Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 11 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 3 april 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 13 augustus 2025 van de advocaat van de man;
- het F9-formulier van 3 juni 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift van 8 juni 2026 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 9 juni 2026 van de advocaat van de man, met bijlage;
- twee F9-formulieren van 15 juni 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt. [de minderjarige 3] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De vrouw heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift ingediend. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening hiervan. Op grond van artikel 279, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is artikel 87, zesde lid, Rv van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures. Op grond van artikel 87, zesde lid, Rv worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. De rechtbank zal het door de vrouw op 8 juni 2026 ingediende verweerschrift niet buiten beschouwing laten, nu de goede procesorde zich hier tegen verzet. Het verweerschrift is acht dagen voor de mondelinge behandeling door de vrouw ingediend en zij heeft hierin nagenoeg geen nieuwe stellingen ingenomen. Bovendien is op de zitting gebleken dat de man kennis heeft genomen van het verweerschrift en hier inhoudelijk goed op heeft kunnen reageren.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2005 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 3] ;
- [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2019 te [geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige 4] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 20 oktober 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en mitsdien is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- bepaald dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
- bepaald dat [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] voorlopig iedere zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur (en indien mogelijk tot zondag 19.00 uur) en iedere woensdag na school tot 19.00 uur bij de man zullen verblijven;
- bepaald dat [de minderjarige 2] voorlopig iedere zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de man zal verblijven en de man [de minderjarige 2] doordeweeks naar de voetbaltraining brengt en haalt;
- bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 20 oktober 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van in totaal € 1.098,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
De man heeft – na aanvulling en wijziging – verzocht om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- te bepalen dat de kinderen op het adres van de vrouw geregistreerd zullen staan in
de BRP;
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de even weken van vrijdag
uur tot dinsdag 14.45 uur bij de man verblijven en in de oneven weken van zondag 18.00 uur tot dinsdag 14.45 uur bij de man verblijven en daarbij te bepalen dat de man de kinderen op vrijdag en zondag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de kinderen op dinsdag uit school haalt of indien de kinderen die dag geen school hebben bij de man ophaalt;
- de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen:
- voorjaarsvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vrouw en in de oneven jaren zijn de kinderen bij de man;
- meivakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Indien de meivakantie één week duurt, zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen gedurende de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
De man beschikt pas in de loop van augustus 2026 over passende woonruimte waarbij de kinderen bij hem kunnen blijven overnachten. Gelet hierop stelt hij het zich voor dat de kinderen dit jaar gedurende de laatste drie weken om de dag bij hem verblijven zonder dat zij bij hem blijven overnachten. Dit betekent dat de man de kinderen om de dag om 12.00 uur bij de vrouw zal ophalen en hen om 20.00 uur weer bij de vrouw zal terugbrengen om dit gedurende die drie weken zo te herhalen. Partijen hebben het in de afgelopen twee zomervakanties ook op deze manier gedaan;
- herfstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen bij de vrouw en in de oneven jaren verblijven de kinderen bij de man;
- kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de man en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de vrouw;
- reguliere feestdagen: de kinderen verblijven daar waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn;
- Suikerfeest en Offerfeest: de kinderen verblijven tot 15.00 uur bij de ouder bij wie ze op dat moment volgens de reguliere zorgregeling zijn en vanaf 15.00 uur tot 22.00 uur bij de andere ouder;
- primair: te bepalen dat met ingang van de datum van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man ten behoeve van de kinderen een kinderalimentatie van € 551,- per maand zal storten op de kinderrekening en dat de vrouw ten behoeve van de kinderen een kinderalimentatie van € 329,- per maand zal storten op de kinderrekening;
- subsidiair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen aan de vrouw zal betalen van € 684,- per maand, zijnde € 171,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres]
