartoe benodigde machtiging;
m. het instrueren van de notarissen om uit de verkoopopbrengst de makelaarskosten te voldoen, de hypothecaire geldleningen bij Munt Hypotheken volledig af te lossen en de hypotheek door te laten halen in de openbare registers, en het aan ieder van partijen toekomende deel van de resterende koopsom aan hen uit te betalen, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met het aan de vrouw toekomende vergoedingsrecht ter hoogte van € 63.500,-;
onder verbeurte door de man aan de vrouw van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding van de hiervoor opgesomde geboden en voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de man in gebreke blijft te voldoen aan de hiervoor opgesomde geboden, zulks met een maximum van € 100.000,-;
- te bepalen dat de saldi van de gezamenlijke (en/of) bank- en spaarrekeningen van
partijen (genoemd onder punt 86 en 100 van het verweerschrift), bij helfte worden verdeeld per datum van levering van de echtelijke woning te [plaats 2] , met bepaling dat deze bankrekeningen na verkoop en levering van de echtelijke woning te [plaats 2] pas worden opgeheven;
- te bepalen dat de gemeenschappelijke inboedel ter waarde van € 8.000,- volledig
aan de man wordt toegedeeld alsmede de man te veroordelen uit hoofde van deze verdeling binnen zeven dagen na de (tussen)beschikking de vrouw een bedrag van € 4.000,- te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- te bepalen dat de vrouw uiterlijk binnen zeven dagen na de (tussen)beschikking,
onder begeleiding van een neutrale derde, in de gelegenheid wordt gesteld om haar persoonlijke eigendommen uit de echtelijke woning op te halen, te weten: haar volledige financiële administratie, haar 18 zilveren munten, de rood-witte Pinarello wielrenfiets, de ski’s (atomic cloud), skischoenen, witte skihelm (Tenson core), skistokken, de stadsfiets, sinaasappelpers, 5000 series, slowcooker, waterkoker, keukenmixer, melkopschuimer, hybrid suction robot, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de man in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 10.000,-;
- te bepalen dat de afwikkeling uit hoofde van het te verrekenen vermogen op een
nader te bepalen bedrag wordt vastgesteld, rekening houdend met de punten 101 tot en met 123 van het verweerschrift;
- te bepalen dat de man wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na de
(tussen)beschikking de volgende stukken te verstrekken:
- een bewijsstuk waaruit de koopprijs van de auto van de man met kenteken [kenteken] (aangeschaft in november 2024) blijkt, waaronder een bankafschrift;
- volledige, ongeredigeerde exportbestanden van de accounts van de man bij Coinbase, Kraken, Bybit en eventuele andere exchanges van alle transacties en saldi tot de peildatum in CSV/JSON-formaat alsmede alle gekoppelde wallet-adressen en externe adressen waarnaar is verzonden of waarvan is ontvangen;
- een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de man in gebreke blijft;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man – na aanvulling en wijziging – zelfstandig verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
- een zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de vrouw vast te stellen, volgens
welke regeling [minderjarige] bij de vrouw verblijft:
primair:
- in de oneven weken van donderdag 17.00 uur althans uit school tot zondag 17.00 uur;
- in de even weken van donderdag 17.00 uur althans uit school tot vrijdag 17.00 uur;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
- waarbij altijd een van de ouders van de vrouw, althans een derde, aanwezig is;
subsidiair:
- in de oneven weken van donderdag 17.00 uur althans uit school tot zondag 17.00 uur;
- in de even weken van donderdag 17.00 uur althans uit school tot vrijdag 17.00 uur;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;
- te bepalen dat de vrouw ter zake van de kosten van verzorging en opvoeding van
[minderjarige] dient te voldoen een bedrag van € 500,- per maand met ingang van de beschikking;
- de wijze van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelegen aan de [adres 1]
met daarop rustend een hypothecaire geldlening bij Munt Hypotheken te gelasten, waarbij de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de man stelt binnen een week na de beschikking drie NVM-makelaars voor aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal taxeren en verkopen;
