Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707349 / KG ZA 26-676
Vonnis in kort geding van 22 juli 2026
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M. van Harskamp te Utrecht,
tegen:
[de vader] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.L.E. Storm van ’s Gravesande te Ede.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de op 15 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder zijn in november 2002 met elkaar gehuwd. Bij beschikking
d.d. 20 januari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is de beschikking van de
rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken, bekrachtigd. De echtscheiding is op 24
mei 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
[de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats 1] , Marokko, en
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] , Marokko.
Deze procedure gaat alleen over [de minderjarige] omdat [de jong-meerderjarige] inmiddels meerderjarig is.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder en verblijft, ingevolge de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 6 december 2023, iedere week bij de vader van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur.
3. Het geschil
in conventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] op vakantie te gaan naar Spanje in de periode van 7 augustus 2026 tot en met – na wijziging ter zitting – 28 augustus 2026, met veroordeling van de vader in de proceskosten.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft eigenlijk de wens om in de zomervakantie 2026 met [de minderjarige] naar haar familie in Marokko te gaan. Zij heeft daartoe op 5 mei 2026, via een brief van haar advocaat aan de advocaat van de vader, aan de vader toestemming verzocht. Daarop heeft zij via de advocaten geen reactie gekregen. Wel heeft de vader aan de moeder rechtstreeks aangegeven dat hij zijn toestemming voor het aanvragen van een paspoort weigerde, waarbij hij bedreigingen heeft geuit naar de moeder voor het geval zij met [de minderjarige] naar Marokko zou reizen. Om die reden, gecombineerd met haar negatieve ervaringen tijdens de reis met [de minderjarige] naar Marokko in 2023, heeft de moeder besloten om af te zien van de reis naar Marokko deze zomer en in plaats daarvan naar Spanje te gaan. Zij wil voorkomen dat er tijdens de vakantie weer een conflict ontstaat waar [de minderjarige] de dupe van wordt.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar Marokko te gaan in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026, alsmede aan hem vervangende toestemming te verlenen om een nieuw paspoort voor [de minderjarige] te verkrijgen, met compensatie van de proceskosten.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader wil ook graag met [de minderjarige] op vakantie, in dezelfde periode als die waarin de moeder met [de minderjarige] naar Spanje wil gaan. De huidige zorgregeling loopt volgens de vader goed en het is de uitdrukkelijke wens van [de minderjarige] zelf om met zijn vader naar Marokko te gaan om daar zijn familie te bezoeken. De vader vindt het ook belangrijk dat [de minderjarige] contact kan houden met zijn familie en met zijn culturele achtergrond. De vader stelt dat hij in eerste instantie goedkeuring heeft gekregen van de moeder voor deze reis en op grond daarvan voorbereidingen had getroffen. Daarna zijn volgens de vader meerdere keren de afspraken gewijzigd of ingetrokken, waardoor het niet mogelijk was om de reis op een normale manier te regelen. Over de gebeurtenissen tijdens en na de zomervakantie in Marokko in 2023 stelt de vader dat hij altijd heeft geprobeerd afspraken na te komen en [de minderjarige] op de afgesproken momenten terug te brengen.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Nu de beide ouders vervangende toestemming vorderen voor een vakantie met [de minderjarige] in dezelfde periode, namelijk van 7 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026, kan de voorzieningenrechter slechts één van beide vorderingen toewijzen. Dit brengt mee dat [de minderjarige] slechts met één ouder met vakantie kan gaan. Dit moet erg verdrietig zijn voor [de minderjarige] . Dit gezegd hebbende moet de voorzieningenrechter een knoop doorhakken. Bij haar beslissing stelt de voorzieningenrechter voorop dat zij vooral kijkt naar het belang van [de minderjarige] . Zeker na alles wat hij heeft meegemaakt moet de zomervakantie een fijne tijd zijn, zonder angst en spanning, ook niet in de aanloop daarnaartoe.
