RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706072 / JE RK 26-930
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
- [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek uit 's-Gravenhage,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas uit Zoetermeer.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026;
het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 9 juli 2026.
Op 10 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank met gesloten deuren
behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek
als het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en te bepalen dat de moeder met het eenhoofdig gezag wordt belast alsook het zelfstandig verzoek van de vader dat de bestaande weekendregeling wordt gehandhaafd ( / FA RK 25-5362). Op het verzoek van de moeder en het zelfstandig verzoek van de vader wordt door de rechtbank afzonderlijk beslist bij beschikking van vandaag.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1], namens de Raad;
[naam 2], namens de beoogde gecertificeerde instelling;
de moeder via videoverbinding en haar advocaat (aanwezig in de zittingszaal);
de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter kort samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van vandaag in de zaak met nummer / FA RK 25-5362, wordt beslist dat voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen toekomt en wordt het verzoek van de vader met betrekking tot de contactregeling afgewezen.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek in het raadsrapport als volgt gemotiveerd.
De kinderen zijn de afgelopen jaren getuige geweest van ruzies en spanningen tussen beide ouders. Ze zijn blootgesteld aan langdurige chronische spanningen in het gezinssysteem en ervaren hierdoor trauma gerelateerde klachten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiten dit voornamelijk internaliserend, in de vorm van angst, spanning en verhoogde waakzaamheid. De jongens hebben vanwege het gedrag van [minderjarige 3] een periode enkele dagen per week bij de grootouders moederszijde verbleven. Ook is hun traumabehandeling gestopt vanwege de aanhoudende onrust en onveiligheid in de thuissituatie. Bij [minderjarige 3] is sprake van ernstige externaliserende gedragsproblematiek met agressieve escalaties en emotieregulatie problematiek. Door haar heftige gedrag zit zij na een incident op school, sinds januari 2026 thuis. [minderjarige 3] gebruikt sinds een aantal maanden antipsychotica. Dit heeft gezorgd voor een verbetering van haar gedrag, maar de Raad merkt op dat deze medicatie niet gericht is op genezing waardoor de onderliggende problematiek nog altijd aanwezig blijft. Het gezin is in het vrijwillig kader aangemeld voor een gezinsopname zodat meer zicht komt op de thuissituatie van de moeder. De Raad ziet bereidwilligheid bij de moeder, maar benoemt dat zij vaker heeft aangegeven achter de inzet van bepaalde hulpverlening te staan en vervolgens geen toestemming heeft verleend dit in te zetten. Dit is ook het geval geweest bij de klinische opname voor [minderjarige 3] waar de moeder aanvankelijk mee instemde. Op het moment dat [zorginstantie 1] een behandelplek gevonden had weigerde de moeder hier aan mee te werken. De Raad acht het daarom wenselijk dat een jeugdbeschermer wordt betrokken om ervoor te zorgen dat de hulpverlening daadwerkelijk opgestart wordt. De kinderen hebben sinds januari 2025 geen contact meer met de vader nadat de begeleide omgang door [zorginstantie 1] is stopgezet. De Raad vindt het voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen belangrijk dat zij op een veilige manier contact kunnen hebben met de beide ouders. De Raad benoemt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] op dit moment open lijken te staan voor contactherstel met de vader. [minderjarige 2] wil dit echter niet. Voordat aan contactherstel gewerkt kan worden is het noodzakelijk dat de (trauma)behandeling van de kinderen hervat wordt. Zodra dit afgerond is en er ruimte is bij de kinderen kan contactherstel begeleid plaatsvinden.
