Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 22 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.E. Gout de Kreek te Geervliet.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 juni 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder met hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is [naam] verschenen.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2019.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats].
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.
- Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het door hen opgestelde echtscheidingsconvenant aangehecht. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt – onder andere en voor zover in deze procedure van belang – dat partijen hebben afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week van vrijdag na school tot maandag naar school en de andere week van maandag na school tot dinsdag naar school en eens per vier á vijf weken op woensdagmiddag bij de vader verblijven, alsmede een deel van de schoolvakanties.
Verzoek en verweer
De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ook heeft de moeder zelfstandig verzocht de tussen partijen geldende zorgregeling te wijzigen in die zin dat geen verplichte verblijfsmomenten en overnachtingen meer gelden en:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
De rechtbank heeft ter zitting een vergelijk tussen partijen beproefd.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling)
Standpunt vader
Volgens de vader verliep de zorgregeling sinds de scheiding in 2019 goed. De kinderen waren altijd ontspannen en vrolijk als zij bij de vader waren. Sinds medio 2025 wordt de zorgregeling echter niet meer uitgevoerd, omdat de moeder stelt dat de kinderen minder bij de vader willen zijn. Volgens de vader kan en mag van de kinderen niet worden verwacht dat zij beslissingen nemen over de contactmomenten met hun vader. De vader vermoedt dat de gevraagde wijziging is ingegeven door het voornemen van de moeder om met de kinderen te verhuizen. De vader heeft, in het belang van de kinderen, besloten zich niet tegen de voorgenomen verhuizing te verzetten. De vader heeft een zorgregeling voor ogen waarbij de kinderen één week per vier weken (van vrijdag na school tot vrijdag naar school) bij hem verblijven en de overige drie weken bij de moeder. Dit biedt de vader de mogelijkheid om daadwerkelijk invulling te geven aan zijn rol in de dagelijkse opvoeding, met voldoende rust en structuur voor de kinderen. Bovendien is deze regeling ook na de voorgenomen verhuizing praktisch uitvoerbaar.
Subsidiair verzoekt de vader een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school tot maandagochtend bij hem zijn. Ook deze regeling sluit (ook na de voorgenomen verhuizing) goed aan op hun school-, sport- en werkverplichtingen en waarborgt tegelijkertijd regelmatige en betekenisvolle contactmomenten.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat de aanleiding voor de huidige situatie in de uitdrukkelijke en reeds gedurende langere tijd bestaande weerstand van beide kinderen tegen het voortzetten van de bestaande zorgregeling ligt. In het bijzonder heeft [minderjarige 1] gedurende langere tijd aangegeven dat zij zich niet prettig voelt binnen de bestaande regeling en dat zij de verplichting om bij de vader te verblijven als belastend ervaart. Ook [minderjarige 2] heeft in toenemende mate aangegeven dat hij geen behoefte meer heeft aan verblijf bij de vader. De moeder maakt zich ernstige zorgen over de (psychosociale) veiligheid en het emotioneel welzijn van de kinderen, waarbij zij voor november 2025 heeft ervaren dat de kinderen structureel werden blootgesteld aan spanningen en omstandigheden die hun ontwikkeling en welzijn bedreigden.
Oordeel rechtbank
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de problematiek die er speelt. Er is sprake van contactverlies van de kinderen met de vader en de communicatie tussen de ouders verloopt niet goed. In het gesprek dat de kinderrechter met de kinderen heeft gevoerd, waren zij heel stellig in hun mening. De gebeurtenissen waarover de kinderen hebben verteld, baren de rechtbank los van elkaar niet direct grote zorgen. Waar de rechtbank zich wel zorgen over maakt, is dat de kinderen zich niet vrij lijken te voelen om met hun vader te praten over dingen die zij niet fijn vinden. De kinderen bespreken dat wel met hun moeder, maar zij bespreekt dat evenmin met de vader. De vader is zich er daardoor niet van bewust als er dingen gebeuren die de kinderen niet fijn vinden, en heeft daarom ook niet de kans om voorvallen uit te spreken met de kinderen of zijn gedrag aan te passen. Dit leidt tot oplopende frustraties en onbegrip tussen alle betrokkenen. Bij de vader, die zijn best doet om voor de kinderen te zorgen maar de aansluiting niet altijd vindt en ook niet te horen krijgt wat hij in de ogen van de kinderen anders of beter zou kunnen doen. Bij de kinderen die hun hart luchten bij hun moeder, maar geen verandering zien. En bij de moeder, die steeds meer weerstand ziet bij de kinderen, maar niet in staat is om dat met de vader te bespreken omdat zij na een heftige ruzie in het verleden niet meer met hem over moeilijke onderwerpen durft te praten.