b. partijen verstrekken binnen veertien dagen na de datum van de beschikking een gezamenlijke opdracht aan de door hen aan te wijzen makelaar-taxateur strekkende tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
c. partijen zullen alle medewerking verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
d. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen, doch met inachtneming van hetgeen hierna onder VII wordt verzocht. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de verkoop en notariële levering van de woning, waarbij geldt dat partijen dienen mee te werken aan ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat een van hen daar om verzoekt (en de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, en dan wel een door partijen schriftelijk overeengekomen laatprijs en de koopovereenkomst de daarvoor gebruikelijke condities bevat) en dat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader schriftelijk met de koper overeen te komen dag;
- bij het vaststellen van de verdeling van de overwaarde van de onder VI genoemde woning rekening te houden met:
- een vergoedingsrecht van de man op de vrouw ter hoogte van de helft van de door de man sinds de peildatum tot aan de levering van de woning gedane hypotheekaflossingen;
- een vergoedingsrecht van de vrouw op de man ten bedrage van € 31.750,- dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- te bepalen dat de inboedel van de gezamenlijke woning bij helfte door partijen wordt gedeeld;
- te bepalen dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de saldi op de gezamenlijke bankrekeningen bij opheffing van deze rekeningen;
- de vrouw uit hoofde van het finaal verrekeningsbeding te veroordelen tot betaling van een nader vast te stellen bedrag aan de man en daarbij rekening te houden met hetgeen door de man is gesteld onder randnummer 82 tot en met 105 van zijn processtuk van 27 februari 2025;
- de vrouw bij tussenbeschikking te veroordelen om de navolgende stukken over te leggen binnen zeven dagen na dagtekening van de tussenbeschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft met het verstrekken van deze lijst van verificatoire bescheiden:
- afschriften van de saldi op alle op haar naam staande bankrekeningen van 1 juli 2024 tot en met 3 januari 2025;
- de beslissing op het verzoek van de man onder X aan te houden totdat de vrouw de door de man verzochte lijst met verificatoire bescheiden heeft overgelegd en partijen in de gelegenheid zijn gesteld hier schriftelijk op te reageren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Ontbinding geregistreerd partnerschap en opname ouderschapsplan
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van [minderjarige] tot overeenstemming te komen. Gelet op wat in het verleden tussen partijen is voorgevallen en met name het huiselijk geweld tussen partijen is de rechtbank van oordeel dat het ouderschapsplan in redelijkheid niet kon worden overgelegd. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend en heeft eveneens verzocht de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken, zodat de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats
Standpunt vrouw
De vrouw heeft aangegeven dat haar primaire verzoek overeenkomt met de huidige zorgregeling en [minderjarige] bij deze regeling goed gedijt. Bovendien heeft zij gesteld dat er geen noodzaak is voor begeleide omgang en zij in staat is om zelfstandig de zorg voor [minderjarige] te dragen. In dit kader heeft de vrouw verwezen naar het dossier van Veilig Thuis waaruit blijkt dat de huisarts heeft bevestigd dat geen sprake is van psychiatrische problematiek bij de vrouw. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de man gedurende de relatie stapsgewijs controlerend en manipulatief gedrag richting de vrouw is gaan vertonen. Daarbij heeft de man ook fysiek geweld tegen haar gebruikt. Voor haar onzekerheid en angstklachten heeft de vrouw verschillende behandelingen ondergaan. Verder heeft de vrouw aangegeven dat zij het niet in het belang van [minderjarige] vindt dat de overdracht bij het tankstation plaatsvindt, zoals nu het geval is. Zij wil dat de wisseling plaatsvindt op maandag als [minderjarige] naar de opvang gaat. Veilig Thuis heeft ook geadviseerd de wisseling op maandag via de opvang te laten verlopen.