Ter zitting is door de Raad naar voren gebracht dat er momenteel een regievoerder betrokken is bij het gezin vanuit [zorginstantie 2]. Op het moment dat de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken zal de betrokkenheid van [zorginstantie 2] worden stopgezet. Doordat er op korte termijn geen jeugdbeschermer beschikbaar is, betekent dit dat er gedurende een onbepaalde periode geen regievoerder bij het gezin betrokken zal zijn. De Raad acht dit niet in het belang van de kinderen en vraagt daarom om het verzoek in zijn geheel aan te houden voor een periode van negen maanden.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. Er is volgens de moeder geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:255 eerste lid BW. Het zorgelijke gedrag van [minderjarige 3] is verergerd door de herinneringen en gevoelens die naar boven zijn gekomen tijdens de traumabehandeling. Daarom is besloten deze behandeling in vroegtijdig te stoppen. [zorginstantie 1] heeft ook de traumabehandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stopgezet. De moeder heeft in november 2025 [zorginstantie 1] gevraagd om [minderjarige 3] medicatie voor te schrijven of haar aan te melden voor een klinische opname. In januari 2026 is het gedrag van [minderjarige 3] geëscaleerd. Een klinische opname was op dat moment niet beschikbaar en ook niet passend volgens [zorginstantie 1], een crisisplaatsing daarentegen wel. De moeder alsook de betrokken hulpverleners van [zorginstantie 2] achtten dit echter niet passend voor [minderjarige 3] en moeder heeft daarom niet ingestemd met deze plaatsing. Kort daarna is [minderjarige 3] gestart met het gebruiken van medicatie wat heeft geleid tot stabilisatie van haar gedrag. De moeder heeft daarom de vervolgens door [zorginstantie 1] geadviseerde klinische opname afgehouden. De moeder heeft met behulp van haar netwerk en [zorginstantie 2] de situatie doorstaan. De jongens hebben toen het met [minderjarige 3] zo slecht ging, een aantal weken gelogeerd bij opa en oma. Vanuit [zorginstantie 2] zijn een gezinscoach en een gezinsbegeleider betrokken. De gezinsbegeleider heeft ook een rol gespeeld in de terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar huis en het herstel van de relatie tussen hen en [minderjarige 3] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen daarnaast op school ondersteuning van een schoolmaatschappelijk werker en de moeder heeft persoonlijke hulpverlening. De moeder benoemt dat zij hulpverlening niet afwijst, maar zij vindt een klinische opname voor [minderjarige 3] op dit moment niet meer noodzakelijk en acht een alternatieve behandeling, zoals een gezinsopname, meer passend. De moeder geeft aan dat er een vertrouwensbreuk met [zorginstantie 1] is ontstaan – mede doordat [zorginstantie 1] het advies ten aanzien de behandeling van [minderjarige 3] de afgelopen periode heeft gewijzigd en de traumabehandeling voor de jongens heeft stopgezet– en dat komende week een herstelgesprek zal plaatsvinden. Ze ziet graag dat de traumabehandeling van de kinderen wordt hervat. De moeder benoemt daarnaast dat zij al vóór het verzoek om een ondertoezichtstelling op eigen initiatief hulpverlening heeft aangevraagd bij verschillende instanties en dat er geen aanwijzingen zijn dat zij zonder ondertoezichtstelling niet meer aan de hulpverlening zal meewerken. De moeder is van mening dat zij de zorg, die in verband met het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen noodzakelijk is, voldoende accepteert en meewerkt.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De hulpverlening voor de kinderen stagneert en de traumabehandeling is door [zorginstantie 1] stopgezet. De vader vindt het zorgelijk dat [minderjarige 3] sinds januari 2026 niet meer naar school gaat en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanwege het zorgelijke gedrag van [minderjarige 3] een tijd bij de grootouders moederszijde hebben verbleven. De vader betreurt het dat de klinische opname van [minderjarige 3] niet is doorgegaan, zeker nu het de verwachting is dat de gezinsopname door de wachtlijst niet op korte termijn kan starten. De verhouding tussen de vader en de moeder is daarnaast ernstig verstoord waardoor het moeilijk wordt om hulpverlening in het vrijwillig kader op te starten. De hulpverlening is daarnaast vastgelopen door de vertrouwensbreuk tussen de moeder en [zorginstantie 1]. De vader meent dat een regievoerder, in de vorm van een jeugdbeschermer, noodzakelijk is.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. In het vrijwillig kader is het niet gelukt om de zorgen over de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen waardoor de gecertificeerde instelling van mening is dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer passend is. De gecertificeerde instelling merkt daarbij echter op dat er op korte termijn geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor het gezin.
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen indien hij zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouder of de minderjarige de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor de ouder niet of onvoldoende accepteren.
De kinderrechter overweegt het volgende.
