ECLI:NL:RBDHA:2026:23741

ECLI:NL:RBDHA:2026:23741

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-07-2026
Datum publicatie 23-08-2026
Zaaknummer C/09/684287 / FA RK 25-3148
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Erkenning. Afwijzen gezamenlijk gezag. Vaststellen omgangsregeling. Kinderalimentatie - nooit als gezin samengewoond, behoefteverhogende kosten, winst uit onderneming.

Uitspraak

Vervangende toestemming erkenning, gezag, zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 9 januari 2025 bij de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.D.Z. Asmus te Brielle.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer.

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarigen,

in rechte vertegenwoordigd door mr. H. Polat,

advocaat te Rijswijk,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank Rotterdam heeft de zaak bij beschikking van 22 april 2025 doorverwezen naar de Rechtbank Den Haag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

Omdat de erkenning van de kinderen door de man geen geschilpunt meer is tussen de ouders, heeft de rechtbank vooraf aan de bijzondere curator laten weten dat zij niet aanwezig hoeft te zijn bij de zitting.

Op 25 juli 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door mr. J.B. Peters (kantoorgenoot van mr. D.Z. Peters), [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank heeft de ouders na de zitting in de gelegenheid gesteld om samen de erkenning van de kinderen door de man te regelen en de aktes van erkenning in te dienen.

De rechtbank heeft na de zitting ontvangen:

Feiten

Verzoek en verweer

De man verzoekt na wijziging tijdens de zitting – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens – :

de man vervangende toestemming te verlenen om tot erkenning van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over te gaan;

te bepalen dat er een omgangs- c.q. zorgregeling zal bestaan tussen de man en de kinderen van eens in de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school;

het verzoek tot gezamenlijk gezag aan te houden totdat de erkenning van de kinderen is gerealiseerd en nadien te bepalen dat de man gezamenlijk met de moeder zal worden belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

De bijzondere curator adviseert het verzoek ten aanzien van de erkenning toe te wijzen.

De moeder voert geen verweer tegen de gerechtelijke erkenning. Zij voert wel verweer tegen de verzoeken over de omgangs- c.q. zorgregeling en het gezag, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hierbij verzoekt de moeder zelfstandig:

- de man te veroordelen aan de moeder te betalen ten titel van kinderalimentatie een bedrag van € 432,- per maand ten behoeve van [minderjarige 1] en € 508,- per maand ten

behoeve van [minderjarige 2] tot l september 2025 en vanaf l september 2025 € 539,- per maand ten behoeve van [minderjarige 1] en € 615,- per maand ten behoeve van [minderjarige 2] , zulks steeds bij vooruitbetaling te voldoen (derhalve voorafgaande aan de daaropvolgende maand) en zulks met ingang van l december 2024 respectievelijk 26 mei 2025, respectievelijk l september 2025, althans een bedrag/bedragen en ingangsdatum vast te stellen die de rechtbank passend en juist acht;

- de na te melden omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] vast te stellen, inhoudende:

Algemene wisseldagen:

o Op donderdag is de wisseltijd om 8:30 uur: moeder brengt [minderjarige 1] naar school en de man haalt hem uit school op. Bij studiedagen of ziekte wordt [minderjarige 1] om 8:30 uur bij moeder thuis opgehaald.

o Op zaterdag is de wisseltijd om 18:30 uur: dan zorgt de man ervoor dat [minderjarige 1] weer thuis is bij moeder.

o De man is verantwoordelijk voor het halen en brengen.

o Tevens verzorgt de man om de week de logopedie op maandag.

Algemene vakantieregeling:

o Vakanties die twee weken of langer duren, worden gelijk verdeeld tussen beide ouders.

o Feestdagen die uit twee dagen bestaan (zoals Pasen en Pinksteren) worden ook bij helfte verdeeld. Dan blijft [minderjarige 1] tot en met de zondag bij de man en gaat hij die avond terug naar moeder.

o Bij kortere vakanties blijft de normale zorgregeling gelden.

een vakantieregeling voor het schooljaar 2025/2026 vast te stellen conform het voorstel van de moeder;

de kosten tussen partijen te compenseren, zo dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

De man voert verweer tegen de verzoeken van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning

Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.

Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder verzet zich niet tegen het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning. De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek toe te wijzen. De bijzondere curator heeft vastgesteld dat er geen sprake is van bezwaren van de moeder tegen de erkenning en zij acht het in het belang van de kinderen dat hun juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank concludeert op grond van dit alles dat aan de voorwaarden voor vervangende toestemming voor erkenning is voldaan.

Omdat gebleken is dat beide ouders het in het belang van de kinderen vinden als zij door de man erkend worden, heeft de rechtbank hen in de gelegenheid gesteld om de erkenning alsnog zelf te regelen. Dat is hen echter niet gelukt. De rechtbank zal daarom alsnog vervangende toestemming voor de erkenning van de kinderen verlenen.

Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator

Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de kinderen door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Gezag

Op grond van artikel 1:253c BW kan de rechtbank de ouders vervolgens met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt slechts afgewezen indien er a) een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De man stelt dat hij graag een volwaardig ouder wil zijn voor de kinderen. Daar hoort naar de mening van de man ook het gezag over de kinderen bij. Het uitgangspunt in Nederland is ook dat beide ouders het gezag hebben. De man ziet niet in waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

De moeder vindt het gezamenlijk gezag nu niet in het belang van de kinderen, omdat er sprake is van beide in artikel 1:253c genoemde uitzonderingen en contra-indicaties. De moeder stelt dat er nog geen stabiele samenwerking of vertrouwen is. Volgens de moeder moet eerst blijken dat de man duurzaam verantwoordelijkheid neemt en betrokken blijft in het leven van de kinderen en dat de ouders werken aan hun onderlinge communicatie.

De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van de kinderen is om de ouders samen met het gezag te belasten. Hoewel het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over kinderen gezamenlijk door hun ouders wordt uitgeoefend, constateert de rechtbank dat er onvoldoende basis is tussen de ouders om samen belangrijke beslissingen over de kinderen te kunnen nemen. De ouders hebben na het verbreken van hun relatie twee verschillende hulpverleningstrajecten gevolgd: de pilot gezinsvertegenwoordigers van het Centrum voor Jeugd en Gezin en een traject bij Family Supporters. Het is de ouders in beide trajecten niet gelukt om tot concrete afspraken (over beide kinderen) te komen. Tijdens de zitting is gebleken dat beide ouders vinden dat hun communicatie op dit moment nog te slecht is om op een goede manier samen het gezag uit te oefenen. De rechtbank verwacht ook niet dat de huidige situatie binnen korte termijn voldoende zal verbeteren. De rechtbank zal de ouders wel verwijzen naar een traject ouderschapsbemiddeling. Maar door de ernstig verstoorde communicatie verwacht de rechtbank dat de ouders ook na afronden van dat traject nog enige tijd nodig zullen hebben om voldoende vertrouwen in elkaar te krijgen en tot een goede samenwerking als ouders te komen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders indien zij samen belast worden met het ouderlijk gezag. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man afwijzen. Dit betekent dat de moeder alleen belast blijft met het ouderlijk gezag.

Omgangsregeling

[minderjarige 1]

is nu om de week in het weekend bij de man. De man haalt [minderjarige 1] vrijdagmiddag uit school en brengt hem op maandag eerst naar de logopedie en daarna naar school.

De man wil de omgangsregeling graag zo laten als het nu is. De moeder vindt het in het belang van [minderjarige 1] om de omgangsregeling uit te breiden naar elke week van donderdag uit school tot zaterdag 18.30 uur.