te gelasten:
- de vrouw dient binnen twee weken na afgifte van de echtscheidingsbeschikking drie erkende NVM-makelaars aan de man te noemen, waarvan de man er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Deze makelaar wordt belast met de verkoop van de woning. Indien de vrouw niet binnen de termijn van twee weken drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf één van de drie makelaars uit te kiezen;
- partijen dienen binnen één week nadat de verkoopmakelaar is uitgekozen gezamenlijk opdracht tot verkoop van de woning te geven aan deze makelaar;
- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
- indien partijen er binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar niet in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
- ieder van partijen zal zijn/haar medewerking verlenen aan alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen die vereist zijn om de verkoop en levering van de woning te realiseren;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
- partijen zijn ieder bij helfte gerechtigd tot de overwaarde van de woning. De overwaarde is gelijk aan de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de verkoop verbonden kosten (waaronder onder meer de makelaarskosten);
- voor zover de vrouw niet meewerkt aan voornoemd verkoop- en leveringsproces en de deling bij helfte van de daarmee gemoeide kosten, de beschikking in de plaats treedt voor de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw die nodig is voor het in de verkoop geven van de woning bij de makelaar en in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, met bepaling dat de opgemaakte akte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven;
- de vrouw te gelasten om de woning in optimale verkoopstaat te brengen, waaronder het opruimen van de woning, het onderhouden van de tuin, het verrichten van benodigd klein onderhoud, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft om aan schriftelijke aanwijzingen van de makelaar te voldoen;
- de vrouw te gelasten om ervoor te zorgen dat de woning 48 uur voor iedere bezichtiging in optimale staat verkeert en gereed is voor bezichtigingen, een en ander na controle door de makelaar, die vervolgens per e-mail aanwijzingen mag geven voor door de vrouw te verrichten werkzaamheden, op verbeurte van een boete van € 2.500,- voor iedere bezichtiging waarbij blijkt dat de vrouw in gebreke is gebleven om aan deze aanwijzingen van de makelaar te voldoen;
- de vrouw voor de levering van de woning aan een derde de woning dient te ontruimen en ontruimt te houden op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij de woning niet ontruimt of ontruimd houdt;
- voor zover de vrouw niet meewerkt aan ontruiming na verkoop van de woning de beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw die nodig is voor het ontruimen en ontruimd houden van de woning, waarbij de kosten die hiermee gemoeid zouden zijn, voor rekening van de vrouw komen;
- de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap te bepalen conform de
randnummers 35 tot en 39 van het verzoekschrift;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking een
vergoeding van € 750,- per maand aan de man dient te betalen voor het gebruik en woongenot van zijn eigendom;
- primair: te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW € 80.000,- aan
de man moet betalen;
- subsidiair: te bepalen dat het bedrag van € 80.000,- dient te worden verdeeld en dat
de vrouw uit hoofde hiervan € 40.000,- aan de man dient te betalen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verzocht het verzoek ten aanzien van de echtscheiding toe te wijzen. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig – na aanvulling en wijziging – verzocht:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;
- de volgende zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen:
zolang de man geen woning heeft, heeft hij omgang met [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] :
- iedere zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur (en indien mogelijk tot zondag 19.00 uur), waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en terugbrengt naar de vrouw;
- iedere woensdag na school tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt van school en terugbrengt naar school (de rechtbank begrijpt: naar de vrouw);
- de vakanties worden tussen partijen bij helfte verdeeld:
o de kinderen verblijven gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en gedurende de laatste drie weken bij de man;
o gedurende de kerstvakantie verblijven de kinderen in de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o gedurende de meivakantie verblijven de kinderen eveneens in de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o de overige vakantie- en feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld, met inachtneming van het uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de beschikbare vakantieperioden;
zodra de man over een eigen woning beschikt, heeft hij omgang met [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] :
- om het weekend (even weken) van vrijdag na school (waarbij hij de kinderen ophaalt van school) tot en met zondag 19.00 uur en hij de kinderen terugbrengt naar (de rechtbank begrijpt: de vrouw);