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderen hebben een belast verleden doordat zij ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt en zijn blootgesteld aan langdurige spanningen in de thuissituatie. Alle drie de kinderen kampen hierdoor met trauma gerelateerde klachten en komen onvoldoende toe aan hun ontwikkeltaken. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gezien dat zij internaliserend gedrag laten zien, terwijl [minderjarige 3] dit externaliserend uit. Het gedrag van [minderjarige 3] heeft een weerslag (gehad) op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De traumabehandelingen van de kinderen is vroegtijdig beëindigd door het heftige gedrag van [minderjarige 3] en de blijvende onrust in de thuissituatie. Vanwege een incident op school begin dit jaar gaat [minderjarige 3] niet meer naar school. Sinds enkele maanden gebruikt zij voorgeschreven antipsychotica. Het gebruiken van antipsychotica door een minderjarige van negen jaar oud, ook al zorgt het voor een gedragsverbetering, is op zichzelf ook al zeer zorgelijk. Er is hulpverlening nodig om deze ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
Gebleken is dat in het vrijwillig kader reeds effectieve hulpverlening is ingezet. Vanuit [zorginstantie 2] is een gezinscoach betrokken waar wekelijks contact mee is. De gezinscoach heeft mede een regievoerende functie en informeert de vader over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast is er in de thuissituatie van de moeder gedurende twaalf uur per week een gezinsbegeleidster betrokken vanuit [zorginstantie 2]. Deze gezinsbegeleidster biedt de moeder opvoedondersteuning met betrekking tot het complexe gedrag van [minderjarige 3] , is een gesprekspartner voor de kinderen en sluit cultureel sensitief aan bij het gezin. De moeder ervaart veel steun aan deze gezinsbegeleidster en heeft daarnaast individuele hulpverlening voor haar traumabehandeling waarbij zij onder meer EMDR-therapie volgt. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is aanvullende begeleiding ingezet in de vorm van een schoolmaatschappelijk werker.
Ook is [zorginstantie 1] de afgelopen periode betrokken geweest bij het gezin. Door een verschil van inzicht tussen enerzijds de behandelaren van [zorginstantie 1] en anderzijds de behandelaren van [zorginstantie 2] en de moeder, is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [zorginstantie 1] en de moeder. Dit heeft een negatieve weerslag gehad op de situatie. Ter zitting is door de moeder en haar advocaat naar voren gebracht dat er komende week een herstelgesprek met [zorginstantie 1] zal plaatsvinden zodat de vertrouwensband hersteld kan worden. Als dat is gebeurd, kan de traumabehandeling van de kinderen hervat worden; ook is van belang dat de medicatie van [minderjarige 3] onder toezicht wordt afgebouwd.
Uit het voorgaande blijkt dat de moeder actief met de benodigde hulpverlening meewerkt. Ook de vader lijkt mee te werken. Omdat de moeder contact met de vader niet aankan, loopt de hulpverlening wel vertraging ook. Dit is bijvoorbeeld gebleken bij het voorschrijven van de medicatie aan [minderjarige 3] ; het heeft enige tijd geduurd voordat de hulpverleners de toestemming van de vader daarvoor hebben verkregen. De rechtbank doet vandaag echter ook uitspraak in de procedure tussen de ouders over het gezag en het contact tussen de vader en de kinderen. Daarin beslist de rechtbank dat de moeder voortaan alleen het ouderlijk gezag toekomt. Dat betekent dat de expliciete toestemming van de vader voor hulpverlening niet meer nodig is en daarin sneller kan worden geschakeld.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van de kinderen en wijst het verzoek daarom af. De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek aan te houden, zoals verzocht door de Raad. Daarbij speelt ook mee dat de moeder en de kinderen gebaat zijn bij rust en duidelijkheid. Met de uitspraak van vandaag in de andere procedure, ontstaat duidelijkheid over de betrokkenheid van de vader die op dit moment wordt beperkt. Met deze afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling, ontstaat duidelijkheid over de regievoering met betrekking tot de benodigde hulpverlening: die blijft bij [zorginstantie 2]. Een aanhouding van het verzoek betekent dat over negen maanden de moeder weer met haar advocaat en de Raad over dit verzoek moet overleggen. Dat geeft onrust en kost energie die de moeder nodig heeft om met behulp van de vrijwillige hulpverlening, een stabiele thuissituatie voor de kinderen te creëren.
Gelet op het voornoemde wijst de kinderrechter het verzoek af.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.