De rechtbank stelt voorop dat de ouders het erover eens zijn dat [minderjarige 1] belang heeft bij regelmaat en structuur. De man kan, omdat hij fulltime werkt en gelet op de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] , [minderjarige 1] niet tweemaal per week naar school brengen en uit school (of de BSO) ophalen. Toewijzing van het verzoek van de moeder zou dus betekenen dat [minderjarige 1] structureel door derden moet worden gebracht en gehaald. Dat maakt de regeling onrustig en onduidelijk en dat acht de rechtbank niet in [minderjarige 1] belang. Ook de optie dat de man na zijn werk [minderjarige 1] op donderdag om 18.30 uur ophaalt uit de BSO vindt de rechtbank gelet op de reistijd tussen [plaats 2] en [plaats 1] en de huidige bedtijd van [minderjarige 1] (rond 19.00 uur) niet in zijn belang.

De door de man verzochte omgangsregeling geeft [minderjarige 1] regelmaat en structuur en zorgt ervoor dat de man betrokken is bij het schoolleven van [minderjarige 1] . Ook kan de man bij deze regeling alle zorg voor [minderjarige 1] zelf dragen, zonder dat hij derden hoeft in te schakelen. Dit zorgt voor rust en duidelijkheid voor [minderjarige 1] . Ook heeft de man bij de door hem verzochte regeling iedere week contact met de school van [minderjarige 1] – de ene week als hij hem op vrijdagmiddag ophaalt, de andere week als hij hem op maandagochtend brengt – en ook deze betrokkenheid bij het dagelijks leven van [minderjarige 1] acht de rechtbank wenselijk.

Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat de door de man verzochte omgangsregeling het meest in het belang is van [minderjarige 1] . Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en het verzoek van de moeder afwijzen.

[minderjarige 2]

Tussen [minderjarige 2] en de man is geen omgangsregeling. De man heeft [minderjarige 2] een paar keer gezien.

De man wil – met opbouw – toewerken naar een omgangsregeling waarbij [minderjarige 2] ook om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij hem is. De moeder staat ervoor open om het contact stapsgewijs op te bouwen, maar wil dat dit onder professionele begeleiding zal plaatsvinden.

De rechtbank zal voor [minderjarige 2] een omgangsregeling vaststellen waarbij met opbouw wordt toegewerkt naar dezelfde omgangsregeling die [minderjarige 1] met de man heeft. De rechtbank ziet geen noodzaak om de omgang onder begeleiding op te bouwen. De man is al ongeveer anderhalf jaar structureel betrokken in het leven van [minderjarige 1] . Er is sprake van een omgangsregeling die goed loopt en die de moeder het liefst zou uitbreiden. De rechtbank leidt daaruit af dat dat er geen (zwaarwegende) twijfels zijn bij de moeder over de pedagogische vaardigheden van de man. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 2] dat zij de man ook leert kennen. [minderjarige 2] ziet nu al dat haar broer naar de man gaat en het daar leuk heeft, zo blijkt uit de verklaringen van de moeder. De moeder zal aan [minderjarige 2] moeten uitleggen dat zij ook een leuke tijd gaat doorbrengen met haar vader, om haar zo voor te bereiden op de eerste contactmomenten. Daar heeft de moeder nog even de tijd voor. De rechtbank zal namelijk bepalen dat de omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en de man na de zomervakantie 2026 (vanaf week 36) zal starten.

De opbouw van het contact is om de week, steeds in de week dat de man ook contact heeft met [minderjarige 1] , als volgt:

De rechtbank zal deze opbouwregeling opnemen in het dictum van deze beschikking. Wat meer of anders is verzocht wordt afgewezen.

Vakanties en feestdagen

De ouders zijn het erover eens om als algemene vakantieregeling (voor [minderjarige 1] ) het volgende af te spreken:

- vakanties die twee weken of langer duren, worden gelijk verdeeld tussen beide ouders;

- bij kortere vakanties blijft de normale omgangsregeling gelden;

- Kerst en Oud en Nieuw worden verdeeld in die zin, dat de kinderen het ene jaar Tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de man zijn en het andere jaar Eerste Kerstdag;

- bij de overige feestdagen blijft de normale omgangsregeling gelden.