- iedere (oneven) woensdag na school tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen ophaalt van school en terugbrengt naar huis;
- de vakanties worden tussen partijen bij helfte verdeeld:
o de kinderen verblijven gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en gedurende de laatste drie weken bij de man;
o gedurende de kerstvakantie verblijven de kinderen in de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o gedurende de meivakantie verblijven de kinderen eveneens in de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o de overige vakantie- en feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld, met inachtneming van het uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de beschikbare vakantieperioden;
- ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] stelt de vrouw voor dat de omgang in onderling overleg zal worden bepaald;
- de man te veroordelen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen, bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen, vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 1.251,- per maand te voldoen, althans een zodanig bedrag die de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
- te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap conform randnummers 50 tot 70
zal worden verdeeld;
- te bepalen dat de vrouw na verkoop c.q. overdracht van de echtelijke woning aan de
[adres] nog gedurende een termijn van zes maanden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen kortere termijn indien zij eerder passende woonruimte heeft gevonden, in de woning mag blijven wonen;
- te bepalen dat de inboedel aan de man wordt toebedeeld, met verrekening van de
helft van de waarde met de vrouw;
- te bepalen dat de helft van de beleggingsportefeuilles op naam van de vrouw wordt
overgezet, met bevel aan de man om hieraan uitvoering te geven binnen drie dagen na de beschikking. Mocht de rechtbank van mening zijn dat dit niet mogelijk is, verzoekt de rechtbank subsidiair de beleggingsportefeuilles aan een derde te verkopen en de opbrengst per helfte te verdelen;
- te bepalen dat de Rabo rekening met rekeningnummer [bankrekening 1]
conform randnummers 81 en 82 zal worden verdeeld;
- te bepalen dat de man wordt gehouden inzage te verschaffen in het saldo per
peildatum van de rekening van de man met nummer [bankrekening 1] , en primair te bepalen dat aan de vrouw het volledige saldo toekomt, subsidiair te bepalen dat de man aan de vrouw een schadevergoeding verschuldigd is ter hoogte van het banksaldo op de peildatum, en meer subsidiair te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van dit saldo toekomt;
- althans een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie zal behoren te
vernemen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit erkend, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats/inschrijving Basisregistratie Personen (BRP)
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht te bepalen dat de kinderen op het adres van de vrouw in de BRP ingeschreven zullen staan. De man heeft aangevoerd dat moet worden toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling, waarbij de kinderen evenveel tijd bij beide ouders verblijven. In dat geval hebben de kinderen hun hoofdverblijf bij beide ouders.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Zij heeft gesteld dat gedurende het huwelijk van partijen sprake was van een traditionele rolverdeling, waarbij de vrouw voor de kinderen en het huishouden zorgde en de man werkte. De vrouw is de hoofdverzorger van de kinderen en is de aangewezen persoon om de zorg voor de kinderen op zich te nemen althans te continueren.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen al jarenlang bij de vrouw ligt. Bovendien verblijft de vrouw momenteel met de kinderen in de echtelijke woning waar de kinderen zijn opgegroeid. Gelet hierop zal de rechtbank voorbijgaan aan het verweer van de man dat de kinderen hun hoofdverblijf bij beide ouders hebben, waardoor alleen een inschrijving van de kinderen in de BRP aan de orde zou zijn. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepalen, nu zij dit in het belang van de kinderen acht.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. De rechtbank heeft, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, een vergelijk tussen de ouders beproefd. Volledige overeenstemming is tijdens de zitting niet bereikt. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen in de even weken van vrijdag 17.30 uur tot dinsdag 14.45 uur bij hem verblijven en in de oneven weken van zondag 18.00 uur tot dinsdag 14.45 uur. Daarbij heeft de man verzocht te bepalen dat hij de kinderen op vrijdag en zondag bij de vrouw ophaalt en zij de kinderen op dinsdag uit school haalt of bij de man ophaalt als de kinderen die dag geen school hebben. Ook heeft de man verzocht om een verdeling van de vakanties en feestdagen te bepalen. De man heeft toegelicht dat [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] vrijdag om 18.00 uur zwemles hebben. Door het wisselmoment hierop af te stemmen kan de man eens in de twee weken bij hun zwemles aanwezig zijn. De man heeft aangegeven dat hij de vrouw gelet op haar medische situatie – zij heeft endometriose – niet in staat acht op langere termijn doordeweeks alleen de zorg voor de kinderen te dragen. De man wil daarom dat de zorg gelijk tussen de ouders wordt verdeeld. Hij heeft aangegeven dat hij ook een groot deel van de zorg voor de kinderen op zich nam toen partijen nog samenwoonden. Hij acht het in het belang van de kinderen dat hij dit kan voortzetten. Het werk van de man staat hier niet aan in de weg. Verder heeft de man toegelicht dat hij in augustus 2026 over zelfstandige woonruimte gaat beschikken, zodat de kinderen ook bij hem kunnen overnachten. De man heeft daarom verzocht te bepalen dat de vast te stellen zorgregeling ingaat met ingang van het nieuwe schooljaar of per 31 augustus 2026.