Uit de stukken blijkt dat de moeder op 5 mei 2026 via haar advocaat toestemming heeft gevraagd voor de door haar gewenste reis naar Marokko. De advocaat van de moeder heeft bij brief van 8 juni 2026 aan de advocaat van de vader geschreven dat er nog steeds geen reactie is gekomen op de brief van 5 mei 2026, maar dat de vader in de tussentijd wel aan de moeder had laten weten dat hij zijn toestemming voor het aanvragen van een paspoort weigerde en dat hij daarbij bedreigingen had geuit naar de moeder voor het geval zij met [de minderjarige] naar Marokko zou reizen. De advocaat van de vader heeft daar op 15 juni 2026 op gereageerd met de mededeling dat de vader zijn toestemming voor een reis naar Marokko wel wilde verlenen maar dan voor de eerste drie weken van de zomervakantie 2026, en op de voorwaarde dat de moeder aan de vader vervangende toestemming zou geven voor ‘een buitenlandse vakantie’ met [de minderjarige] in de laatste drie weken van de zomervakantie 2026. Ook blijkt uit de stukken dat de vader en de moeder allebei een afspraak hadden gemaakt bij de gemeente voor het aanvragen van een paspoort, maar dat zij elkaar over en weer daarvoor geen toestemming wilden verlenen. Dit alles tekent het wantrouwen en de slechte verstandhouding tussen de ouders.
De vader heeft bij conclusie van eis, ingediend op 12 juli 2026 gespecificeerd dat hij in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026 met [de minderjarige] naar Marokko wil gaan. Anders dan de vader heeft de moeder wel inhoudelijke bezwaren tegen de door de vader gewenste vakantie naar Marokko. Die zijn gelegen in de voorgeschiedenis, zoals die blijkt uit de uitspraken van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland d.d. 7 september 2023 en 8 juli 2025. In 2023 zou [de minderjarige] drie weken met de moeder en drie weken met de vader in Marokko doorbrengen en dat is niet goed verlopen. De vader heeft [de minderjarige] niet op de afgesproken datum, 21 juli 2023, in Marokko aan de moeder overgedragen. De moeder is bij aankomst op het vliegveld van Tanger aangehouden door de politie en de vader is met [de minderjarige] teruggekeerd naar zijn verblijfplaats in [geboorteplaats 2] . Volgens de moeder was het de vader die haar had laten aanhouden door de politie. De vader is weliswaar na afloop van de vakantie met [de minderjarige] teruggekeerd naar Nederland maar heeft hem toen ook nog bij zich gehouden waardoor hij niet naar school kon.
De vader heeft hierover op de zitting van 15 juli 2026 gezegd dat hij altijd heeft geprobeerd afspraken na te komen en [de minderjarige] op de afgesproken momenten terug te brengen. Uit het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 september 2023 blijkt echter dat de vader [de minderjarige] op laatstgenoemde datum, tegen de afspraken in, nog steeds bij zich hield. De voorzieningenrechter heeft op die datum bepaald dat de vader [de minderjarige] , met zijn paspoort, op de kortst mogelijke termijn aan de moeder moest overdragen, in het bijzijn van een jeugdbeschermer. Ook aan deze beslissing heeft de vader geen gehoor gegeven. Pas op 22 september 2023 is het door tussenkomst van de GI Samen Veilig gelukt om [de minderjarige] weer aan de moeder over te dragen.
In juli 2025 is er weer een kort geding geweest bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland. Daarin vorderde de vader vervangende toestemming voor een vakantie met [de minderjarige] naar Marokko. De voorzieningenrechter heeft deze vordering van de vader afgewezen. In de schriftelijke uitwerking van het mondelinge vonnis d.d. [geboortedatum 1] 2025 staat de voormelde gang van zaken tijdens en na de zomervakantie 2023 beschreven en heeft de voorzieningenrechter onder meer het volgende overwogen:
‘(…) de voorzieningenrechter vindt het nu niet in het belang van [de minderjarige] dat hij met de vader op vakantie gaat naar Marokko. Op de zitting heeft de moeder verklaard dat als (…) de vader toestemming (…) om naar Marokko te gaan, zij, gelet op de gebeurtenissen van de zomer in 2023, ongelofelijk in de zenuwen zit en niet meer slaapt. (…) De gebeurtenissen van 2023 hebben ongetwijfeld diepe indruk gemaakt op [de minderjarige] . De voorzieningenrechter vindt deze gebeurtenissen ook zeer ernstig. (…) Op de zitting heeft hij verklaard dat de situatie van destijds met Samen Veilig Thuis is besproken, maar de moeder heeft niet de beleving dat de vader in deze gesprekken zijn excuses heeft gemaakt of begrijpt wat voor ellende hij heeft berokkend. Hij heeft in ieder geval niet een zorg voor de toekomst bij de moeder weggenomen. (…) Dat de voorzieningenrechter de vordering van de vader voor nu afwijst, betekent niet dat de vader in de toekomst niet met [de minderjarige] naar Marokko mag gaan, maar voor nu liggen de gebeurtenissen uit 2023 nog vers in het geheugen. De voorzieningenrechter spreekt de hoop uit dat de ouders op gelijk niveau het gesprek met elkaar zullen aangaan voor een eventuele toekomstige vakantie naar Marokko.’