De rechtbank zal dit opnemen in het dictum van de beschikking. Hierbij zal de rechtbank bepalen dat deze verdeling van de vakanties en feestdagen vanaf 1 januari 2027 ook zal gelden voor [minderjarige 2] . Hierbij merkt de rechtbank op dat de man tijdens de zitting de wens heeft uitgesproken om in de zomervakantie drie weken achter elkaar tijd met de kinderen door te brengen. De rechtbank acht de overgang van om de week een weekend bij de man naar drie weken aaneengesloten bij de man te groot voor kinderen van de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is ook nog niet te voorzien wanneer de kinderen daar wel aan toe zullen zijn. De ouders hebben de zomervakantie nu zo verdeeld: 1 week bij de man, 1 week bij de moeder, 2 weken bij de man, 2 weken bij de moeder (1-1-2-2). Die verdeling acht de rechtbank in het belang van de kinderen en zal de rechtbank daarom vastleggen.

De moeder verzoekt ook een concrete verdeling van de vakanties voor het schooljaar 2025/2026 vast te stellen. De rechtbank zal hiervan enkel nog de verdeling voor de zomervakantie (20 juli – 30 augustus) opnemen. Omdat de andere vakanties al zijn geweest, heeft de moeder geen belang meer bij opname van die verdeling in deze beschikking.

Doorverwijzing hulpverlening

Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.

De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.

Kinderalimentatie

Vooraf

De ouders hebben al met elkaar afgesproken dat de man voorlopig en in afwachting van de beslissing van de rechtbank met ingang van 1 september 2025 een voorschot van € 350,- per maand (in totaal) zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn overeengekomen dat indien de rechtbank een lager bedrag aan kinderalimentatie vaststelt dan € 350,- per maand er geen terugbetalingsverplichting geldt. Indien de rechtbank een hoger bedrag vaststelt dan zal de man het meerdere alsnog aan de moeder voldoen.

Ingangsdatum

De rechtbank ziet aanleiding om eerst over de ingangsdatum te beslissen. De moeder verzoekt om de alimentatie primair met ingang van 1 december 2024 vast te stellen, dan wel subsidiair met ingang van 26 mei 2026, of meer subsidiair met ingang van 1 september 2025. De man verzoekt de alimentatie vast te stellen met ingang van 1 september 2025.

De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om de ingangsdatum vast te stellen op 1 september 2025. In de ongespecificeerde mededelingen van de moeder van 18 november 2024 en 26 mei 2025 dat zij van plan is om kinderalimentatie te gaan verzoeken, ziet de rechtbank geen aanleiding om de ingangsdatum eerder te bepalen.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. Omdat de ouders nooit in gezinsverband hebben samengewoond, moet de behoefte van de kinderen worden bepaald aan de hand van het gemiddelde van de behoefte bij iedere ouder. Dit wordt berekend door de behoefte op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder (inclusief het door haar ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de man (inclusief het fictief te ontvangen kindgebonden budget) vast te stellen. Het gemiddelde hiervan is uiteindelijk de behoefte.

De rechtbank zal de behoefte berekenen aan de hand van de tarieven 2022-I, omdat de relatie van de ouders medio 2022 is beëindigd. De rechtbank gebruikt hierbij de inkomensgegevens uit 2021.

Behoefte op basis van het inkomen van de moeder

De moeder ontving in 2021 een bijstandsuitkering. Zij heeft geen stukken ingediend waaruit de hoogte van de bijstandsuitkering in dat jaar blijkt. De man heeft gesteld dat de bijstandsuitkering van de moeder in 2021 € 12.948,- netto bedroeg. Dit is door de moeder niet betwist. Daarom gaat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen van dit bedrag uit.

Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2022 op € 1.079,- per maand. Bij dit NBI had de moeder fictief recht op een kindgebonden budget van € 468,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en 8 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 271,- per maand.