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft een zorgregeling verzocht, waarbij [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] , zolang de man geen woning heeft, bij hem verblijven op zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur (en indien mogelijk tot zondag 19.00 uur) en op woensdag na school tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen op zaterdag ophaalt en terugbrengt bij de vrouw en op woensdag uit school haalt en terugbrengt bij de vrouw. Zodra de man over een woning beschikt, staat de vrouw een zorgregeling voor waarbij [de minderjarige 4] en [de minderjarige 3] in de even weken van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen uit school haalt en terugbrengt naar de vrouw, en zij in de oneven weken op woensdag uit school tot 19.00 uur bij de man verblijven waarbij de man de kinderen ophaalt uit school en terugbrengt bij de vrouw. Ook heeft de vrouw verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen te bepalen. Ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft de vrouw verzocht te bepalen dat het contact met de man in onderling overleg zal plaatsvinden. Zij hebben allebei aangegeven geen contact te willen met de man. De vrouw heeft zich verzet tegen de zorgregeling die de man voorstaat. Zij acht het in het belang van de kinderen dat zij het merendeel van de tijd bij haar verblijven om zo rust voor de kinderen te creëren. Verder houdt de man zich niet aan de afgesproken ophaaltijden, wat bij de kinderen leidt tot onrust en spanningen rondom de overdracht.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] momenteel geen contact hebben met de man. Zij hebben tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven zelf te willen bepalen wanneer ze weer contact met hem zullen hebben. Op de zitting heeft de man toegelicht het fijn te vinden als het contact met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op enig moment wordt hersteld. Hij hoopt dat de rust zal wederkeren als deze procedure is afgerond en dat uiteindelijk contactherstel zal plaatsvinden. De man heeft zich erbij neergelegd dat het initiatief in het aangaan van het contact bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ligt. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de reguliere zorgregeling en regeling voor de vakanties en feestdagen met betrekking tot [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afwijzen. De vrouw heeft ter zitting toegezegd dat zij contactherstel zal blijven stimuleren.
Ten aanzien van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] regelmatig contact hebben met de man en dat zij dit contact als prettig ervaren. De uitbreiding van de reguliere zorgregeling die de man voorstaat, acht de rechtbank echter niet in hun belang. Voor zover de man zijn stelling handhaaft dat de vrouw gelet op haar gezondheidstoestand niet in staat is om het merendeel van de zorg voor de kinderen te dragen, zal de rechtbank daar aan voorbijgaan nu daarvan niet is gebleken. De rechtbank zal daarom bepalen dat [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijven en in de daarop volgende week van maandag uit school tot dinsdag naar school bij hem verblijven, waarbij de man de kinderen uit school haalt dan wel de kinderen naar school brengt. Ter zitting is gebleken dat deze regeling voor beide partijen uitvoerbaar is. De rechtbank acht deze regeling ook in het belang van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Daarbij zal de rechtbank bepalen dat deze regeling ingaat met ingang van het nieuwe schooljaar 2026-2027. De rechtbank gaat ervan uit dat de huidige (tussen partijen afgesproken) regeling zal doorlopen tot de start van het schooljaar 2026-2027.
Verder overweegt de rechtbank dat partijen het grotendeels eens zijn over de regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Daarom zal de rechtbank beslissen conform het verzoek van de man, met dien verstande dat de rechtbank voor de zomervakantie van 2026 geen afwijkende regeling zal bepalen zoals de man heeft verzocht. De rechtbank acht het namelijk niet in het belang van de kinderen dat zij voor drie weken in de zomervakantie om de dag om 12.00 uur door de man bij de vrouw worden opgehaald en om 20.00 uur weer bij de vrouw worden teruggebracht. Ook de zomervakantie van 2026 wordt bij helfte verdeeld. Dat betekent dat de man de zorg voor de kinderen voor de volledige laatste drie weken tijdens de zomervakantie van 2026 voor zijn rekening neemt. De rechtbank merkt wel op dat het partijen vrij staat in onderling overleg van deze regeling af te wijken.