Standpunt man
De man heeft zorgen om de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. Veilig Thuis heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de initiële veiligheidstaxatie waarin is vastgesteld dat de vrouw niet zonder aanwezige beschikbare volwassene voor [minderjarige] mocht zorgen, is komen te vervallen. De man plaatst kanttekeningen bij het rapport van Veilig Thuis, omdat dit een momentopname betreft. Ook zijn de bevindingen van Veilig Thuis mede gebaseerd op informatie van de familieleden en een vriendin van de vrouw. Deze bronnen zijn niet (volledig) onafhankelijk, zodat het rapport met de nodige terughoudendheid moet worden bezien. Bovendien is de man van mening dat de vrouw de incidenten die zich hebben voorgedaan bagatelliseert. De zorgen van de man over de psychische gesteldheid van de vrouw zijn dan ook onverminderd aanwezig. Hij wil dat het contact onder begeleiding van de ouders van de vrouw plaatsvindt. Voor uitbreiding van de omgang en onbegeleide omgang moet eerst blijken dat de vrouw duurzaam in staat is om op een veilige en stabiele wijze voor [minderjarige] te zorgen. De man heeft betwist dat hij fysiek en verbaal geweld tegen de vrouw heeft gebruikt. Verder heeft de man aangegeven dat hij in de huidige regeling geen enkel weekend de zorg voor [minderjarige] heeft. Hij wil ook graag weekenden met [minderjarige] kunnen doorbrengen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de stukken en wat partijen op de zitting hebben verteld vast dat hun relatie sinds de geboorte van [minderjarige] zeer gespannen was. Vanaf 2024 zijn er door partijen zelf meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis (VT) en in 2025 zijn er ook meldingen van de politie bij VT gedaan. VT heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld en hiervan op 30 juni 2025 verslag gedaan. In dit verslag heeft de VT geconcludeerd dat er op dat moment geen sprake was van psychische onstabiliteit van de vrouw. Deze conclusie is mede gebaseerd op informatie van de praktijk ondersteuner van de huisarts. Daarnaast stoelt die op eigen observatie- en interactiemomenten waarover de VT meldt dat de vrouw zich sensitief opstelt en responsief reageert op [minderjarige] en dat die laat zien zich veilig bij haar te voelen. Daarmee is de conclusie van VT voldoende gebaseerd op objectieve bronnen en is er geen reden om terughoudendheid te betrachten. Bovendien is er sinds deze rapportage geen enkel incident geweest waaruit zou volgen dat [minderjarige] niet veilig is bij de vrouw.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] onder begeleiding moet plaatsvinden. De rechtbank acht beide ouders in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Deze zorg wordt al sinds december 2024 nagenoeg gelijkelijk tussen partijen verdeeld. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de zorg voor hem door beide ouders bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] van maandag uit de opvang/school tot maandag naar de opvang de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft. Daarmee heeft iedere ouder een weekend met [minderjarige] . De rechtbank acht deze regeling ook in het belang van [minderjarige] , omdat de wisselmomenten tussen de ouders zo spanningsvol zijn. Het traject Parralel solo ouderschap moet er voor gaan zorgen dat de verstandhouding tussen de ouders normaliseert; dit in het belang van [minderjarige] .
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorg voor [minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
De rechtbank zal de reguliere zorgregeling en regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen vaststellen als na te melden. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Nu sprake is van een co-ouderschapsregeling en de zorg voor [minderjarige] gelijkelijk over de ouders is verdeeld, is er geen hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank zal die dan ook niet vaststellen bij één van de ouders. Op dit moment staat [minderjarige] in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van man. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om een wijziging aan te brengen in de inschrijving van [minderjarige] .
Doorverwijzing parallel (solo) ouderschap
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject parallel (solo) ouderschap om de invulling van het ouderschap na scheiding te verbeteren in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Kinderalimentatie
Beide partijen hebben verzocht een door de andere partij te betalen kinderalimentatie vast te stellen. Omdat [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vader, gaat de rechtbank ervan uit dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] voortaan voor zijn rekening neemt. De rechtbank zal daarom een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie vaststellen.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Beide partijen zijn het erover eens dat de kinderalimentatie moet worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking, 22 juli 2026. De rechtbank zal aldus beslissen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 880,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 980,- per maand.
Tussen partijen is in geschil of de behoefte moet worden verhoogd met de kinderopvangkosten voor [minderjarige] . De man heeft gesteld dat de kinderopvangkosten van € 517,- netto per maand moeten worden meegenomen bij de behoefte. De kinderopvangkosten bedragen ruim de helft van de tabelbehoefte. De verblijfsoverstijgende lasten zijn in de regel 30% van de behoefte. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. Zij heeft gesteld dat de netto-kinderopvangkosten redelijk beperkt in omvang zijn en hooguit € 503,48 bedragen. Deze post kan gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. Ook zal alleen nog BSO voor [minderjarige] geregeld moeten worden zodra hij naar school gaat. De kinderopvangkosten zullen dan aanzienlijk minder zijn.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanig hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende onderbouwd waarom de door partijen netto gemaakte opvangkosten niet geacht kunnen worden volledig te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven van partijen. De netto opvangkosten bedragen immers ruim de helft van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank ziet aanleiding om naar redelijkheid de behoefte van [minderjarige] te verhogen met € 517,- per maand aan kinderopvangkosten.