Behoefte op basis van het inkomen van de man

De rechtbank gaat bij het berekenen van het NBI van de man uit van een winst uit onderneming van € 62.452,- zoals blijkt uit de aangifte IB 2021. De man heeft onweersproken gesteld dat hij zijn onderneming in 2020 is gestart. Daarom houdt de rechtbank in de berekening, naast de zelfstandigenaftrek en de MKB winstvrijstelling, ook rekening met de startersaftrek.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2021 op € 4.111,- per maand. Bij dit NBI had de man fictief recht op een kindgebonden budget van € 332,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2022 en 8 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 996,- per maand.

Gemiddelde behoefte

De gemiddelde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt in 2022 in totaal € 634,- per maand (€ 271 + € 996 : 2). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte in totaal € 741,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte in totaal € 776,- per maand.

Moet de behoefte opnieuw worden berekend?

De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen moet worden berekend op basis van het huidige inkomen van de man. Volgens de moeder is er de afgelopen jaren sprake van een stijging van het inkomen van de man en moet er rekening mee worden gehouden dat de winst uit onderneming blijft stijgen met eenzelfde tempo als de afgelopen jaren en dus in 2025 € 94.140,- per jaar was en in 2026 € 103.554,- per jaar zal zijn.

De man heeft dit betwist. Hij wijst erop dat zijn inkomen fluctueert en dat geen rekening gehouden kan worden met een fictief inkomen.

De rechtbank overweegt dat een aanzienlijke inkomensstijging van een van beide ouders invloed behoort uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Daarom wordt aanbevolen om de behoefte opnieuw te berekenen als één ouder een inkomen verkrijgt dat (zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget) hoger is dan de feitelijke inkomens van de beide ouders bij de vorige vaststelling van de behoefte bij elkaar opgeteld (de drempel).

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man de afgelopen jaren het volgende inkomen (winst uit onderneming) had:

2021 € 62.452,-

2022 € 42.286,-

2023 € 55.559,-

2024 € 72.083,-

Anders dan de vrouw stelt, blijkt hieruit dat er niet enkel sprake is geweest van een constante stijging van de winst van de onderneming van de man. De rechtbank acht het daarom niet redelijk om ervan uit te gaan dat de winst in 2025 – zoals de vrouw stelt en de man betwist – is gestegen naar € 94.140,-. De man stelt dat zijn jaarstukken over 2025 nog niet gereed zijn. Dat komt weliswaar voor zijn rekening en risico, maar gelet op de eerdere fluctuatie in de winst acht de rechtbank het onredelijk om de in 2023 en 2024 gegenereerde winststijging ongewijzigd door te trekken. Bij gebrek aan stukken over het jaar 2025 gaat de rechtbank er wel van uit dat de winst in 2025 ten minste gelijk is gebleven aan de winst in 2024, dus € 72.083,-. De rechtbank overweegt verder dat het bij ondernemers wordt geadviseerd om het NBI te baseren op de gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaren, omdat sprake kan zijn van schommelingen in de winst. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Als het gemiddelde wordt genomen over 2023, 2024 en de fictieve winst over 2025, is er geen sprake van dat het inkomen van de man nu (gemiddeld € 66.575,-) hoger is dan de inkomens van beide partijen uit 2021 bij elkaar opgeteld (€ 75.430,-). Ook als de rechtbank alleen de winst uit onderneming van 2024 als uitgangspunt zou nemen, is dat inkomen van de man niet hoger dan de inkomens van beide partijen in 2021 bij elkaar opgeteld. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om de behoefte opnieuw te berekenen.

