Wijziging voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.S. de Haas te Geertruidenberg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als niet-ingezetene (RNI),
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 9 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Door de advocaten zijn pleitnotities overgelegd.
[minderjarige] is niet in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven in deze procedure omdat het zelfstandig verzoek met betrekking tot de zorgregeling laat werd gedaan. De rechtbank heeft – zoals zij ter zitting heeft aangegeven – wel kennisgenomen van de inhoud van het recente gesprek dat [minderjarige] met de kinderrechter heeft gevoerd in het kader van de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/704418 en FA RK 26-4369.
Feiten
Verzoek en verweer
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 september 2025 is – voor zover hier aan de orde – een door de vrouw aan de man, met ingang van 26 september 2025 te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.142,- per maand vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en is het ter zitting gedane verzoek tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling afgewezen.
De vrouw verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank voor de duur van de procedure de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde partneralimentatie wijzigt, althans op nihil stelt per 1 februari 2026, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
In deze voorlopige voorzieningenprocedure heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht en wordt Nederlands recht toegepast.
Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen kan worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kunnen blijven. Bij de toepassing van dit artikel geldt dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de getroffen voorziening mogelijk is. Immers, met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn, wat niet de bedoeling is.
Voorlopige partneralimentatie
Beide partijen verzoeken een wijziging van de voorlopige partneralimentatie die bij beschikking van 26 september 2025 is vastgesteld en stellen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
De vrouw voert in dit verband aan dat de man, gelet op zijn opleiding en werkervaring, in staat is om meer te werken en daarmee meer inkomsten te genereren dan hij nu doet. Zij stelt dat daarom niet langer kan worden uitgegaan van een behoefte aan partneralimentatie aan de zijde van de man. Daarnaast stelt de vrouw dat van haar niet kan worden verlangd dat zij partneralimentatie blijft betalen aan de man, omdat zij aangifte tegen hem heeft gedaan van mishandeling. Ten slotte stelt zij dat zij geen draagkracht (meer) heeft om de voorlopige partneralimentatie te voldoen.
De man betwist dat hij meer kan verdienen dan hij nu doet en stelt dat hij onverminderd behoefte heeft aan een bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud. Volgens de man is het inkomen van de vrouw gestegen en ontvangt zij ook inkomsten uit de verhuur van de tweede woning van partijen, waardoor de partneralimentatie juist zou moeten worden verhoogd. De man betwist ten slotte hetgeen de vrouw omtrent haar draagkracht heeft gesteld.
Ontvankelijkheid
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden niet in zodanige mate zijn gewijzigd dat de ten aanzien van de partneralimentatie getroffen voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. De omstandigheden die de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek, heeft zij ook al aangevoerd in de procedure waarin de kinderalimentatie is vastgesteld. Deze omstandigheden bestonden dus al tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure en zijn ook meegewogen bij het vaststellen van de voorlopige partneralimentatie. Ten aanzien van het door de vrouw gestelde gebrek aan draagkracht overweegt de rechtbank dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat sprake is van een aanmerkelijke wijziging in haar financiële situatie.
Daarnaast heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het inkomen van de vrouw dusdanig is gestegen dat een wijziging van de voorlopige partneralimentatie is gerechtvaardigd, ook gelet op het feit dat de vrouw deze inkomensstijging heeft betwist. Het voorgaande maakt dat de rechtbank partijen niet zal ontvangen in hun respectievelijke verzoeken tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie.
Voorlopige zorgregeling
De man stelt dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat hij nu al geruime tijd geen contact heeft gehad met zijn vader, mede vanwege het plotselinge vertrek van de moeder en [minderjarige] naar [land 1] in de zomer van 2025. Volgens hem moet het contact zo spoedig mogelijk worden hersteld. In dit verband wijst de man erop dat het jeugdteam van de gemeente [gemeente] en Cardea inmiddels betrokken zijn geraakt om de ouders en [minderjarige] (onder meer) te ondersteunen bij het vormgeven van de begeleide contactmomenten.
De vrouw stelt dat het verzoek van de man niet haalbaar is, omdat de man in [land 2] woont en hij geen woonruimte in Nederland heeft waar de door hem verzochte zorgregeling feitelijk kan worden uitgevoerd. Ook vindt de moeder dat eventueel contact moet worden opgebouwd omdat [minderjarige] weer aan de vader moet wennen en dat een week-op-week-af regeling ook daarom niet mogelijk is.
Ontvankelijkheid
Naar het oordeel van de rechtbank is er wel sprake van een relevante wijziging van omstandigheden ten aanzien van de voorlopige zorgregeling, omdat de moeder ten tijde van de beschikking van 26 september 2025 nog in [land 1] verbleef en zij inmiddels met [minderjarige] is teruggekeerd naar Nederland. Daarom zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Ondanks wat de rechtbank in de beschikking van 26 september 2025 heeft overwogen met betrekking tot het realiseren van contact tussen [minderjarige] en de vader, is gebleken dat er geen zorgregeling tot stand is gekomen. De rechtbank stelt vast dat de Raad in de tussentijd wel onderzoek heeft gedaan naar de situatie van [minderjarige] en zijn ouders. Naar aanleiding daarvan zag de Raad geen aanleiding om een ondertoezichtstelling te verzoeken, maar heeft de Raad wel geadviseerd om onder begeleiding van hulpverlening in het vrijwillige kader te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader door middel van begeleide contactmomenten.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat partijen op de wachtlijst staan bij Cardea en dat Cardea heeft aangegeven dat zij de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] alleen kunnen gaan begeleiden als de vader in staat is om hiervoor eens per twee weken naar Nederland te komen. Daarop heeft de vader aangegeven dat dit voor hem op dit moment praktisch onmogelijk is. Nu de vader in [land 2] verblijft, hij geen woonruimte of andere mogelijkheid heeft om hier met [minderjarige] contact te hebben en ook duidelijk is dat hij vooralsnog niet kan meewerken aan een begeleide omgangsregeling, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het verzoek van de man op dit moment toe te wijzen. Daarom zal het verzoek van de man ten aanzien van de voorlopige zorgregeling worden afgewezen.
Ten overvloede benadrukt de rechtbank nogmaals dat de Raad heeft aangegeven dat contactherstel tussen [minderjarige] en de vader enkel kan plaatsvinden door middel van begeleide contactmomenten en dat er hulpverlening voor [minderjarige] moet worden ingeschakeld. De rechtbank ziet op dit moment eveneens het belang van begeleide omgang. De rechtbank doet daarom een beroep op beide ouders om zich te (blijven) wenden tot de betrokken hulpverlening om afspraken te maken over het realiseren van begeleid contactherstel, zodat er op dit gebied duidelijkheid kan worden gecreëerd voor [minderjarige].
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de vrouw en de man niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie;
*
wijst af het meer of anders verzochte.