Alles afwegende zal de voorzieningenrechter in deze zaak de door de moeder gevorderde vervangende toestemming voor een vakantie naar Spanje verlenen en de vordering van de vader afwijzen. Dit omdat de vader geen inhoudelijke bezwaren heeft tegen de door de moeder gewenste vakantie naar Spanje. De moeder heeft wel bezwaren tegen de door de vader gewenste vakantie naar Marokko. Die bezwaren zijn gelegen in de hiervoor geschetste voorgeschiedenis. Voor de voorzieningenrechter weegt die voorgeschiedenis zwaar mee in haar beslissing. De opmerking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland in de uitspraak van [geboortedatum 1] 2025 dat de beslissing voor de zomervakantie 2025 niet betekent niet dat de vader in de toekomst niet met [de minderjarige] naar Marokko mag gaan, brengt nog niet mee dat de vader nu wél met [de minderjarige] naar Marokko mag gaan. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter immers duidelijk aangegeven waar de knelpunten zaten, namelijk in de angst van de moeder en het gegeven dat de vader de zorgen van de moeder voor de toekomst niet had weggenomen. Uit de hiervoor geschetste aanloop naar het onderhavige kort geding blijkt dat bij de moeder nog steeds dezelfde angst bestaat en dat zij door de houding van de vader zelfs heeft afgezien van het vragen van toestemming voor een vakantie met [de minderjarige] naar Marokko. Op de zitting van 15 juli 2026 heeft de vader nog steeds geen erkenning getoond voor zijn aandeel in de gebeurtenissen tijdens en na de zomervakantie van 2023, integendeel. Erkenning voor zijn eigen aandeel, begrip voor de spanning die zijn acties teweeg hebben gebracht en rustig overleg tussen de ouders zijn echter wel basisvoorwaarden voor een rustige en ontspannen vakantie van [de minderjarige] met één van beide, of beide, ouders naar Marokko. Een rustig gesprek op gelijk niveau tussen de ouders over een eventuele vakantie naar Marokko behoort kennelijk nog steeds niet tot de mogelijkheden. Het ligt op de weg van de vader om zijn houding naar de moeder toe te veranderen en zich begrijpend en meewerkend op te stellen wanneer zij haar wens uit om met [de minderjarige] naar Marokko te gaan. Op die manier ontstaat er bij de moeder ook ruimte om mee te gaan in de wensen van de vader. Alleen op die manier kan [de minderjarige] een fijne zomervakantie hebben, zonder angst en spanning, ook niet in de aanloop daarnaartoe.
Gelet op al het voorgaande vindt de voorzieningenrechter het nu nog steeds niet in het belang van [de minderjarige] dat hij met de vader op vakantie gaat naar Marokko. De vader heeft nog een beroep gedaan op de brief van [de minderjarige] die de vader heeft ingediend. In die brief vertelt [de minderjarige] dat het zijn wens is om met zijn vader en zijn oudere zus naar Marokko te gaan. In die brief staat onder meer: ‘Niemand heeft mij gedwongen of onder druk gezet om deze verklaring te ondertekenen’ en: ‘Ik verklaar dat deze verklaring naar waarheid is opgesteld’. Het is een getypte tekst – met hetzelfde lettertype en opmaak als de verklaring van de vader – met daaronder een handtekening. De voorzieningenrechter heeft geen reden om eraan te twijfelen dat [de minderjarige] die handtekening heeft gezet. Ook twijfelt de voorzieningenrechter er niet aan dat [de minderjarige] graag met zijn vader naar Marokko wil reizen. Het is echter niet in het belang van [de minderjarige] om de beslissing in deze zaak te baseren op de inhoud van deze brief. Het valt immers niet uit te sluiten dat [de minderjarige] ook heel graag met zijn moeder op vakantie naar Marokko wil gaan. De verantwoordelijkheid voor de beslissing met wie van zijn ouders hij met vakantie gaat moet ook niet bij [de minderjarige] komen te liggen, gelet op de enorme spanningen tussen de ouders die hij ongetwijfeld zal voelen. De voorzieningenrechter ziet daarom in deze brief geen aanleiding om anders te oordelen.
In familiezaken is het gebruikelijk dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding om daarvan af te wijken.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie:
verleent aan de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om met [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2] , Marokko, op vakantie te gaan naar Spanje in de periode van 7 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Olland en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
EY