Behoefte verhogende kosten

De moeder maakt gebruik van kinderopvang voor de kinderen, omdat zij sinds september 2025 uit de bijstand is en 32 uur per week in loondienst werkt. De moeder heeft de vrijheid om voor de dagen dat zij werkt opvang voor de kinderen te regelen. De rechtbank vindt het onredelijk om van de moeder te verlangen dat zij haar werktijden zo aanpast dat zij alleen in de schooltijd van de kinderen werkt, waardoor opvang niet nodig zou zijn, terwijl de man zelf – vanwege zijn werk – niet bereid is om meer zorg op zich te nemen. De rechtbank vindt het in dit geval redelijk om het tabelbedrag te verhogen met de netto kinderopvangkosten van gemiddeld en afgerond € 574,- per maand. De man heeft de hoogte van de netto opvangkosten niet betwist. De rechtbank is verder van oordeel dat deze kosten in vergelijking met de hiervoor berekende tabelbehoefte dusdanig hoog zijn dat deze kosten niet kunnen worden gecompenseerd door lagere uitgaven op andere posten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het tabelbedrag verhogen met afgerond € 574,- per maand. De behoefte van de kinderen bedraagt met deze verhoging in 2025 in totaal € 1.315,- per maand en in 2026 in totaal € 1.350,- per maand.

Draagkracht ouders

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld. Hierbij maakt de rechtbank verschillende berekeningen, omdat gebleken is dat de moeder per 1 april 2026 een andere baan heeft en de rechtbank in deze beschikking ook voor [minderjarige 2] een omgangsregeling (met opbouw) zal vaststellen wat van invloed is op de zorgkorting.

Periode 1 – 1 september 2025 tot 1 april 2026

Draagkracht moeder

Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.480,- bruto per maand, zoals blijkt uit de salarisstrook van september 2025. De moeder krijgt hiernaast vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremies van € 1,20 en € 73,11 per maand.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI van de moeder in 2025 op € 3.548,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:

70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].

De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 822,- per maand.

De moeder moet haar draagkracht aanwenden voor drie kinderen: [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij geen bijdrage ontvangt van de vader van [minderjarige 3] . De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om de draagkracht van de moeder gelijk te verdelen over [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat het een ongewenste situatie binnen het gezin oplevert als de moeder haar eigen draagkracht niet gelijk kan verdelen over haar drie kinderen. Dit betekent dat de moeder € 548,- beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Draagkracht man

De rechtbank ziet ook bij de berekening van de draagkracht van de man geen aanleiding om aan te sluiten bij de door de moeder geschatte winst uit onderneming van € 94.140,- per jaar. Dit is immers een geschat inkomen gebaseerd op de aanname dat sprake is van een constante stijging van de winst. De rechtbank vindt het, zoals hiervoor uiteengezet, redelijk om de winst over de afgelopen drie jaren als uitgangspunt te nemen, waarbij zij in 2025 uitgaat van een fictieve winst gelijk aan die in 2024 van € 72.083,- per jaar. Dat betekent dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaat van een gemiddelde winst uit onderneming van € 66.575,- per jaar.

Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstvrijstelling en heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 4.057,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:

70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)].

De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.071,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de man en de moeder gezamenlijk bedraagt € 1.619,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Daarom heeft de rechtbank een draagkrachtvergelijking gemaakt waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 870,- per maand voor rekening van de man. Dat is € 435,- per kind per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat voor [minderjarige 1] sprake is van een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 56,- per maand (15% van € 371,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel.

De rechtbank zal voor [minderjarige 2] geen rekening houden met zorgkorting, omdat er nog geen contact is tussen de man en [minderjarige 2] .

Aandeel van de man

Gelet op het voorgaande bedraagt de door de man te betalen bijdrage € 379,- per maand voor [minderjarige 1] en € 435,- per maand voor [minderjarige 2] .

Periode 2: vanaf 1 april 2026

Draagkracht moeder

Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.144,- bruto per maand, zoals blijkt uit de salarisstroken van april en mei 2026. De moeder krijgt hiernaast vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremies van € 309,20, € 3,01 en € 9,24 per maand.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 3.989,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:

70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)].