Tijdens de zitting is met de ouders en de raad gesproken over mogelijke hulpverlening om verandering te brengen in deze situatie. Drie verschillende vormen van hulpverlening liggen daarbij in de rede. Allereerst systeemtherapie via Family Supporters, om alle gezinsleden te helpen bij het verwerken van het verleden en hen handvatten te bieden bij het omgaan met boosheid en bij het bespreken van moeilijke onderwerpen met elkaar. Ten tweede een traject voor ouderschapsbemiddeling of Parallel Solo Ouderschap, om de ouders te helpen het gezamenlijk ouderschap in de toekomst beter vorm te geven. Tot slot de benoeming van een bijzondere curator, om (nogmaals) met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te spreken over het (dreigende) contactverlies en de belangen van de kinderen in deze procedure te vertegenwoordigen.
De ouders hebben ter zitting toegezegd dat zij zich via de huisarts zullen melden bij Family Supporters voor het volgen van systemische hulp. Ook hebben beide ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het traject bij Family Supporters. Van de via het Kenniscentrum Kind en Scheiding ingeschakelde uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
De rechtbank heeft na de zitting contact opgenomen met mevrouw drs. A. van Teijlingen, kantoorhoudende te [plaats]. Zij is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te treden. Zij zal na de zomervakantie contact opnemen met de ouders en van start gaan met haar opdracht. De bijzondere curator zal de kinderen vertegenwoordigen en hun belangen behartigen.
Van de bijzondere curator wordt verwacht dat zij met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de beide ouders in gesprek gaat om het volgende te onderzoeken en daarover advies uit te brengen:
Het staat de bijzondere curator vrij om te zoeken naar een oplossing van het geschil die door alle betrokkenen gedragen wordt. Verder staat het de bijzondere curator vrij, als zij dit nodig vindt, om informatie over de kinderen op te vragen bij derden, om zodoende een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van hun situatie en te kunnen bepalen wat in hun belang noodzakelijk is.
De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders hun volledige medewerking zullen verlenen aan het onderzoek door de bijzondere curator en op haar eerste verzoek de gevraagde informatie zullen verstrekken en zullen reageren op uitnodigingen om met haar in gesprek te gaan.
De rechtbank verzoekt de advocaten van de ouders hun telefoonnummer en e-mailadres tijdig te sturen naar het in het dictum opgenomen e-mailadres van de bijzondere curator, zodat zij hen kan uitnodigen voor een eerste gesprek. Zoals hiervoor vermeld zal de bijzondere curator na de zomervakantie 2026 haar onderzoek starten en dus niet vóór die tijd contact met de ouders opnemen.
De bijzondere curator wordt verzocht om voor na te melden pro formadatum schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen. Indien de bijzondere curator meer tijd nodig heeft, dan kan zij een verzoek tot uitstel doen.
De rechtbank zal na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator en zodra er duidelijkheid is over traject ouderschapsbemiddeling zo nodig een nieuwe behandeling ter zitting plannen waarvoor de ouders, de bijzondere curator en de raad zullen worden opgeroepen. De rechtbank zal verdere beslissingen over de zorgregeling, de informatieregeling en de proceskosten aanhouden tot na te melden pro formadatum.
Beslissing
De rechtbank:
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mw. drs. A. van Teijlingen, kantoorhoudende te [plaats] aan de [adres 1], telefoonnummer:
[telefoonnummer], e-mailadres: [e-mailadres];
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
verzoekt de vader en de moeder hun telefoonnummers en e-mailadressen aan de bijzondere curator per e-mail toe te sturen;
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk 30 november 2026, of zoveel eerder als mogelijk, schriftelijk verslag doet aan de rechtbank en de ouders, en daarvan ook een afschrift stuurt aan de Raad;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop, als zij dat willen, schriftelijk kunnen reageren; deze reactie moet aan de rechtbank, aan de bijzondere curator, de andere ouder en de Raad worden toegezonden;
bepaalt dat indien de behandeling ter zitting na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator wordt voortgezet, de voortgezette behandeling zal plaatsvinden in aanwezigheid van de bijzondere curator;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader], (de vader)
wonende te [adres 2], [woonplaats]
en
[de moeder],
wonende te [adres 3], [woonplaats]
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatieregeling en de proceskosten aan tot 15 april 2027 pro forma.