De behoefte van [minderjarige] in 2026 bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kinderopvangkosten € 1.497,- per maand.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
Partijen verschillen van mening of op het bruto inkomen van de man het onbetaald ouderschapsverlof in mindering strekt. De vrouw meent dat daartoe geen noodzaak bestaat omdat de man een werkweek van 36 uur heeft en hij in staat moet worden gehad die verdiencapaciteit volledig te blijven benutten.
De man stelt dat hij het ouderschapsverlof nodig heeft om [minderjarige] op te vangen.
De rechtbank gaat aan het standpunt van de vrouw voorbij. Partijen dragen beiden de zorg voor [minderjarige] en ook de man moet dit kunnen combineren met zijn werk, net als de vrouw. De rechtbank vindt het daarom begrijpelijk en redelijk dat de man hiervoor onbetaald ouderschapsverlof opneemt. De rechtbank zal daarom uitgaan van het inkomen van de man dat hij op dit moment feitelijk ontvangt.
Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 6.111,- bruto per maand minus € 1.253,- onbetaald ouderschapsverlof, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificatie van mei 2026. Ook zal de rechtbank uitgaan van IKB van € 801,- bruto per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 476,- bruto per maand en de arbeidsongeschiktheidspremie van € 11,- bruto per maand.
De man heeft gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing van zijn studieschuld. Op de zitting heeft de man toegelicht dat rekening kan worden gehouden met de helft van het bedrag dat hij op dit moment aflost, omdat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden de helft van de studieschuld voor haar rekening zal nemen. De vrouw heeft betwist dat rekening moet worden gehouden met de aflossing van de studieschuld.
De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met de studieschuld omdat de man de aflossing op zijn studieschuld uit zijn vrije ruimte kan voldoen.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 3.539,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.307,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.155,- per maand
(70% x [4.307 - (0,3 x 4.307 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 5.625,- bruto per maand en 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van maart, april en mei 2026. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenbijdrage van haar werkgever van € 485,- bruto per maand en de belaste WIA-inhouding van € 15,- bruto per maand. In de draagkrachtberekeningen van partijen wordt de pensioenpremie in mindering op het inkomen gebracht maar dit is onjuist. Het is een bijdrage van de werkgever aan de vrouw die zelf haar pensioenregeling moet treffen. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding rekening te houden met een structurele eindejaarsuitkering, nu niet is gebleken dat de vrouw die ontvangt.
De vrouw heeft in haar draagkrachtberekening de bijtelling voor een auto van € 356,-opgenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het rapport en zal geen rekening houden met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak.
Bovendien heeft de vrouw aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de door haar verschuldigde premies voor het lijfrentepensioen bij Brand New Day van € 500,- bruto per maand. De rechtbank stelt vast dat de werkgever geen pensioenregeling kent en dat de vrouw zelf voor pensioenregeling moet zorgen. Mede omdat bij de draagkracht van de man ook rekening wordt gehouden met door hem afgedragen pensioenpremies, acht de rechtbank het redelijk dat de eigenbijdrage van de vrouw voor haar pensioenregeling eveneens wordt meegenomen. De vrouw heeft ook aangetoond dat zij deze kosten maakt. De rechtbank zal dan ook bij de draagkracht van de vrouw rekening houden met een last van € 500,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.447,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 874,- per maand
(70% x [4.447 - (0,3 x 4.447 + 500 + 1.365)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.029,- per maand (€ 1.155,- + € 874,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.155 / 2.029 x 1.497 = € 852,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 874 / 2.029 x 1.497 = € 645,-
samen € 1.497,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 852,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 645,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkorting van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 524,- per maand (35% van € 1.497,-). Het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan € 121,- per maand (€ 645,- - € 524,-).
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, € 121,- per maand voor [minderjarige] aan kinderalimentatie aan de man moet voldoen.
Afwikkeling partnerschapsvoorwaarden
Partijen zijn op [dag] 2022 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan en hebben partnerschapsvoorwaarden afgesloten.
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden. Zij zijn overeengekomen dat de vrouw in het kader van het te verrekenen vermogen een bedrag van € 12.000,- aan de man zal voldoen, wat tussen partijen zal worden verrekend bij de afrekening van de overwaarde van de woning. De rechtbank zal aldus beslissen.
Omvang van de te verdelen eenvoudige gemeenschappen
Partijen hebben de volgende gemeenschappelijke vermogensbestanddelen naar voren gebracht die moeten worden verdeeld dan wel zouden moeten worden verdeeld:
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van beide partijen;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van beide partijen;
3. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van beide partijen.
Ad a. het woonhuis
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde. Beide partijen hebben er belang bij dat de woning voor een zo hoog mogelijke prijs wordt verkocht. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat (een van beide) partijen de verkoop van de woning zal/zullen frustreren. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen zich aan het spoorboekje zullen houden. Gelet hierop zal de rechtbank de uitvoerige verzoeken van de vrouw ten aanzien van de machtiging voor het geval de man niet meewerkt aan de verkoop van de woning en de overige verzoeken van beide partijen die zien op (het proces van) de verkoop van de woning, afwijzen. Bovendien zal de rechtbank in het spoorboekje opnemen dat, voor zover partijen het niet eens worden over een makelaar-taxateur, de vrouw drie NVM-makelaars aan de man dient voor te stellen zoals door de man is verzocht, nu niet is gebleken dat de vrouw zich hiertegen heeft verzet.
Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek om de verkoopopbrengst op de notariële depotrekening vast te zetten. De rechtbank wijst dat verzoek daarom af.
Vergoedingsrecht van vrouw
De vrouw heeft gesteld dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft vanwege de door haar gedane investering van € 63.500,- bij de aankoop van de echtelijke woning. De man is het hiermee eens. Gelet hierop zal de rechtbank in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan een derde in de onderlinge afwikkeling van de overwaarde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht van € 63.500,- van de vrouw;
Ad b. de inboedel
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt. De vrouw zal haar persoonlijke spullen op 28 juni 2026 zal ophalen uit de echtelijke woning en zal haar zus meenemen. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen dit zullen nakomen. Partijen zijn het erover eens dat de inboedel in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld en dat zij dit onderling zullen regelen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte ten aanzien van de inboedel, waaronder de dwangsommen, afwijzen.
Ad c. de gezamenlijke bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de gezamenlijke bankrekeningen na levering en verkoop van de woning zullen worden opgeheven en de saldi bij helften tussen hen wordt verdeeld. De rechtbank zal aldus beslissen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden, waaronder de verzoeken van de man tot inzage in de saldi van alle bankrekeningen op naam van de vrouw van 1 juli 2024 tot en met 3 januari 2025, afwijzen.
Vergoedingsrecht man in verband met betalingen hypotheekaflossing
Op de zitting heeft de man dit verzoek ingetrokken. De rechtbank hoeft daar niet meer op te beslissen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit tussen partijen, met elkaar aangegaan op [dag] 2022 te [plaats 1] ;
*
bepaalt de volgende reguliere zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] : [minderjarige] verblijft van maandag uit de opvang/school tot de maandag naar de opvang/school, de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man;
*
bepaalt dat voor [minderjarige] de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vrouw] , (de vrouw)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de man] , (de man)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding [adres 2]
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 121,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw in het kader van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden € 12.000,- aan de man dient te voldoen, welk bedrag zal worden voldaan bij de afrekening in het kader van de overdracht van de woning.
*
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt vast:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) bij het vaststellen van de overwaarde (te weten de verkoopopbrengst, minus de aflossing van de hypothecaire schuld en verkoop/overdrachtskosten waaronder de kosten van de makelaar-taxateur) moet rekening worden gehouden met het vergoedingsrecht van de vrouw van € 63.500; de overwaarde – dan wel onderwaarde – wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen.
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- de helft van de inboedel, door partijen in onderling overleg vast te stellen;
- de helft van het saldi van de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] ; [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] na opheffing bij verkoop van de woning;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de helft van de inboedel, door partijen in onderling overleg vast te stellen;
- de helft van het saldi van de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] ; [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] na opheffing bij verkoop van de woning;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 juli 2026.