De draagkracht van de moeder bedraagt dan € 999,- per maand. Van deze draagkracht heeft de moeder € 666,- beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Draagkracht man

De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 66.575,-. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar wat hiervoor is overwogen.

Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstvrijstelling en heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.064,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule:

70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)].

De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.036,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van de man en de moeder gezamenlijk bedraagt € 1.702,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Daarom heeft de rechtbank een draagkrachtvergelijking gemaakt waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 822,- per maand voor rekening van de man. Dat is € 411,- per kind per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat voor [minderjarige 1] sprake is van een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 58,- per maand (15% van € 388,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man.

De rechtbank zal voor [minderjarige 2] eerst nog geen rekening houden met zorgkorting, omdat er op dit moment nog geen contact is tussen de man en [minderjarige 2] . Het contact tussen de man en [minderjarige 2] zal na de zomervakantie 2026 worden opgebouwd naar uiteindelijk om de week een weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school. De rechtbank vindt het redelijk om met ingang van 1 januari 2027 ook voor [minderjarige 2] uit te gaan van een zorgkortingspercentage van 15%. Vanaf dat moment strekt de zorgkorting van afgerond € 58,- per maand in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man.

Aandeel van de man

Gelet op het voorgaande bedraagt de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] vanaf

1 april 2026 € 353,- per maand. De door de man voor [minderjarige 2] te betalen bijdrage bedraagt vanaf 1 april 2026 € 411,- per maand en vanaf 1 januari 2027 € 353,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man in de periode 1 september 2025 tot 1 april 2026 een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 379,- per maand voor [minderjarige 1] en van

€ 435,- per maand voor [minderjarige 2] . Verder zal de rechtbank beslissen dat de man met ingang van 1 april 2026 een kinderalimentatie moet betalen van € 353,- per maand voor [minderjarige 1] en van € 411,- per maand voor [minderjarige 2] . De bijdrage voor [minderjarige 2] zal vanaf

1 januari 2027 ook € 353,- per maand bedragen. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij ervan uit gaat dat partijen de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf per 1 januari 2027 zullen indexeren overeenkomstig artikel 1:402a BW.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 4] 2000 te [geboorteplaats 3] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 5] 1988 te [geboorteplaats 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 1] ;

*

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , bij de man zal zijn: om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag uit school haalt en op maandag naar school brengt;

*

bepaalt dat voor [minderjarige 1] in de zomervakantie 2026 (20 juli – 30 augustus) de volgende verdeling geldt:

*

bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:

- vakanties die twee weken of langer duren, worden gelijk verdeeld tussen beide ouders;

- in de zomervakantie geldt daarbij dat de kinderen eerst één week bij de ene ouder verblijven, vervolgens één week bij de andere ouder, dan twee weken bij de ene ouder en twee weken bij de andere ouder;

- bij kortere vakanties blijft de normale omgangsregeling gelden;

- Kerst en Oud en Nieuw worden verdeeld in die zin, dat de kinderen het ene jaar Tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de man zijn en het andere jaar Eerste Kerstdag

- bij de overige feestdagen blijft de normale omgangsregeling gelden;

waarbij geldt dat [minderjarige 2] vanaf 1 januari 2027 ook volgens deze verdeling vakanties en feestdagen zal doorbrengen bij de man;

*

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 1] , om de week bij de man zal zijn volgens de volgende opbouwregeling:

waarbij geldt dat deze opbouwregeling van start gaat na de zomervakantie van 2026;

*

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de man] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;

*

bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang van 1 september 2025 tot 1 april 2026, een kinderalimentatie zal betalen van € 379,- per maand ten behoeve van [minderjarige 1] en van € 435,- per maand ten behoeve van [minderjarige 2] ;

bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang van 1 april 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 353,- per maand, zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang van 1 april 2026 tot 1 januari 2027, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] van € 411,- per maand zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang 1 januari 2027, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] van € 353,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Behoefte

Draagkracht periode 1

Draagkracht periode 2

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Verkerk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand