Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 26 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres te Frankrijk,
advocaat: mr. F. Salouli te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- twee F9-formulieren van 3 juli 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
- het verweerschrift;
- het verslag van de bijzondere curator van 6 juli 2026;
- vier F9-formulieren van 7 juli 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- twee F9-formulieren van 8 juli 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 8 juli 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
Op 9 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat; en
- [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling van het verzoek is op de zitting aangehouden.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 25 juni 2026 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.
Op 9 juli 2026 is de behandeling op een zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam 2] namens de Raad.
De advocaten van beide ouders hebben pleitaantekeningen overgelegd.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad – :
te bepalen dat sprake is van ongeoorloofde overbrenging dan wel ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige kinderen van partijen in Nederland in de zin van artikel 3 HKOV;
de onmiddellijke teruggeleiding van de kinderen naar Frankrijk te bevelen;
de moeder te bevelen de kinderen binnen 48 uur na betekening van de beschikking terug te brengen naar Frankrijk, althans hen aan de vader af te geven zodat hij de kinderen naar Frankrijk kan teruggeleiden;
te bepalen dat de moeder gehouden is haar volledige medewerking te verlenen aan de terugkeer van de kinderen naar hun gewone verblijfplaats in Frankrijk, zodat mede de tussen partijen overeengekomen voorlopige zorgregeling aldaar zonder verdere vertraging of belemmering kan worden hervat;
te bepalen dat dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de moeder in gebreke blijft aan het onder III en IV bepaalde te voldoen;
te bepalen dat, voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen binnen de gestelde termijn terug te geleiden dan wel aan de vader af te geven, deze beschikking met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan worden gelegd;
de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten als bedoeld in artikel 26 HKOV en artikel 13 lid 5 Wet IKO.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2], hierna samen ‘de kinderen’.
Op 30 april 2026 is de moeder met de kinderen uit Frankrijk naar Nederland vertrokken.
De vader heeft zich op 18 mei 2026 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 260056.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 juni 2026 is mr. drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1].
Beoordeling
Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Frankrijk zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van de kinderen in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
In geschil is of de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in Frankrijk hadden. Ook is in geschil of partijen samen belast zijn met het gezag over beide kinderen of dat de moeder van rechtswege belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2].
Gewone verblijfplaats
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is een feitelijk begrip waarbij inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Factoren die daarbij in het bijzonder in aanmerking kunnen worden genomen zijn, naast de fysieke aanwezigheid van het kind, omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met de redenen van het verblijf in het land, de nationaliteit van het kind, schoolgang en kan voorts de bedoeling van de ouders om zich met het kind een andere staat te vestigen een factor zijn waarmee rekening wordt gehouden. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verplaats. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog zeer jong en doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is of zijn de personen bij wie het kind woont en die daadwerkelijk het gezag over hem uitoefent en voor hem zorgen, bepalend.
De rechtbank is van oordeel dat de kinderen de gewone verblijfplaats onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland in Frankrijk hadden. Uit de verklaringen van partijen, de aankoop van de woning in Frankrijk door de moeder en de tekst op de verjaardagskaart bij het vliegticket van [geboorteplaats 2] naar Frankijk “Voor jouw verjaardag geven we je iets heel bijzonders…een Vliegticket! Niet zomaar een reis maar eentje naar ons nieuwe thuis in Frankrijk..” blijkt dat partijen de intentie hadden om zich duurzaam in Frankrijk te vestigen. De moeder heeft dit op de zitting ook erkend: dat het huis is aangekocht met de bedoeling om dat als gezin samen te doen; de vader kon online werken; zij zou voor de kinderen zorgen, er was ruimte om dieren op te vangen en de bedoeling was om er een B&B te starten. Aan dit plan hebben de ouders ook feitelijk uitvoering gegeven. Zij zijn naar Frankrijk verhuisd naar de aangekochte woning, er is een auto gekocht, de paarden vanuit Nederland en de honden uit [geboorteplaats 2] zijn naar Frankrijk overgebracht. De ouders hebben in februari 2026 een email gestuurd naar de burgermeester waarin zij hebben meegedeeld naar zijn dorp te zijn verhuisd, graag een afspraak met hem maken om kennis te maken en vragen hebben gesteld over de inschrijving van [minderjarige 1] op school of kleuterklas. Deze afspraak heeft ook plaatsgevonden. De kinderen zijn aangemeld bij een kinderdagverblijf en zij zijn daar in maart en april ook halve dagen naar toe gegaan. Na het verbreken van de relatie heeft de vader een woning in de buurt gehuurd en zijn er omgangsafspraken gemaakt en uitgevoerd.
