Beschikking op het op 25 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A.M. Ansink te Haarlem.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Sietsma te Koog aan de Zaan.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Gelet op de inhoud van de stukken heeft de rechtbank aanleiding gezien om de zaak zonder mondelinge behandeling op de stukken af te doen. Beide partijen hebben daarmee ingestemd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2005 tot [datum 2] 2019.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats], hierna; [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2].
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Bij beschikking van 10 juli 2019 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader zullen zijn:
- eenmaal in de twee weken van vrijdag rond 16.00 uur tot zondag tussen 17.00 uur en 18.00 uur;
- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen;
waarbij de vader zorgt voor het halen en brengen;
- bepaald dat de vader, met ingang van 1 juli 2019, voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder zal betalen een bedrag van € 125,- per maand per kind, vanaf 10 juli 2019 telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
De vader heeft verzocht:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader is;
- te bepalen dat, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank, de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] op nihil wordt gesteld, primair met ingang van 20 januari 2026, subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de moeder zelfstandig verzocht:
Gedurende de procedure hebben beide partijen hun verzoeken ingetrokken. De moeder heeft wel haar verzoek om een proceskostenveroordeling gehandhaafd.
Beoordeling
De moeder heeft gesteld dat sprake is van nodeloos dan wel lichtvaardig procederen door de vader. De moeder stelt rond 18 maart 2026 begrepen te hebben dat de vader voornemens was om zijn verzoek in te trekken. Op 18 maart 2026 heeft de advocaat van de moeder dit aan de advocaat van de vader nagevraagd. De vader heeft zijn verzoek pas na afloop van de verweertermijn ingetrokken. De moeder stelt daarom proceskosten te hebben moeten maken, zij begroot die op € 313,22 voor de eigen bijdrage voor gesubsidieerde rechtsbijstand en € 93,- voor het griffierecht.
De vader heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangegeven dat [minderjarige 2] enkele weken na indiening van het verzoekschrift terug naar de moeder is gegaan. De vader heeft zijn verzoek toen niet ingetrokken, omdat de situatie volgens hem nog niet stabiel was en niet viel uit te sluiten dat [minderjarige 2] mogelijk opnieuw terug zou willen naar de vader. De vader stelt met het intrekken te hebben gewacht tot er zicht was dat [minderjarige 2] zich veilig en stabiel voelde bij de moeder.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij of als er sprake is van misbruik van recht.
Onweersproken is dat vanaf 20 januari 2026 [minderjarige 2] bij haar vader heeft verbleven en dat zij vanaf 12 maart 2026 weer bij haar moeder verblijft. De advocaat van de moeder heeft zich op 3 maart 2026 gesteld in deze procedure en heeft namens de moeder op 26 maart 2026, één dag voor het verstrijken van de verweertermijn, een verweerschrift ingediend. Op 1 juni 2026 heeft de vader vervolgens zijn verzoek ingetrokken. Als de vader voor het verstrijken van de verweertermijn zijn verzoek had ingetrokken, was de moeder geen griffierecht van € 93,- verschuldigd geweest. Dat de vader dat niet heeft gedaan omdat de situatie volgens hem op dat moment nog niet stabiel was en [minderjarige 2] mogelijk terug naar hem zou willen, vindt de rechtbank geen onredelijke proceshouding. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het hierboven omschreven uitgangspunt en zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.