Vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en informatieregeling
Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: nu mr. T.Y. Tsang te Den Haag, voorheen mr. M.S. Odink te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. H. Dreesmann-Bruijntjes,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
Op 25 juni 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de bijzondere curator, [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De moeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.
Feiten
Verzoek en verweer
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
aan de man vervangende toestemming wordt verleend tot erkenning van [de minderjarige] ;
nadat de man [de minderjarige] heeft erkend, de man met de moeder wordt belast met het gezag over [de minderjarige] ;
[de minderjarige] bij de man verblijft:
gedurende de eerste maand twee keer per week twee uur;
daarna twee dagen per week (woensdagmiddag en zondag);
althans een regeling tussen de man en [de minderjarige] in goede justitie te bepalen;
de moeder de man een maal per maand schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent de persoon en het vermogen van [de minderjarige] .
De bijzondere curator adviseert de verzoeken van de man enkel toe te wijzen indien de man meer concreet en met bewijsstukken het verwekkerschap aannemelijk maakt.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar –door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind daardoor in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man de verwekker van het kind is, of de biologische vader van het kind die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De man stelt dat hij de verwekker is van [de minderjarige] . De man en de moeder hebben vanaf 2016 of 2017 een affectieve relatie gehad, die in 2022 is geëindigd. Tijdens deze relatie is [de minderjarige] geboren. Na de geboorte heeft de man onregelmatig contact gehad met [de minderjarige] . Inmiddels heeft hij [de minderjarige] sinds juli 2024 niet meer gezien. De man heeft [de minderjarige] niet mogen erkennen en het is niet gelukt om in onderling overleg met de moeder de omgang te hervatten. Volgens de man schaadt de erkenning de belangen van de moeder niet en de ontwikkeling van [de minderjarige] zal ook niet in het gedrang komen. [de minderjarige] (en de vader) hebben het recht en belang dat de biologische werkelijkheid aansluit bij de juridische werkelijkheid, aldus de man.
De bijzondere curator vindt dat het verzoekschrift te weinig aanknopingspunten bevat om tot toewijzing van het verzoek van de man over te gaan. De man heeft in gesprek met de bijzondere curator gesteld dat hij zeker weet dat hij de vader van [de minderjarige] is, maar de man heeft ook verteld dat partijen een knipperlicht relatie hebben gehad en dat de moeder tijdens hun relatie ook een relatie met een andere man onderhield. De bijzondere curator heeft niet met de moeder gesproken, omdat de moeder op de uitnodigingen voor een gesprek niet heeft gereageerd. De visie van de moeder is hierdoor niet bekend. De bijzondere curator merkt verder op dat er geen nadere bewijsstukken of resultaten van een DNA-onderzoek voorhanden zijn die de stelling van de man dat hij de verwekker is van [de minderjarige] aannemelijk maken. De bijzondere curator stelt dat van de man verwacht mag worden dat hij zijn stellingen nader onderbouwt met concrete bewijsstukken. Daarvoor kunnen bijvoorbeeld foto's van de man en de moeder, van de man en [de minderjarige] , maar ook andere bewijsstukken zoals een kopie van het geboortekaartje of verklaringen van derden dienen. Indien de man erin slaagt om het verwekkerschap aannemelijk te maken, dan adviseert de bijzondere curator om het algemene uitgangspunt te volgen dat de erkenning in het belang van het kind is en dus het verzoek van de man toe te wijzen.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij de verwekker van [de minderjarige] is onvoldoende heeft onderbouwd. Dit had wel van hem mogen worden verwacht. De bewijslast rust op de man en in redelijkheid mag worden verwacht dat als de man inderdaad jarenlang een relatie met de moeder heeft gehad, hij de verwekker is van [de minderjarige] en in de eerste jaren van [de minderjarige] ’s leven veel contact met hem heeft gehad, hij dat met bewijsstukken nader kan onderbouwen. De man is daarop door de bijzondere curator ook uitdrukkelijk gewezen – onder vermelding van concrete suggesties voor het soort stukken waarmee de man het verwekkerschap aannemelijk zou kunnen maken – en heeft vervolgens meer dan een half jaar de tijd gehad om nadere stukken te verzamelen en in te dienen, maar heeft dat nagelaten. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken ook geen aanleiding om een DNA-onderzoek te gelasten. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] af.
Gezag
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Gelet op deze wetsbepaling moet de man [de minderjarige] eerst hebben erkend, voordat hij samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] kan worden belast. Met ‘ouder’ wordt namelijk de juridisch ouder bedoeld en niet de verwekker. Omdat de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] afwijst, wordt hij niet de juridische vader van [de minderjarige] . Daarom kan hij niet verzoeken om het gezamenlijk gezag. De rechtbank zal de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a lid 2 BW kan een omgangsregeling tussen een kind en de verwekker die het kind niet heeft erkend worden vastgesteld, als sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de man de verwekker van [de minderjarige] is. De rechtbank is verder van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [de minderjarige] . Hij heeft ter zitting weliswaar vijf foto’s laten zien waarop hij samen met [de minderjarige] staat, maar daaruit blijkt niet meer dan dat hij [de minderjarige] enkele keren heeft gezien. Dat is niet genoeg om te kunnen concluderen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [de minderjarige] . Daarom verklaart de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen.
Informatieregeling
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Hierbij wordt met ‘ouder’ bedoeld diegene die de juridische vader of moeder van het kind is. Het recht op informatie komt ook toe aan de biologische vader die het kind niet heeft erkend, maar die wel in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De rechtbank overweegt dat de man niet de juridisch ouder is van [de minderjarige] en dat – zoals hiervoor is overwogen – ook niet aannemelijk is geworden dat de man in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de minderjarige] . Daarom verklaart de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een informatieregeling vast te stellen.
Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning af;
*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag, het vaststellen van een omgangsregeling en het vaststellen van een informatieregeling;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.