Dat de relatie zeer korte tijd na de vestiging van het gezin in Frankrijk is verbroken en de moeder toen naar Nederland is vertrokken, verandert niet dat de gewone verblijfplaats van de kinderen vanaf 8 februari 2026 in Frankrijk was.
Gezag [minderjarige 2]
De vraag wie het gezag over de kinderen uitoefent, moet worden beantwoord naar de regels van artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Beide ouders hebben, naar Nederlands recht, het gezag over [minderjarige 1] omdat de vader haar na 1 januari 2023 heeft erkend en haar gewone verblijfplaats toentertijd in Nederland was. [minderjarige 2] is op [geboortedatum 2] 2025 geboren op [geboorteplaats 2] en had daar toen haar gewone verblijfplaats. De vader heeft haar op 22 april 2025 erkend. Het recht van [geboorteplaats 2] kent geen gezag van rechtswege, zodat de erkenning geen gezag met zich heeft gebracht. Doordat de gewone verblijfsplaats van de kinderen op 8 februari 2026 is gewijzigd naar Frankrijk moet vanaf dat moment naar Frans recht worden beoordeeld of sprake is van gezamenlijk gezag. Dit volgt uit artikel 16 lid 4 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Op basis van artikel 372 van het Franse Burgerlijk Wetboek geldt dat de vader en de moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen over het kind, nu [minderjarige 2] enkele dagen na haar geboorte is erkend door de vader, Dit betekent dat naar Frans recht de vader mede met het gezag over [minderjarige 2] is belast.
Ongeoorloofde overbrenging
Uit het vorenstaande volgt dat de moeder de woonplaats van de kinderen alleen kan wijzigen als zij daarvoor toestemming van de vader heeft.
Het is niet in geschil dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van de kinderen naar Nederland. Daarmee staat vast dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader en komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
De moeder voert aan dat:
Daarom acht de moeder het voor haar niet mogelijk om terug te keren naar Frankrijk en zouden de kinderen volgens haar bij een teruggeleiding naar Frankrijk in een ondragelijke toestand worden gebracht.
De vader betwist dit. De moeder kan terug naar Frankrijk; haar huis is nog niet verkocht en voor zover de moeder niet wil terugverhuizen, kunnen de kinderen bij de vader verblijven. Hij kan voor de kinderen zorgen en heeft dit tijdens het samenzijn van partijen ook altijd gedaan.
De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt van de moeder. Er zijn geen concrete omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat de moeder niet zou kunnen terugkeren naar Frankrijk. Als de moeder niet terugkeert, dan is dat haar keuze en leidt dit daarom al niet tot een ondragelijke toestand voor de kinderen. Verder zijn er geen concrete feiten genoemd waaruit volgt dat de kinderen bij de vader niet veilig zijn. De vader heeft een huurcontract voor een woning overgelegd en foto’s waaruit blijkt dat de kinderen daar eerder bij hem hebben verbleven. De door de moeder aangevoerde omstandigheden zijn verder onvoldoende om te spreken van een ondragelijke toestand voor de kinderen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.
Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden, moet ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen volgen.
Niet uitvoerbaar bij voorraad
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de minderjarigen een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 11 augustus 2026, dat is de derde werkdag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
Sterke arm
Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Dwangsom
Het verzoek van de vader tot oplegging van een dwangsom zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet geen noodzaak voor de oplegging van een dwangsom nu de vader de kinderen zelf kan ophalen als de moeder niet meewerkt aan de teruggeleiding. De rechtbank verwijst in dat kader naar het teruggeleidingsprotocol.
Kosten
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld, nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft.
Bijzondere curator
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
gelast de terugkeer van de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2],
naar Frankrijk uiterlijk op 11 augustus 2026, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Frankrijk en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Frankrijk, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 11 augustus 2026, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Frankrijk;
wijst af het meer of anders verzochte;
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 23 augustus 2026 als beëindigd.