Kindrekening
De man heeft aangegeven dat hij wil dat partijen gaan werken met een kindrekening waarop door hen beiden maandelijks een bedrag wordt gestort. De man heeft primair verzocht te bepalen dat de man € 551,- per maand en de vrouw € 329,- per maand op de kindrekening dient te storten. Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat hij een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 684,- per maand voor de vier kinderen samen. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen gebruik wil maken van een kindrekening. Daarbij heeft de vrouw aangevoerd dat het ontbreekt aan vertrouwen tussen partijen en sprake is van een moeizame communicatie. Voor zover de man zijn verzoeken ten aanzien van de kindrekening handhaaft, zal de rechtbank deze afwijzen. Omdat partijen geen overeenstemming hebben over een kindrekening zal de rechtbank conform de daarvoor gebruikelijke normen en uitgangspunten een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor de kinderen vaststellen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken.
De man heeft gesteld dat de kinderalimentatie moet worden vastgesteld met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de man te betalen bijdrage moet worden bepaald met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vier kinderen samen in 2026 € 2.295,- bedroeg, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 6.784,- bruto per maand en 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van maart, april en mei 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 479,- bruto per maand en de arbeidsongeschiktheidspremies van € 14,- bruto per maand. Verder zal de rechtbank uitgaan van een belaste werkgeversbijdrage van € 30,- bruto per maand.
De vrouw heeft aangevoerd dat bij de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van IKB. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan, nu uit de door de man overgelegde salarisspecificaties niet is gebleken dat hij IKB ontvangt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.580,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.289,- per maand
(70% x [4.580 - (0,3 x 4.580 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een WIA-uitkering van € 2.670,- bruto per maand en 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde uitkeringsspecificaties van maart, april en mei 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 15.249,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.234,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 629,- per maand
(70% x [3.234 - (0,3 x 3.234 + 1.365)]).
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.918,- per maand (€ 1.289,- + € 629,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 377,- per maand.
Nu er geen contact is tussen de man en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , zal de rechtbank voor hen geen rekening houden met een zorgkorting. Gelet op de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , zal de rechtbank voor hen uitgaan van een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 287,- per maand (25% van € 1.147,50).
Omdat sprake is van een tekort van € 377,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 99,- per maand (€ 287,- -/- € 188,50). Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 1.190,- per maand (€ 1.289,- - € 99,-).
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 1.190,- per maand voor de vier kinderen samen aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
11 maart 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 11 maart 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
1. de bankrekening [bankrekening 2] op naam van beide partijen;
2. de bankrekening [bankrekening 3] op naam van beide partijen;
3. de bankrekening [bankrekening 4] op naam van de man;
4. de bankrekening [bankrekening 5] op naam van de man;
5. de bankrekening [bankrekening 6] op naam van de vrouw;
6. de bankrekening [bankrekening 1] op naam van de man;
de beleggingsportefeuille bij DEGIRO met rekeningnummer [bankrekening 7] op naam van de man;
de beleggingsportefeuille bij Bitvavo op naam van de man;
de auto van het merk Nissan Qashqai met kenteken [kenteken] ;
de inboedel.
Ad a. het woonhuis
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde. De vrouw heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat zij op zoek is naar een andere woning voor haarzelf en de kinderen. Zij heeft op de zitting aangegeven dat zij er evenals de man belang bij heeft dat de woning voor een zo hoog mogelijke prijs wordt verkocht. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de vrouw de verkoop van de woning zal frustreren. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen zich aan het spoorboekje zullen houden. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de man ten aanzien van de machtiging voor het geval de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van de woning, waaronder de dwangsommen, afwijzen. Bovendien zal de rechtbank in het spoorboekje opnemen dat, voor zover partijen het niet eens worden over een makelaar-taxateur, de vrouw drie NVM-makelaars aan de man dient voor te stellen zoals door de man is verzocht, nu niet is gebleken dat de vrouw zich hiertegen heeft verzet. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat zij na verkoop c.q. overdracht van de woning nog zes maanden in de woning mag blijven wonen. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag. De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw na de verkoop van de woning nog wel nog een periode met de kinderen in de woning kan blijven om zo gelegenheid te hebben op zoek te gaan naar een andere woning. De rechtbank zal daarom in zoverre het mindere toewijzen en op grond van artikel 1:165 BW bepalen dat aan de vrouw het voortgezet gebruik toekomt voor zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal de rechtbank afwijzen.
Ad b. de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen 1 tot en met 5 voornoemd op de peildatum bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarna ieder zijn/haar eigen bankrekeningen zal voortzetten en de gezamenlijke bankrekeningen na verdeling van de saldi zullen worden opgeheven. Voor zover de man zijn verzoek met betrekking tot de bankrekening [bankrekening 2] op naam van beide partijen dat deze rekening door hen beiden zal worden voortgezet als kindrekening handhaaft, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
De vrouw heeft ten aanzien van de bankrekening [bankrekening 1] op naam van de man verzocht het saldo op de peildatum bij helfte tussen partijen te verdelen, waarna de bankrekening door de man zal worden voortgezet. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man wordt gehouden inzage te verschaffen in het saldo op de peildatum, en primair te bepalen dat aan de vrouw het volledige saldo toekomt, subsidiair dat de man aan de vrouw een schadevergoeding verschuldigd is ter hoogte van het saldo op de peildatum, en meer subsidiair te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van dit saldo toekomt. De vrouw heeft als productie 6 bij haar verweerschrift van 8 juni 2026 een foto van een bankpas met een rekeningnummer eindigend op 225 op naam van de man overgelegd. De man heeft zich verzet tegen de verzoeken. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij in het verleden heeft geprobeerd om een rekening bij de Rabobank te openen, maar dat dit uiteindelijk niet is gerealiseerd. Hij heeft toegelicht dat hij niet in staat is om stukken te overleggen waaruit blijkt dat er geen rekening bij de Rabobank op naam van de man bestaat. Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken kan de rechtbank niet vaststellen of er wel of geen bankrekening eindigend op 225 op naam van de man is en zo ja, wat het saldo op de peildatum was. De rechtbank zal daarom conform het wettelijke uitgangspunt bepalen dat, voor zover deze bankrekening bestaat, het saldo op de peildatum bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, waarna de man deze bankrekening zal voortzetten. Het meer of anders verzochte, waaronder de verzoeken van de vrouw die zijn gegrond op artikel 3:194 BW en artikel 1:164 BW, zal de rechtbank afwijzen.
Ad c en d. de beleggingsportefeuilles
De man heeft verzocht te bepalen dat de beleggingsportefeuilles aan hem worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde op de peildatum aan de vrouw te vergoeden. De vrouw heeft primair verzocht te bepalen dat de helft van de portefeuilles op naam van de vrouw wordt gezet met een bevel aan de man om hier binnen drie dagen na de beschikking uitvoering aan te geven. De vrouw heeft subsidiair verzocht de portefeuilles aan een derde te verkopen en de opbrengst bij helfte te verdelen.
Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat de beleggingsportefeuilles aan de man worden toegedeeld. De vrouw heeft de door de man gestelde waarde van de beleggingsportefeuille bij DEGIRO betwist en gesteld dat deze hoger was. Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken kan de rechtbank de waardes van de beleggingsportefeuilles niet vaststellen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de beleggingsportefeuilles aan de man worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde van de op de peildatum in die portefeuilles aanwezige aandelen c.q. obligaties aan de vrouw uit te betalen.
Ad e. de auto
Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de vrouw kan worden toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde aan de man te vergoeden. De waarde van de auto is in geschil. De vrouw heeft als productie 21 bij haar verweerschrift van 8 juni 2026 een taxatie van de auto door Eurotaxaties overgelegd. Hieruit blijkt dat de waarde van de auto op 29 mei 2026 € 7.876,- bedroeg. De man heeft deze waarde betwist. Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij de auto in januari 2025 voor € 16.000,- heeft aangeschaft en de auto aanzienlijke schade heeft opgelopen. Gelet op het door de vrouw overgelegde rapport is de rechtbank van oordeel dat de man de huidige waarde van de auto onvoldoende heeft betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van de waarde zoals volgt uit de taxatie en bepalen dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld, waarbij de vrouw de helft van de waarde, te weten een bedrag van € 3.938,- aan de vrouw moet voldoen.
Ad f. de inboedel
De man schat de waarde van de inboedel op € 5.000,-. Hij heeft verzocht te bepalen dat de inboedel, met uitzondering van zijn persoonlijke spullen, aan de vrouw wordt toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde, te weten € 2.500,-, aan de man te vergoeden. De vrouw heeft ingestemd met een waarde van de inboedel van € 5.000,-. Zij wil de inboedel echter niet overnemen en heeft verzocht de inboedel aan de man toe te delen onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. Nu de vrouw momenteel met de kinderen in de echtelijke woning verblijft, zal de rechtbank de inboedel aan de vrouw toedelen en bepalen dat de vrouw € 2.500,- aan de man moet voldoen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap afwijzen.
Verbeuren aandeel gemeenschap
De man heeft primair verzocht te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW € 80.000,- aan de man moet vergoeden en subsidiair dat het bedrag van € 80.000,- wordt verdeeld en de vrouw uit hoofde hiervan € 40.000,- aan hem dient te betalen. Hiertoe heeft de man het volgende aangevoerd. Op 15 en 16 september 2023 heeft de vrouw in totaal € 80.000,- van de gezamenlijke spaarrekening naar haar eigen rekening overgemaakt. De man heeft toen het op de gezamenlijke rekening resterende bedrag van € 27.750,- naar zijn eigen rekening gestort, waar dat bedrag nog steeds op staat. De man heeft betwist dat de vrouw onvoldoende in staat was om de kosten van de huishouding te dragen. De man heeft gesteld dat hij een groot deel van de kosten voor de woning en de kinderen op zich heeft genomen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw het bedrag van € 80.000,- opzettelijk zoek heeft gemaakt c.q. verborgen gehouden en hier geen openheid van zaken over heeft gegeven. Daarom heeft zij haar aandeel in dit bedrag verbeurd.
De vrouw heeft zich verzet tegen de verzoeken. Zij heeft gesteld dat artikel 3:194 lid 2 BW niet van toepassing is, omdat de betalingen op 15 en 16 september 2023 zijn verricht, dus ruim voor de peildatum. Artikel 1:164 lid 1 BW is evenmin van toepassing, omdat dit artikel ziet op de periode vanaf zes maanden voor indiening van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft aangegeven dat zij nooit heeft ontkend dat zij bedragen van de gezamenlijke rekening naar haar eigen rekening heeft overgemaakt. De vrouw heeft uitsluitend gehandeld vanuit de behoefte om financiële zekerheid voor zichzelf en de kinderen te creëren, mede gelet op de onzekere situatie die was ontstaan na het onverwachte vertrek van de man uit de echtelijke woning. De vrouw heeft betwist dat de man in grote mate in de kosten van de kinderen heeft bijgedragen. Het bedrag van € 80.000,- is volgens de vrouw alleen gebruikt om te voorzien in de kosten van het levensonderhoud van het gezin en de kosten voor de vaste lasten en nutsvoorzieningen.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling staat het volgende voorop. Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt als volgt:
“Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:565) onder meer overwogen dat gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op art. 3:194 lid 2 BW rusten op degene die zich op deze bepaling beroept. Aan het bewijs van het daarin bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld.
Vast staat dat de vrouw in september 2023 een bedrag van € 80.000,- van de gezamenlijke rekening heeft gehaald. De man had hier inzicht in, wat mede blijkt uit het feit dat hij heeft erkend op 22 oktober 2023 zelf het resterende bedrag van € 27.750,- naar zijn eigen rekening te hebben overgemaakt. Voor de man was dus duidelijk dat de vrouw het bedrag naar zichzelf had overgemaakt. Gebleken is dat er op de peildatum nog een bedrag van € 29.448,08 op de bankrekening van de vrouw stond. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat dit het restant is van de door haar opgenomen € 80.000,-. De vrouw heeft verder onweersproken gesteld dat zij van het door haar van de gezamenlijke rekening opgenomen bedrag een auto heeft gekocht voor een bedrag van € 16.000,-. Daarnaast heeft de vrouw als producties 3 en 4 een overzicht van haar maandelijkse lasten, te weten € 4.111,49 per maand, en ING-overzichten van haar uitgaven overgelegd. Uit deze overzichten blijkt dat zij sinds het uiteengaan met de man uitgaven had, ook voor de kinderen, die haar inkomen uit een WIA-uitkering ruim overstegen. In die periode ontving de vrouw van de man geen of slechts een beperkte bijdrage in die kosten en heeft zij, zoals de vrouw op de zitting heeft toegelicht, de kinderbijslag, maar niet het kindgebonden budget ontvangen omdat de man nog stond ingeschreven op het adres van de echtelijke woning.
Gelet op het bovenstaande heeft de man naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt dat sprake is van het opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW, mede in het licht van de zware eisen die de Hoge Raad hieraan heeft gesteld, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen.
Gebruiksvergoeding
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw hem met ingang van de datum van de beschikking een gebruiksvergoeding van € 750,- dient te betalen voor het gebruik en woongenot van zijn eigendom. De man baseert dit verzoek op het woonbudget van de vrouw van € 939,- per maand. Hij acht daarom een gebruiksvergoeding van € 750,- per maand redelijk en billijk.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij heeft aangegeven dat de man de woning vrijwillig heeft verlaten en daarom geen verlies van gebruiksgenot heeft. Daarbij rust er geen hypotheek op de woning, zodat de man geen woonlasten heeft. Bovendien heeft de vrouw aangegeven dat zij een WIA-uitkering ontvangt en een gering inkomen heeft. Zij heeft onvoldoende draagkracht om in haar eigen behoefte en die van de kinderen te voorzien. Vaststelling van een gebruiksvergoeding is daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de vrouw sinds de voorlopige voorzieningenprocedure de woonlasten draagt. Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen hypotheek meer rust op de woning. Op de zitting heeft de man desgevraagd bevestigd dat hij de gebruiksvergoeding baseert op het woonbudget. Hier bestaat geen grondslag voor. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2005 te [plaats] ;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2019 te [geboorteplaats] ;
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] met ingang van het schooljaar 2026-2027 bij de man zullen zijn:
- in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij de man de kinderen op vrijdag uit school haalt en op maandag naar school brengt;
- in de daarop volgende week van maandag uit school tot dinsdag naar school, waarbij de man de kinderen op maandag uit school haalt en op dinsdag naar school brengt;
bepaalt voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] de volgende regeling ten aanzien de vakanties en feestdagen:
- voorjaarsvakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vrouw en in de oneven jaren zijn de kinderen bij de man;
- meivakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede bij de man en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Indien de meivakantie één week duurt, zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- zomervakantie: in de even jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
- herfstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen bij de vrouw en in de oneven jaren verblijven de kinderen bij de man;
- kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vrouw en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de man en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week (inclusief oud en nieuw) bij de vrouw;
- reguliere feestdagen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling zijn;
- Suikerfeest en Offerfeest: de kinderen verblijven tot 15.00 uur bij de ouder bij wie ze op dat moment volgens de reguliere zorgregeling zijn en vanaf 15.00 uur tot 22.00 uur bij de andere ouder;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie van € 1.190,- per maand voor de vier kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] :
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke NVM-makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
aan de man worden toegedeeld:
- de bankrekening [bankrekening 4] op naam van de man, waarbij het saldo
op de peildatum (11 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de bankrekening [bankrekening 5] op naam van de man, waarbij het saldo
op de peildatum (11 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
o voor zover deze bestaat: de bankrekening [bankrekening 1] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (11 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (11 maart 2025) van de bankrekening
[bankrekening 2] op naam van beide partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (11 maart 2025) van de bankrekening
[bankrekening 3] op naam van beide partijen;
- de beleggingsportefeuille bij DEGIRO met rekeningnummer [bankrekening 7] op naam van de man, onder de verplichting om de helft van de waarde van de op de peildatum (11 maart 2025) in die portefeuille aanwezige aandelen c.q. obligaties te vergoeden aan de vrouw;
- de beleggingsportefeuille bij Bitvavo op naam van de man, onder de verplichting om de helft van de waarde van de op de peildatum (11 maart 2025) in die portefeuille aanwezige aandelen c.q. obligaties te vergoeden aan de vrouw;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de bankrekening [bankrekening 6] op naam van de vrouw, waarbij het saldo
op de peildatum (11 maart 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (11 maart 2025) van de bankrekening
[bankrekening 2] op naam van beide partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (11 maart 2025) van de bankrekening
[bankrekening 3] op naam van beide partijen;
- de inboedelgoederen, waarbij de vrouw € 2.500,- aan de man dient te
voldoen;
- de auto van het merk Nissan Qashqai met kenteken [kenteken] , waarbij de vrouw € 3.938,- aan de man dient te vergoeden;
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –
uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.