ECLI:NL:RBDHA:2026:23833

ECLI:NL:RBDHA:2026:23833

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/09/705083 KG ZA 26-504
Rechtsgebied Civiel recht; Aanbestedingsrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanbesteding Defensie voor HTC; geen grond voor ingrijpen in aanbesteding; betoog dat sprake is van belangenconflict, de winnaar niet voldoet aan geschiktheidseisen en de motivering niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen slaagt niet

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/705083 / KG ZA 26-504

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026

in de zaak van

ENVIRONMENTAL TECTONICS CORPORATION S CORP te Southhampton, Verenigde Staten,

eiseres,

advocaten mrs. P.F.C. Heemskerk en J.L.J. van der Zee te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Defensie en zijn ondersteunende dienst Commando Materieel en IT, afdeling Inkoop IT), te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. D. Wolters Rückert en A. Hijmans van den Bergh te Den Haag,

waarin is tussengekomen:

JFJ AVIATION & DEFENCE GmbH te Burgkirchen, Oostenrijk,

advocaten mrs. M.M. Fimerius en C.A.M. Lombert te Rijswijk.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ETC’, ‘Defensie’ en ‘JFJ’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 mei 2026;

- de akte van ETC houdende overlegging producties 1 tot en met 22;

- de incidentele conclusie van JFJ tot primair tussenkomst en subsidiair voeging;

- de nadere akte van ETC houdende een aanvullende onderbouwing vorderingen en overlegging producties 23 tot en met 25;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3;

- het bericht van mr. Fimerius van 9 juli 2026, met bijlagen;

- de op 10 juli 2026 door Defensie overgelegde productie 26;

- de op 13 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 24 augustus 2026 of zoveel eerder als mogelijk.

2. Het incident tot tussenkomst/voeging

JFJ heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen ETC en Defensie dan wel subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van Defensie. Ter zitting hebben ETC en Defensie verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. JFJ is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Defensie heeft ten behoeve van het Centrum voor Mens en Luchtvaart (CML) een Europese aanbestedingsprocedure (mededingingsprocedure met onderhandeling) georganiseerd voor zowel de levering en het onderhoud van een nieuwe Human Training Centrifuge (hierna: ‘HTC’) als de bouw van een nieuw gebouw voor deze HTC (hierna: ‘de Opdracht’). Voor beide deelopdrachten wordt een separate overeenkomst gesloten. Op deze aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) van toepassing.

In de op 26 maart 2025 gepubliceerde European Tender Selection Guide (hierna: ‘de Selectieleidraad’) is de HTC als volgt omschreven:

In paragraaf 2.5.2 van de Selectieleidraad zijn onderstaande vier geschiktheidseisen geformuleerd. Dit betreffen knockout-eisen.

In Annex 3 van de Selectieleidraad (het Reference Contracts Model) is met betrekking tot het eerste knock-out criterium het volgende bepaald:

ETC, JFJ en AMST-Aviation B.V. (hierna: ‘AMST’) hebben zich in de selectiefase aangemeld. Defensie heeft deze drie partijen vervolgens geselecteerd om deel te nemen aan de onderhandelings- en gunningsfase. Van die selectiebeslissing heeft Defensie de geselecteerde partijen op 29 juli 2025 op de hoogte gesteld.

Defensie heeft op 5 september 2025 aan de drie geselecteerde partijen de European Tender Award Guide (hierna: ‘de Gunningsleidraad’) verstrekt. Blijkens paragraaf 2.1 van de Gunningsleidraad gelden in de gunningsfase de volgende vier knock-out criteria:

In paragraaf 2.2 van de Gunningsleidraad valt te lezen dat de Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. De inschrijving met de beste prijs-kwaliteitsverhouding is de inschrijving met de laagste fictieve inschrijfprijs. De fictieve inschrijfprijs wordt berekend door de inschrijfprijs te verminderen met een fictieve korting. De fictieve korting bedraagt maximaal € 8 miljoen. Er zijn vier kwalitatieve subgunningscriteria waarop een fictieve korting kan worden behaald.

In paragraaf 2.2.1 van de Gunningsleidraad is het subgunningscriterium ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ als volgt uitgewerkt:

Paragraaf 2.2.3 van de Gunningsleidraad bevat onderstaande uitwerking van het subgunningscriterium ‘Design’:

Op 30 september 2025 heeft een ‘site survey’ plaatsgevonden, waarbij ETC, JFT en AMST aanwezig waren. Deze drie geselecteerde partijen hebben een voorlopige inschrijving (‘initial bid’) ingediend. Defensie heeft vervolgens één-op-één met deze partijen onderhandeld. Na afloop van die onderhandelingsfase heeft Defensie op 18 december 2025 onder meer het Programma van Eisen (‘Programme of Requirements’ (PoR)) verstrekt (Annex 3 bij de Gunningsleidraad) (hierna: ‘PvE’).

In paragraaf 4 van het PvE zijn de technische vereisten beschreven. In het kader van dit kort geding zijn relevant de vereisten met nummers 11, 110, 111, 114, 125, 128 en 174.

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

Defensie heeft eveneens het document ‘Overzicht Eisen Defensie Soesterberg verstrekt. Voor dit geschil is eis 0953 uit dit document van belang:

Defensie heeft met het oog op het indienen door de inschrijvers van hun ‘Best and Final Offer’ (BAFO) een Nota van Inlichtingen (hierna: ‘NvI BAFO’) verstrekt. Voor dit geschil zijn de in de NvI BAFO beantwoorde vragen 20 en 172 relevant:

(…)

ETC, JFJ en AMST hebben tijdig hun BAFO ingediend. Defensie heeft op 12 maart 2026 verificatievragen aan ETC gesteld. ETC heeft deze verificatievragen op 19 maart 2026 beantwoord.

Bij brief van 8 april 2026 heeft Defensie aan ETC bericht dat a) JFJ de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, b) de inschrijving van ETC op een tweede plaats is geëindigd en c) dat zij voornemens is om de Opdracht aan JFJ te gunnen. Deze gunningsbeslissing bevat de totale fictieve prijzen van de inschrijving van zowel JFJ als ETC en een motivering van de beoordeling van de subgunningscriteria waarop ETC, in tegenstelling tot JFJ, niet maximaal heeft gescoord (‘Energy consumption and sustainability HTC system’ en ‘HTC Design’).

ETC heeft bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing van 8 april 2026. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft Defensie de gunningsbeslissing van 8 april 2026 op 1 mei 2026 ingetrokken en een nieuwe gunningsbeslissing genomen. In die nieuwe gunningsbeslissing valt te lezen dat ETC niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan en dat Defensie voornemens is om de Opdracht aan JFJ te gunnen. Defensie heeft die beslissing onder meer als volgt gemotiveerd:

(…)

(…)

Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft mr. Heemskerk namens ETC de advocaten van Defensie verzocht om binnen één week duidelijkheid te verschaffen over de betrokkenheid van MultiSim B.V. (hierna: ‘MultiSim’) bij de inschrijving van JFJ. Meer in het bijzonder heeft ETC verzocht duidelijk te maken of, en zo ja in welke hoedanigheid, MultiSim een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de inschrijving van JFJ en hoe Defensie in dat geval de onafhankelijkheid van de beoordeling heeft gewaarborgd. ETC heeft daarbij te kennen gegeven dat bij haar de indruk is ontstaan dat voorafgaand aan of tijdens de tender een voorkeur bij Defensie bestond voor een bepaalde oplossing. In dat licht roept volgens ETC de betrokkenheid van MultiSim bij de inschrijving van JFJ – mede vanwege het feit dat Defensie nauw samenwerkt met MultiSim aan diverse trainings- en simulatiesystemen – vragen op over ‘de integriteit en de gelijkwaardigheid van de aanbestedingsprocedure’.

Mr. Wolters Rückert heeft bij e-mail van 8 juli 2026 aan de advocaten van ETC bericht dat Defensie geen voorkeur heeft voor een oplossing waarbij MultiSim wordt ingezet, dat inschrijvers hun eigen modellen en omgevingen mogen gebruiken en dat er om die reden geen informatie over de inschrijving van JFJ zal worden verschaft. Mr. Wolters Rückert heeft daarbij verwezen naar het antwoord op vraag 10 in de (eerste) nota van inlichtingen. Vraag 10 werd gesteld naar aanleiding van een eerdere versie van het PvE, waarin in vereiste 24 werd voorgeschreven dat de HTC het softwareprogramma van MultiSim (Dworld/Dsim), dat in simulatoren wordt gebruikt, moet kunnen ondersteunen. De bewuste vraag en het antwoord daarop luiden als volgt:

4. Het geschil

ETC vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis:

primair:

( i) Defensie te verbieden om op basis van de tweede gunningsbeslissing met de beoogde opdrachtnemer te contracteren, althans Defensie te gebieden aan de tweede gunningsbeslissing geen verdere uitvoering te geven en deze onverwijld na het wijzen van dit vonnis in te trekken;

( ii) Defensie te gebieden om over te gaan tot een herbeoordeling van alle inschrijvingen op alle onderdelen door een nieuwe beoordelingscommissie conform het bepaalde in de Aanbestedingsleidraad en met inachtneming van hetgeen in dit vonnis over die herbeoordeling wordt bepaald;

subsidiair:

( i) Defensie te verbieden om op basis van de tweede gunningsbeslissing met de beoogde opdrachtnemer te contracteren, althans Defensie te gebieden aan de tweede gunningsbeslissing geen verdere uitvoering te geven en deze onverwijld na het wijzen van dit vonnis in te trekken;

( ii) Defensie, voor zover hij de Opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden om over te gaan tot het nemen van een nieuwe gunningsbeslissing, die voldoet aan de eisen van artikel 2.121 van de ADV, een nieuwe stand still termijn bevat en die voorziet in een volledige motivering van alle toebedeelde scores, zodat ETC in staat is om te begrijpen hoe Defensie tot zijn beoordeling is gekomen en kan controleren of de beoordeling conform de beoordelingssystematiek is uitgevoerd;

meer subsidiair:

( i) Defensie te verbieden om op basis van de tweede gunningsbeslissing met de beoogde opdrachtnemer te contracteren, althans Defensie te gebieden aan de tweede gunningsbeslissing geen verdere uitvoering te geven en deze onverwijld na het wijzen van dit vonnis in te trekken;

( ii) Defensie, voor zover hij de Opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden om over te gaan tot een heraanbesteding;

in alle gevallen:

( i) te bepalen dat Defensie een dwangsom verbeurt van € 10.000,-- per dag met een maximum van € 100.000,-- voor iedere dag dat Defensie met het voorgaande in gebreke blijft;

( ii) Defensie te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daartoe voert ETC – samengevat – het volgende aan.

ETC stelt – onder verwijzing naar een brief van de derde inschrijver AMST, die in deze procedure geen partij is – dat JFJ niet beschikt over de vereiste ervaring met de levering of het onderhoud van een HTC-systeem. Daarmee voldoet JFJ volgens ETC niet aan de ter zake in paragraaf 2.5.2 van de Selectieleidraad gestelde knock-out eis. JFJ beschikt volgens ETC evenmin over de noodzakelijke interne technische- en engineeringscapaciteit om de Opdracht binnen de vereiste termijn uit te voeren. Het is volgens ETC onbegrijpelijk dat JFJ zonder aantoonbare ervaring met het ontwerpen en leveren van HTC’s maximaal heeft gescoord. Volgens ETC wordt het project met de keuze voor JFJ blootgesteld aan onnodige technische-, plannings- en veiligheidsrisico’s.

Daarnaast stelt ETC dat de motivering van de gunningsbeslissing niet voldoet aan de eisen van artikel 2.121 ADV. Volgens ETC dient Defensie ook inzicht te verstrekken in de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van JFJ op de subgunningscriteria ‘Project management plan’, ‘Delivery term’ en ‘Design building’, waarop zowel ETC als JFJ maximaal heeft gescoord. Zulks klemt volgens ETC temeer omdat JFJ geen aantoonbare ervaring heeft met het ontwerp en de bouw van een HTC.

Verder stelt ETC dat Defensie haar inschrijving op de subgunningscriteria ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ en ‘Design HTC’ onjuist en/of willekeurig heeft beoordeeld. Volgens ETC is Defensie afgeweken van de vooraf bekendgemaakte beoordelings- en gunningssystematiek. In ieder geval is volgens ETC de motivering van de gunningsbeslissing op onderdelen onbegrijpelijk en/of onnavolgbaar. ETC verwijst in dat verband voor wat betreft eerstgenoemd subgunningscriterium naar hetgeen Defensie in de gunningsbeslissing heeft opgemerkt over piekbelasting, het door haar aangeboden batterijsysteem en de aangeboden zonnepanelen en het inkorten van de arm van de HTC. In het kader van de beoordeling op het subgunningscriterium ‘Design HTC’ zijn volgens ETC onjuist en/of onbegrijpelijk: a) de constatering van Defensie dat sprake is van een beperkt en archaïsch ontwerp van de gondel en de cockpit, b) het oordeel dat de aangeboden stoel, head up display (HUD) en besturingselementen niet vliegtuigspecifiek zijn en c) de constatering van Defensie dat de gondel beperkt configureerbare opties biedt. Deze stellingen van ETC worden hierna in het kader van de beoordeling nader uitgewerkt. Hierdoor kan volgens ETC de gunningsbeslissing niet in stand blijven en dient een volledige herbeoordeling van alle inschrijvingen plaats te vinden dan wel een nieuwe gunningsbeslissing te worden genomen die voldoet aan de vereisten van artikel 2.121 ADV.

Ter onderbouwing van de gevorderde heraanbesteding stelt ETC dat er concrete aanwijzingen zijn dat in deze aanbesteding sprake is van een belangenconflict, waardoor het level playing field is verstoord. Volgens ETC had Defensie bij het organiseren van de aanbesteding al een voorkeur voor een inschrijver die (gezamenlijk) met (een product van) MultiSim zou inschrijven. Die voorkeur voor (producten van) MultiSim blijkt volgens ETC uit de eerdere versie van het PvE en de Compliancymatrix, waarin producten van MultiSim dwingend werden voorgeschreven. Het enkele feit dat Defensie deze eis, nadat hier vragen over waren gesteld, heeft ingetrokken, neemt dit vermoeden van voorkeur niet weg. Integendeel, het versterkt volgens ECT het vermoeden dat Defensie zich aanvankelijk specifiek op het gebruik van MultiSim-software heeft gericht en dat inschrijvers van meet af aan niet gelijk zijn behandeld. Daarnaast vindt het vermoeden van voorkeur volgens ETC steun in de al langer bestaande intensieve samenwerking tussen Defensie en MultiSim in het kader van diverse projecten op het gebied van VR-simulatie en pilotentraining. Verder wijst ETC erop dat MultiSim en Defensie zijn gevestigd op dezelfde locatie en dat zij een sterk vermoeden heeft dat JFJ samen met MultiSim op de aanbesteding heeft ingeschreven. JFJ en MultiSim onderhouden volgens ETC een nauwe samenwerkingsrelatie op het gebied van defensie- en luchtvaartsimulatie. Hierdoor is er een rechtstreeks verband tussen de vooraf bestaande voorkeur en de uiteindelijke winnende inschrijving. Onder die omstandigheden rustte volgens ETC op Defensie de plicht om mogelijke bevoordeling en een belangenconflict doeltreffend te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Concreet dient Defensie volgens ETC inzichtelijk te maken: a) welke contacten vóór de aanbesteding met MultiSim hebben plaatsgevonden, b) welke informatie daarbij is uitgewisseld, c) welke invloed die contacten hebben gehad op de technische specificaties en beoordelingscriteria in deze aanbestedingsprocedure, d) welke maatregelen Defensie heeft genomen om te voorkomen dat één inschrijver daardoor een concurrentievoordeel kreeg en e) welke richtlijn of waarborg ter voorkoming van belangenverstrengeling in het bestek had moeten worden opgenomen. Defensie heeft dit alles nagelaten en hierdoor heeft hij het vermoeden van belangenverstrengeling op geen enkele wijze weggenomen. Defensie kan de Opdracht niet gunnen op basis van een procedure waarin de onpartijdigheid en de gelijkheid van kansen objectief ter discussie staan. ETC stelt dat zij er als inschrijver die op een tweede plaats is geëindigd belang bij heeft dat het level playing field wordt hersteld.

Defensie en JFJ voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

JFJ vordert – zakelijk weergegeven – ETC niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze af te wijzen, met veroordeling van ETC in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Verkort weergegeven stelt JFJ daartoe dat zij er belang bij heeft dat de Opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van ETC, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen

5. De beoordeling van het geschil

Beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat om in deze aanbesteding in te grijpen op een van de wijzen zoals ETC vordert.

Belangenconflict

Het meest verstrekkende betoog van ETC is dat Defensie tot een heraanbesteding moet overgaan omdat de onpartijdigheid onvoldoende is gewaarborgd. De voorzieningenrechter zal dit betoog dan ook als eerste beoordelen. ETC stelt in dat verband dat zij voldoende objectieve gegevens heeft aangedragen die het gestelde vermoeden van een belangenconflict onderbouwen. Defensie heeft volgens ETC onvoldoende transparantie betracht en daarmee het gestelde vermoeden van een belangenconflict niet ontkracht. De voorzieningenrechter volgt ETC in dit betoog niet.

Het beginsel van gelijke behandeling strekt ertoe de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan een aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen, en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het transparantiebeginsel, dat van het gelijkheidsbeginsel is afgeleid, strekt in samenhang daarmee ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze. Het doel daarvan is tweeledig. Enerzijds moeten alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste reikwijdte daarvan kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier kunnen interpreteren. Anderzijds stelt die wijze van formuleren de aanbestedende dienst in staat om metterdaad na te gaan of de ingediende inschrijvingen beantwoorden aan de criteria die op de opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft.

Het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel verbieden een aanbestedende dienst dus om een opdracht zodanig in te richten dat daardoor bepaalde ondernemers worden bevoordeeld of benadeeld. Het bestaan van een belangenconflict is een omstandigheid die het vereiste gelijke speelveld kan schenden. Uit Europese jurisprudentie volgt dat een aanbestedende dienst een actieve rol heeft bij de toepassing van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en in die rol moet nagaan of er sprake is van een belangenconflict. Op het moment dat een afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt, waaruit blijkt van een schijn van een belangenconflict, is het aan de aanbestedende dienst om onderzoek te verrichten en passende maatregelen te treffen teneinde vervalsing van de mededinging te vermijden, transparantie van de procedure te waarborgen en een gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren. Hoewel deze aanbestedingsprocedure plaatsvindt onder de toepasselijkheid van de ADV en niet onder de Aanbestedingswet 2012, waarin voormelde uitgangspunten uitdrukkelijk zijn verankerd, gelden het gelijkheidsbeginsel en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel in deze aanbestedingsprocedure onverkort.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ETC onvoldoende objectieve gegevens heeft aangedragen op basis waarvan in deze aanbesteding de schijn van het bestaan van een belangenconflict kan worden aangenomen. Dit betekent dat op Defensie niet een verplichting rust om (verdergaande) maatregelen te nemen om een belangenconflict te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Daartoe is het volgende van belang.

ETC stelt – samengevat – dat Defensie in deze aanbesteding van meet af aan een voorkeur heeft gehad voor een inschrijver die (gezamenlijk) met (een product van) MultiSim zou inschrijven. JFJ heeft – naar inmiddels duidelijk is geworden – ingeschreven met MultiSim als softwareleverancier en het heeft er volgens ETC alle schijn van dat Defensie de Opdracht om die reden voorlopig aan JFJ heeft gegund. Ter onderbouwing van die stelling heeft ETC in de eerste plaats verwezen naar een eerdere versie van het PvE en de Compliancy Matrix, waarin Defensie producten van MultiSim dwingend voorschreef als vereiste software voor het visuele systeem van de HTC. Defensie heeft ter zitting toegelicht dat MultiSim eerder simulatoren heeft geleverd van F-16 en F-35 vliegtuigen, die piloten voor trainingsdoeleinden bij CML gebruiken. Volgens Defensie is in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure verkend of die door MultiSim geleverde simulatoren kunnen worden gekoppeld aan de nieuw te bouwen HTC, zodat piloten in die simulatoren en piloten in de HTC gelijktijdig dezelfde virtuele vlucht kunnen uitvoeren. Met het oog hierop is volgens Defensie aanvankelijk het softwareprogramma van MultiSim dwingend in de aanbestedingsstukken voorgeschreven. Volgens Defensie is vervolgens al vrij snel besloten dat voor de Nederlandse luchtmacht een basisvorm van de HTC volstond en is van de aanvankelijk verlangde koppeling afgezien. Sindsdien is er volgens Defensie geen sprake meer van een voorkeur voor de software van MultiSim.

De voorzieningenrechter constateert dat in de uiteindelijke aanbestedingsdocumenten het softwareprogramma van MultiSim nog uitsluitend in eis 24 van PvE dwingend is voorgeschreven. Volgens Defensie is in de definitieve versie van het PvE eis 24 abusievelijk niet aangepast. Defensie wijst er terecht op dat op basis van de nota van inlichtingen voor iedere inschrijver kenbaar was dat (ook) die eis is komen te vervallen. Defensie heeft dit in het hiervoor weergegeven antwoord op vraag 10 in de nota van inlichtingen immers expliciet vermeld. Daarbij heeft Defensie benadrukt dat inschrijvers hun eigen modellen en vormgevingen mogen gebruiken, zolang deze voldoen aan de functionele vereisten. Bij die stand van zaken bieden de aanbestedingsdocumenten geen objectief aanknopingspunt voor het kunnen aannemen van de door ETC gestelde schijn van een belangenconflict.

De omstandigheid dat JFJ heeft ingeschreven met MultiSim als softwareleverancier en de omstandigheid dat tussen JFJ en MultiSim sprake is van een structurele samenwerking, bieden evenmin een objectief aanknopingspunt voor het aannemen van die schijn. Niet gebleken is immers van het bestaan van concrete aanwijzingen dat Defensie MultiSim op enigerlei wijze heeft betrokken bij de voorbereiding van deze aanbesteding, bijvoorbeeld bij het bepalen en formuleren van de technische specificaties en de beoordelingscriteria. Namens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling ook expliciet te kennen gegeven dat deze betrokkenheid er niet is geweest. Om die reden kan niet worden aangenomen dat JFJ, die met MultiSim als softwareleverancier heeft ingeschreven, via MultiSim een ongeoorloofde informatievoorsprong heeft gehad ten opzichte van de overige inschrijvers. Ook het feit dat Defensie en MultiSim in het kader van andere projecten met elkaar samenwerken dan wel hebben gewerkt en het feit dat zij zijn gevestigd op dezelfde campus, leveren, bij gebreke van enige aanwijzing van betrokkenheid van MultiSim bij het in de markt zetten van de onderhavige aanbesteding, onvoldoende grond op om ETC in haar betoog te kunnen volgen.

Geschiktheidseisen

ETC heeft in haar op 8 juli 2026 ingediende akte betoogd dat JFJ niet voldoet aan één van de in paragraaf 2.5.2 van de Selectieleidraad gestelde geschiktheidseisen. Het betreft de eis dat een inschrijver aantoonbare ervaring dient te hebben met het leveren of onderhouden van een HTC. Hoewel ETC niet een daarop gerichte vordering heeft ingesteld, begrijpt de voorzieningenrechter dit betoog van ETC aldus dat zij van mening is dat Defensie JFJ alsnog moet uitsluiten. Daarnaast heeft ETC zich in diezelfde akte op het standpunt gesteld dat JFJ niet beschikt over de benodigde interne technische- en engineeringscapaciteit om de Opdracht binnen de gestelde termijn uit te voeren. Defensie stelt zich op het standpunt dat dit betoog van ETC buiten beschouwing gelaten moet worden omdat sprake is van strijd met de substantiëringsplicht en de goede procesorde. De voorzieningenrechter volgt Defensie in dat standpunt. Defensie wijst terecht op de in de gunningsbeslissing opgenomen rechtsbeschermingstermijn, die het karakter heeft van een vervaltermijn. Dit heeft tot gevolg dat afgewezen inschrijvers hun bezwaren tegen de gunningsbeslissing in beginsel binnen de rechtsbeschermingstermijn uit te brengen dagvaarding moeten concentreren. In dit geval mocht dit eens te meer van ETC worden verlangd omdat zij – zoals Defensie met juistheid heeft opgemerkt – al op 29 juli 2025 bekend was met het feit dat JFJ was geselecteerd om aan de onderhandelings- en gunningsfase van de aanbesteding deel te nemen. ETC heeft daarmee ruim voldoende tijd gehad om haar bezwaren tegen de selectie van JFJ uiterlijk bij dagvaarding naar voren te brengen.

In de standpunten van ETC klinkt duidelijk door dat zij van mening is dat Defensie aantoonbare ervaring met het bouwen en leveren van tenminste één HTC als harde eis had moeten stellen. Voor zover ETC daarmee bezwaar maakt tegen de gestelde geschiktheidseisen, geldt dat zij – indachtig de Grossmann-doctrine – haar rechten daartoe heeft verwerkt. ETC had dit bezwaar vóór het indienen van haar inschrijving kenbaar moeten maken, hetgeen zij niet heeft gedaan.

Motivering gunningsbeslissing

Vervolgens komt de voorzieningenrechter toe aan het betoog van ETC dat de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing van 1 mei 2026 niet voldoet aan de vereisten van artikel 2.121 ADV. Meer in het bijzonder stelt ETC dat Defensie in deze gunningsbeslissing ook voor wat betreft de subgunningscriteria waarop zowel ETC als JFJ maximaal heeft gescoord, de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van JFJ had moeten benoemen. Zulks klemt volgens ETC temeer nu volgens haar onbegrijpelijk is dat JFJ zonder bewezen ervaring op deze criteria maximaal heeft gescoord. Dit betoog faalt.

In artikel 2.121 lid 1 ADV is bepaald dat de mededeling van de gunningsbeslissing onder meer de relevante redenen voor die beslissing bevat. Onder de relevante redenen worden blijkens het tweede lid van dit artikel naast de naam van de winnaar in ieder geval verstaan de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving. Achtergrond van deze bepaling is dat een afgewezen inschrijver in staat moet worden gesteld om na te gaan om welke redenen hij niet en de winnende inschrijver wel als voorlopige winnaar is aangemerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Defensie met de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing aan de vereisten van artikel 2.121 ADV heeft voldaan. Daartoe is van belang dat Defensie ten aanzien van elk kwalitatief subgunningscriterium de door ETC en JFJ behaalde scores heeft benoemd. Daarnaast heeft Defensie toegelicht waarom ETC op drie subgunningscriteria niet maximaal heeft gescoord, zulks met benoeming van de relatieve voordelen van JFJ, die op die criteria wel maximaal heeft gescoord. Op de subgunningscriteria ‘Project management plan’, ‘Design Building’ en ‘Delivery Term’ hebben ETC en JFJ beide maximaal gescoord. Uit het feit dat beide partijen op die subgunningscriteria maximaal hebben gescoord, volgt reeds dat de inschrijving van JFJ geen relatieve voordelen had ten opzichte van de inschrijving van ETC. De verplichting van de aanbestedende dienst tot motivering van de gunningsbeslissing gaat niet zover dat andere inschrijvers op basis van de gunningsbeslissing in staat moeten zijn om te controleren of de winnende inschrijving correct is beoordeeld. Dat is wat ETC in feite met dit betoog wil bereiken; zij wil kunnen controleren of en hoe de inschrijving van JFJ op de bewuste drie kwalitatieve subgunningscriteria maximaal heeft kunnen scoren. Daarmee tracht ETC ten onrechte op de stoel van Defensie te gaan zitten. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat het Defensie niet is toegestaan om bedrijfsvertrouwelijke informatie van inschrijvers aan een verliezende inschrijver te verstrekken.

ETC stelt zich verder op het standpunt dat Defensie haar inschrijving op de kwalitatieve subgunningscriteria ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ en Design HTC’ onjuist, onzorgvuldig en willekeurig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter stelt in het kader van de beoordeling van dit standpunt voorop dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van kwalitatieve subgunningscriteria, zoals hier aan de orde. Weliswaar staat dat op enigszins gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen gelijke behandeling en transparantie, maar het behoeft als zodanig nog niet met zich te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen. Van belang is dat i) het voor een potentiële inschrijver volstrekt duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. Aan de aangewezen – deskundige – beoordelingscommissie moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund, te meer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts wanneer sprake is van evidente procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Verder is van belang dat in een aanbesteding als de onderhavige, waarin de subgunningscriteria worden beoordeeld op de mate van toegevoegde waarde voor het project, van een aanbestedende dienst niet mag worden verlangd dat hij aangeeft wat nodig is om een maximale score op een subgunningscriterium te behalen. Van een inschrijver wordt immers verwacht dat hij in eigen bewoordingen aangeeft op welke wijze hij de verlangde kwaliteit gaat leveren. Daarmee wordt hij in de gelegenheid gesteld zich te onderscheiden van de andere inschrijvers en aldus zijn meerwaarde aan te tonen. Iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij de inschrijvers zou worden geëcarteerd als op voorhand tot in detail zou worden voorgeschreven wat nodig is voor een maximale score.

‘Energy consumption and sustainability HTC system’

Het beoordelingsteam van Defensie heeft de inschrijving van ETC op het kwalitatieve subgunningscriterium ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ beoordeeld met de op één na hoogste score ‘Above Average’, dat wil zeggen dat de toegevoegde waarde van de inschrijving van ETC op dit punt is beoordeeld als ‘good’ en niet als ‘maximum’, zoals nodig voor de score ‘Excellent’. In paragraaf 2.2.1 van de Gunningsleidraad is beschreven wat er met betrekking tot dit subgunningscriterium van inschrijvers wordt verwacht. Inschrijvers dienen in ieder geval in te gaan op de in deze paragraaf expliciet benoemde zes aspecten. Defensie heeft de ingediende drie inschrijvingen op deze aspecten beoordeeld en heeft in dat kader een aantal kanttekeningen bij de inschrijving van ETC geplaatst. ETC kan zich met die beoordeling en (de motivering van) de aan haar toegekende score ‘Above Average’ niet verenigen. Volgens haar is de motivering van die score willekeurig en onnavolgbaar. Ook is volgens ETC onbegrijpelijk dat JFJ op dit subgunningscriterium de maximale score ‘Excellent’ heeft behaald.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er – gelet op de hiervoor geschetste toetsingsmaatstaf – op basis van de uitgevoerde beoordeling en motivering van de gunningsbeslissing op voornoemd subgunningscriterium geen aanleiding voor rechterlijk ingrijpen. Daartoe is van belang dat de door Defensie in de voorlopige gunningsbeslissing genoemde kanttekeningen de aan ETC toegekende score op dit subgunningscriterium in voldoende mate kunnen rechtvaardigen. Daarnaast kan ook de motivering van de op dit subgunningscriterium aan de inschrijving van JFJ toegekende score de aan te leggen toets der kritiek doorstaan. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.

Het beoordelingsteam van Defensie heeft de aan ETC toegekende score in de eerste plaats gemotiveerd met de constatering dat ETC geen extra oplossingen heeft aangeboden om de piekbelasting van het elektriciteitsnet te verminderen. Een verdergaande reductie door ETC van het energieverbruik van haar HTC zou volgens het beoordelingsteam tot een hogere score hebben geleid. Meer in het bijzonder kan volgens het beoordelingsteam niet worden uitgesloten dat zich tijdens het gebruik van de HTC van ETC pieken in het energieverbruik voordoen, waarbij de netcapaciteit van 140 kW wordt overschreden. Volgens ETC betreft de gecontracteerde capaciteit van 140 kW een gemiddelde netcapaciteit en geen absoluut piekmaximum. Daarbij wijst ETC erop dat het piekvermogen van de huidige HTC van Defensie 172 kW bedraagt. Daarnaast stelt ETC dat zij een batterijsysteem heeft aangeboden om het verschil tussen de benodigde en de beschikbare netcapaciteit te overbruggen. Met dit batterijsysteem bedraagt volgens ETC de geschatte piekbelasting op het net voor een willekeurige periode van 15 minuten ongeveer 130 kW. De omstandigheid dat kortstondige pieken van circa 0.5 seconden boven 140 kW kunnen optreden, is volgens ETC niet relevant, omdat daarmee de gecontracteerde capaciteit niet wordt overschreden.

Met Defensie constateert de voorzieningenrechter dat uit het antwoord op vraag 172 NvI BAFO blijkt dat sprake is van een gecontracteerde netcapaciteit van 140 kW. ETC stelt dat het hier gaat om een gemiddelde netcapaciteit, maar in de aanbestedingsstukken kan voor de juistheid van die stelling geen aanknopingspunt worden gevonden. Daarmee kan niet worden gezegd dat Defensie ten onrechte is uitgegaan van een maximale netcapaciteit van 140 kW. Niet ter discussie staat dat Defensie heeft voorgeschreven dat piekvermogens moeten worden opgevangen door de te bouwen HTC. Dit impliceert dat deze piekvermogens dus niet ten laste mogen komen van het elektriciteitsnet. ETC weerspreekt niet dat in weerwil van het gebruik van haar batterijsysteem zich bij het gebruik van haar HTC piekbelastingen kunnen voordoen ten laste van het elektriciteitsnet, waarbij de maximale netcapaciteit van 140 kW wordt overstegen. Dit is niet toegestaan en daarmee is sprake van een punt van kritiek dat de beoordelingscommissie heeft mogen meewegen in de scoretoekenning.

In de tweede plaats heeft het beoordelingsteam ter onderbouwing van de op dit subgunningscriterium aan ETC toegekende score ‘Above Average’ de capaciteit van het door ETC aangeboden batterijsysteem en de impact daarvan op het milieu als kritiekpunt benoemd. ETC is het met de beoordeling op dit onderdeel niet eens. Zij stelt dat zij ten onrechte op het gebruik van een batterijsysteem is afgerekend, terwijl Defensie ‘battery storage’ zelf als relevant beoordelingsaspect heeft aangemerkt. Daarnaast stelt ETC dat haar batterijsysteem niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de opvang van de piekbelasting van haar HTC. Volgens ETC heeft haar batterijsysteem een CO2-uitstoot die 50% minder groot is dan die van de door JFJ aangeboden flyingwheel-oplossing. Ook overigens is volgens ETC haar batterijsysteem superieur ten opzichte van een flyingwheel, maar hierover valt volgens haar in de gunningsbeslissing niets terug te lezen.

De voorzieningenrechter volgt ETC in deze stellingen niet. Defensie heeft terecht opgemerkt dat ETC niet is afgerekend op het aanbieden van een batterijsysteem, maar dat de geplaatste kanttekeningen zien op de grootte van het batterijpakket en de daarmee gepaard gaande belasting van het milieu. In paragraaf 2.5.1 van de Gunningsleidraad is expliciet opgenomen dat een inschrijver in het kader van dit subgunningscriterium dient in te gaan op de milieuvoordelen van zijn aanbieding en dient aan te geven in hoeverre daarmee een verlaging van de CO2-uitstoot wordt bewerkstelligd. Hieruit volgt dat de beoordelingscommissie de bevoegdheid toekwam om de milieueffecten en meer in het bijzonder de CO2-uitstoot, die gepaard gaat met (de productie van) het door ETC aangeboden batterijsysteem, in de beoordeling van haar inschrijving te betrekken. De beoordelingscommissie is daarmee dus niet buiten het vooraf bekendgemaakte beoordelingskader getreden. Defensie heeft geconstateerd dat ETC in haar inschrijving het aangeboden batterijsysteem breder inzet dan uitsluitend voor de opvang van de piekbelasting in de energiebehoefte van haar te bouwen HTC. ETC heeft op haar beurt onvoldoende gemotiveerd weersproken dat haar batterijsysteem ook voorziet in de stroomvoorziening van de HTC buiten piekbelastingmomenten én in de stroombehoefte van het ten behoeve van de HTC te realiseren gebouw. ETC heeft evenmin gemotiveerd weersproken dat haar batterijsysteem als gevolg van die keuze een grotere impact heeft op het milieu dan wanneer was gekozen voor een batterij die enkel de piekbelastingmomenten opvangt. ETC voert nog aan dat het door JFJ aangeboden flyingwheel een veel grotere milieu-impact heeft, in die zin dat bij het gebruik daarvan sprake is van CO2-uitstoot die 50% hoger ligt dan die van het door haar aangeboden batterijsysteem. ETC miskent met die stelling dat alle inschrijvingen op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Daarbij komt dat Defensie de juistheid van die stelling gemotiveerd weersproken heeft door erop te wijzen dat de studie waarop ETC zich in dat verband beroept, betrekking heeft op energieoplossingen in het Spaanse energielandschap. Defensie wijst er terecht op dat in die studie expliciet is vermeld dat de daarin opgenomen resultaten niet tot algemeen uitgangspunt kunnen worden genomen. ETC heeft vervolgens haar stelling niet nader onderbouwd en om die reden wordt deze gepasseerd. Dit betekent dat de beoordeling van de inschrijving van ETC in zoverre eveneens de in deze procedure aan te leggen toets der kritiek kan doorstaan.

Het beoordelingsteam heeft aan de aan ETC toegekende score ‘Above Average’ eveneens ten grondslag gelegd dat de door ETC aangeboden additionele zonnepanelen, die kunnen worden gebruikt om haar batterijsysteem op te laden, het energieverbruik van de HTC als zodanig niet verminderen en daarom slechts kunnen worden beschouwd als een maatregel om de kosten te drukken. Het beoordelingsteam verwijst daarbij naar eis 0953 uit het ‘Overzicht Eisen Defensie Soesterberg’, waaruit volgt dat eerst de energiebehoefte moet worden geminimaliseerd en vervolgens voor de resterende benodigde energie maximaal gebruik dient te worden gemaakt van duurzame energie. Daarbij heeft het beoordelingsteam eveneens opgemerkt dat de additionele zonnepanelen, waarvan de productie een impact heeft op het milieu, in de zomermaanden leiden tot een energieoverschot dat niet aan het elektriciteitsnet kan worden teruggeleverd. ETC is het ook met die bevindingen van het beoordelingsteam niet eens. Volgens haar verminderen de additionele zonnepanelen per definitie het elektriciteitsverbruik via het net. In combinatie met het aangeboden batterijsysteem kunnen volgens ETC de trainingsdoelstellingen worden bereikt zonder elektriciteit van het net af te nemen. Daarnaast stelt ETC dat het beoordelingsteam eis 0953 verkeerd uitlegt en selectief en onjuist toepast. Volgens ETC behelst de in die eis genoemde trias energetica een balans en niet een stappenplan, waarbij door gelijktijdig in de genoemde drie pijlers te investeren een evenwicht kan worden gevonden. De motivering waarom JFJ beter heeft gescoord, overtuigt volgens ETC niet, omdat het door JFJ aangeboden systeem juist meer energie verbruikt dan haar systeem en het beoordelingsteam bij de beoordeling van de inschrijving van JFJ buiten het beoordelingskader is getreden door het verwarmings- en koelsysteem van het gebouw te betrekken in de beoordeling van de HTC.

Partijen verschillen aldus van mening over de uitleg van eis 0953 uit het ‘Overzicht Eisen Defensie Soesterberg’. Voor de uitleg van aanbestedingsstukken geldt als toetsingskader dat deze dient plaats te vinden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die bepaling en de overige aanbestedingsstukken, van doorslaggevende betekenis zijn, met dien verstande dat het daarbij aankomt op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver daaruit mocht begrijpen. Met inachtneming van die CAO-norm is de voorzieningenrechter van oordeel dat – zoals Defensie stelt – in bedoelde eis 0953 inderdaad een stappenplan is opgenomen, waarbij door inschrijvers eerst moet worden ingezet op minimalisatie van de energiebehoefte en vervolgens op maximalisatie van duurzame energie en het vermijden van de inzet van fossiele energiebronnen. Dit volgt uit het door Defensie overgelegde ‘Infoblad Trias Energetica en energieneutraal bouwen’ dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (Rvo) in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft opgesteld. Hierin valt onder meer het volgende te lezen:

ETC heeft als zodanig niet weersproken dat zij in haar inschrijving niet expliciet aandacht heeft besteed aan stap 1 van het stappenplan van de Trias Energetica. Het beoordelingsteam heeft terecht opgemerkt dat het aanbieden van additionele zonnepanelen het energieverbruik als zodanig niet vermindert maar slecht verplaatst van het net naar duurzame energiebronnen. Ter zitting heeft ETC nog aangevoerd dat zij haar ontwerp wat betreft energieverbruik al maximaal heeft geoptimaliseerd, waardoor in het kader van stap 1 geen winst meer te boeken valt, én dat Defensie geen uitgangswaarde heeft bepaald aan de hand waarvan een vermindering van de energievraag in het kader van stap 1 kan worden vastgesteld. Voor zover ETC met laatstgenoemde stelling bezwaar maakt tegen de wijze waarop Defensie de uitvraag heeft vormgegeven, geldt dat zij – wederom indachtig de Grossmandoctrine – met dit bezwaar te laat is. Verder geldt dat voor zover ETC van mening is dat een vermindering van de energievraag van haar HTC in het kader van stap 1 niet mogelijk is, ETC dit in haar inschrijving tot uitdrukking had moeten brengen. Gesteld noch gebleken is dat ETC hier in haar inschrijving expliciet aandacht aan heeft besteed. Dit betekent dat het beoordelingsteam voormelde omstandigheid in de scoretoekenning heeft mogen betrekken. Dit geldt eveneens voor de als zodanig niet door ETC weersproken constatering van het beoordelingsteam dat het gebruik van additionele zonnepanelen in de zomermaanden leidt tot een energie-overschot dat niet aan het elektriciteitsnet kan worden teruggeleverd.

Het beoordelingsteam heeft ten slotte in de voorlopige gunningsbeslissing in het kader van de motivering van de aan ETC toegekende score ‘Above Average’ op het subgunningscriterium ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ ‘for the sake of completeness’ betrokken dat ETC de door haar gedane suggestie om de lengte van de arm van haar HTC terug te brengen van 6,10 meter tot de voorgeschreven minimale lengte van 6 meter als standaardoplossing had moeten worden aangeboden, omdat daarmee een vermindering van de piekbelasting kan worden bewerkstelligd. Volgens ETC bestond voor het standaard inkorten van de arm geen enkele aanleiding omdat de aangeboden armlengte een onderdeel is van haar bewezen ontwerp van de HTC dat aan de eisen van het PvE voldoet. Wat hiervan verder ook van zij, ook als deze kanttekening ten onrechte door het beoordelingsteam zou zijn geplaatst – hetgeen in het beperkte bestek van deze procedure lastig is te beoordelen – geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de eerder besproken kanttekeningen de toegekende score ‘Above Average’ op dit subgunningscriterium reeds in voldoende mate kunnen rechtvaardigen. In zoverre bestaat er dan ook geen aanleiding voor een herbeoordeling of het nemen van een nieuwe gunningsbeslissing.

ETC kan zich tenslotte evenmin vinden in de op dit subgunningscriterium aan de inschrijving van JFJ toegekende score en de in dat verband in de voorlopige gunningsbeslissing genoemde relatieve voordelen van die inschrijving. Daarin kan volgens ETC geen rechtvaardiging worden gevonden voor de op dit subgunningscriterium aan JFJ toegekende score ‘Excellent’. Volgens ETC geldt de door JFJ aangeboden low-power/standby modus niet als een voordeel ten opzichte van haar inschrijving. Volgens ETC kan haar systeem volledig worden uitgeschakeld wanneer er geen training plaatsvindt, en daarbij is het energieverbruik nul. Een systeem in een low-power/standby modus verbruikt volgens ETC logischerwijs meer energie dan een systeem dat is uitgeschakeld. Daarnaast stelt ETC dat het beoordelingsteam ten onrechte het verwarmings- en koelsysteem van het gebouw heeft betrokken in de beoordeling van de HTC. Dit blijkt volgens ETC uit de constatering van het beoordelingsteam dat JFJ een systeem met de laagste CO2-impact voor verwarming en koeling (warmte en koudeopslag en warmtepomp) heeft aangeboden.

Defensie voert op dit onderdeel gemotiveerd verweer. Volgens Defensie zal de HTC van ETC tussen de trainingen door niet worden uitgeschakeld, terwijl de HTC van JFJ wel in de low-power/standby modus kan worden gezet. Daarnaast stelt Defensie dat ETC geen rekening houdt met de energie die gemoeid is met het opstarten van haar systeem en dat ETC niet bekend is met het exacte energieverbruik van de HTC van JFJ. Ook stelt Defensie dat het gebruik van een warmte- en koudeopslag wel degelijk van invloed is op de belasting van de HTC op het elektriciteitsnet. ETC heeft naar aanleiding van dit verweer van Defensie ter zitting haar stellingen op deze onderdelen niet nader onderbouwd. Dit heeft tot gevolg dat ETC in dit kort geding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beoordelingsteam in dat verband evidente beoordelingsfouten heeft gemaakt, terwijl er evenmin concrete aanknopingspunten zijn dat het beoordelingsteam buiten het vooraf bekendgemaakte beoordelingskader is getreden. Dit betekent dat in dit kort geding niet kan worden geconcludeerd dat het beoordelingsteam op onjuiste of onbegrijpelijke gronden aan de inschrijving van JFJ op het subgunningscriterium ‘Energy consumption and sustainability HTC system’ de score ‘Excellent’ heeft toegekend.

Design HTC

Het beoordelingsteam heeft de inschrijving van ETC op het subgunningscriterium Design HTC beoordeeld met de score ‘Average’, hetgeen betekent dat het ontwerp van ETC voldoet aan de gestelde vereisten en dat de toegevoegde waarde daarvan gemiddeld is. JFJ heeft op dit subgunningscriterium de score ‘Excellent’ gekregen. ETC kan zich met die scoretoekenningen en de daaraan ten grondslag liggende inhoudelijke beoordeling niet verenigen.

Onjuist en onbegrijpelijk is naar de mening van ETC de constatering van het beoordelingsteam dat het ontwerp van haar gondel en cockpit zeer beperkt is, de controlestations er archaïsch uitzien en de ‘look and feel’ van de specifieke vliegtuigtypes in de gondel ontbreken. ETC stelt dat zij alle niet-expliciet voorgeschreven vereisten heeft weggelaten om maximaal aan eis 174 uit het PvE te kunnen voldoen. In dat verband stelt ETC dat elk bijkomend gewicht tot een hoger energieverbruik leidt. Wat betreft de ‘look and feel’ wijst ETC erop dat die eisen niet nader zijn uitgewerkt en dat voor een correcte uitvoering van een trainingsvlucht slechts de positie van de stoel, pedalen, schermen en hendels relevant is. Verder stelt ETC dat zij een alternatief conceptontwerp heeft opgenomen dat tegen dezelfde kosten kan worden gerealiseerd.

De constatering van het beoordelingsteam dat de stoel en het HUD niet-vliegtuigspecifiek zijn, slechts een generieke throttle (gashendel) en stick (stuurknuppel) zijn aangeboden en de pedalen generiek zijn, berust volgens ETC op een onjuiste lezing van haar inschrijving. ETC stelt dat zij twee vliegtuigspecifieke ‘side stick assemblies’ aanbiedt, die de plaatsing, het gevoel en de functie van de stuurknuppel per vliegtuigtype repliceren. De pedalen kunnen bij een configuratiewissel worden verhoogd en de rugleuning van de stoel kan in een andere hoek worden geplaatst. Ten aanzien van het HUD stelt ETC dat het systeem automatisch de geïnstalleerde configuratie detecteert en hierop de HUD-weergave aanpast. ETC erkent dat zij geen afbeelding van de HUD voor de F-35 heeft opgenomen, maar benadrukt dat de verschillen tussen een F-16 en F-35 in dat opzicht marginaal zijn. Ongegrond is volgens ETC het verwijt dat side panels, instrumentatie, knoppen en schakelaars ontbreken. Op grond van eis 114 uit het PvE zijn volgens ETC uitsluitend als ‘controls’ (besturingsinstrumenten) vereist een side stick, een gashendel, een HUD, pedalen en een passende stoel per vliegtuigmodel. Met dit verwijt treedt het beoordelingsteam naar de mening van ETC dan ook buiten het vooraf bekendgemaakte toetsingskader.

Onjuist is volgens ETC verder de constatering dat haar gondel slechts beperkt in configureerbare opties voorziet. ETC stelt dat zij drie cockpitconfiguraties heeft aangeboden, waarbij een wisseling binnen vijftien minuten kan plaatsvinden door het vervangen van de side stick, het aanpassen van de stoelhoek en het aanpassen van de pedaalpositie. Daarnaast stelt ETC dat haar configureerbare cockpit ruimte biedt voor personen van 1,60 tot 2,10 meter en dat zij een afbeelding heeft verstrekt waaruit dit blijkt. Voorts wijst ETC erop dat de pedaalassemblage kan worden verwijderd en dat de stoel, het OTW (Out the Window)-display en de gashendel uit de cockpit kunnen worden verwijderd als meer ruimte nodig is. Het beoordelingsteam is volgens ETC in dat verband voorbijgegaan aan de functionele beschrijving in haar inschrijving en heeft zich beperkt tot visuele aspecten.

Tenslotte stelt ETC dat onnavolgbaar is dat JFJ, die nog nooit een HTC heeft gebouwd, op dit subgunningscriterium maximaal heeft gescoord.

Met Defensie is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hiervoor weergegeven stellingen van ETC niet tot de conclusie kunnen leiden dat bij de beoordeling van de inschrijving van ETC op het subgunningscriterium ‘Design HTC’ sprake is van inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die een ingrijpen in de onderhavige aanbestedingsprocedure noodzakelijk maken.

In dat verband is allereerst van belang wat in het kader van dit subgunningscriterium precies van inschrijvers werd verlangd. Paragraaf 2.2.3 van het Programma van Eisen is hierbij het vertrekpunt. In deze paragraaf heeft Defensie voorgeschreven wat inschrijvers in ieder geval in hun inschrijving moesten opnemen. Dit betreft geen uitputtende opsomming. Dit volgt uit de zinsnede ‘The plan must at least included the items mentioned above’. De inschrijvers, die worden beoordeeld op aangeboden meerwaarde, worden hiermee gestimuleerd om creatief en innovatief in te schrijven. Paragraaf 2.2.3 moet worden bezien in samenhang met de eisen 110, 111, 114, 125 en 128 van het PvE. Voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver moet op basis van paragraaf 2.2.3 en de genoemde eisen duidelijk zijn geweest wat Defensie in dit verband verlangde. Blijkens de eisen 110 en 111 gaat het om drie gondelconfiguraties (F-16, F-35 en een herconfigureerbare cockpit) met – kort gezegd – een vliegtuigspecifieke stoel, besturingsinstrumenten en een beeldscherm. Wat betreft de besturingsinstrumenten moeten blijkens eis 114 aanwezig zijn een ‘side stick’ (alternatieve stuurknuppel), een gashendel, een HUD, pedalen en een geschikte stoel. Zowel ten aanzien van de F-16 als de F-35 configuratie is in de eisen 125 en 128 PvE voorgeschreven dat de aangeboden configuraties van de gondel de ‘look and feel’ moeten hebben van het desbetreffende toestelmodel.

Het beoordelingsteam heeft geoordeeld dat de inschrijving van ETC op dit subgunningscriterium (net) aan de gestelde eisen voldoet en dat de meerwaarde van hetgeen ETC heeft aangeboden ‘average’ (gemiddeld) is. Daartoe heeft het beoordelingsteam – samengevat – overwogen dat het door ETC aangeboden ontwerp heel beperkt is en dat mede vanwege het beperkte aantal configureerbare opties de in het PvE vereiste specifieke ‘look and feel’ van de genoemde vliegtuigmodellen in de gondel/cockpit wordt gemist. Die constateringen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onjuist of onbegrijpelijk. Niet ter discussie staat immers dat ETC één generieke stoel, één generieke gashendel en één set pedalen heeft aangeboden. Deze onderdelen kunnen weliswaar per vliegtuigmodel worden ingesteld, maar dat laat onverlet dat daarmee de ‘look and feel’ van de voorgeschreven vliegtuigmodellen met de door ETC aangeboden gondel niet optimaal wordt benaderd. ETC heeft immers niet weersproken dat – zoals het beoordelingsteam heeft overwogen – de stoel, de gashendel en de pedalen van F-16 en de F-35 onderling sterk verschillen. Een niet-optimale look and feel heeft logischerwijs een negatieve invloed op het realistische karakter van een trainingsvlucht en dit levert geen meerwaarde op. Het beoordelingsteam heeft de toegekende score ‘Average’ daarnaast gestoeld op de constatering dat ETC slechts een beperkt aantal besturingsinstrumenten in haar gondel heeft aangeboden, hetgeen de look and feel evenmin ten goede komt. Daarbij benadrukt het beoordelingsteam dat de besturingsinstrumenten van de F-16 en de F-35 onderling sterk verschillen, hetgeen ETC als zodanig niet heeft weersproken. ETC stelt dat zij haar gondel heeft voorzien van de vijf besturingsinstrumenten die in eis 114 van het PvE zijn voorgeschreven. De voorzieningenrechter volgt ETC niet in haar betoog dat het beoordelingsteam haar conclusie dat van additionele meerwaarde geen sprake is niet heeft mogen baseren op het ontbreken van besturingsinstrumenten die niet expliciet in eis 114 van het PvE worden genoemd. Uit eis 114 van het PvE blijkt niet dat het daarbij gaat om een limitatieve opsomming van vereiste besturingsinstrumenten. Dit is in lijn met de opzet van de aanbesteding waarmee inschrijvers worden gestimuleerd om innovatief en creatief in te schrijven en zodoende meerwaarde te tonen. Daarbij biedt de inschrijver die de look and feel van de voorgeschreven vliegtuigmodellen met zijn ontwerp het meest benadert logischerwijs de grootste meerwaarde. Daarbij tekent de voorzieningenrechter nogmaals aan dat het niet aan de aanbestedende dienst is om exact voor te schrijven wat nodig is om de maximale score te halen. Onjuist is dan ook de stelling dat het beoordelingsteam buiten het beoordelingskader is getreden door het ontbreken van andere dan de in eis 114 van het PvE genoemde besturingsinstrumenten in de beoordeling te betrekken. Onjuist is daarmee eveneens het kennelijk door ETC ingenomen standpunt dat zij maximaal had moeten scoren omdat zij in haar inschrijving in de in eis 114 van het PvE genoemde besturingsinstrumenten heeft voorzien.

De stelling van ETC dat zij vanwege eis 174 in het PvE van het opnemen van meer besturingsinstrumenten heeft afgezien, kan ETC niet baten. Dit betreft niet een gestelde eis maar een eigen keuze van ETC, die zij heeft gemaakt in het kader van de haar toekomende vrijheid om creatief en innovatief in te schrijven. Evenmin kan ETC worden gevolgd in haar stelling dat voor het uitvoeren van een trainingsvlucht uitsluitend de positie van de stoel, pedalen, schermen en hendels relevant is. Zoals Defensie terecht stelt, kan in de aanbestedingsstukken voor de juistheid van die stelling geen aanknopingspunt worden gevonden. Wat betreft het HUD heeft ETC niet weersproken dat zij bij haar inschrijving geen tekening van de aangeboden HUD voor de F-35 heeft overgelegd. ETC stelt dat er op dit punt weinig verschillen zijn tussen de F-16 en de F-35, maar die stelling heeft zij verder niet onderbouwd. Dat mocht in het licht van de constatering van het beoordelingsteam dat die verschillen aanzienlijk zijn, wel van haar worden verlangd. Defensie heeft dus het ontbreken van die tekening terecht in de scoretoekenning op dit subgunningscriterium betrokken. Defensie heeft tenslotte onweersproken aangevoerd dat het alternatieve ontwerp waar ETC zich op heeft beroepen reeds in de beoordeling van de inschrijving van ETC is betrokken.

Bovengenoemde constateringen/kanttekeningen van het beoordelingsteam rechtvaardigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de op het subgunningscriterium ‘Design HTC’ aan ETC toegekende score ‘Average’ reeds in voldoende mate. Bij die stand van zaken behoeven de door het beoordelingsteam geplaatste kanttekeningen bij de side stick en de vraag of een persoon van 2.10 meter in de door ETC aangeboden configuratie past, geen (verdere) bespreking. Immers ook als ETC terecht stelt dat deze kanttekeningen ten onrechte zijn geplaatst, kan dit niet leiden tot toewijzing van een van de door ETC gevorderde voorzieningen.

JFJ heeft op het subgunningscriterium ‘Design HTC’ de score ‘Excellent’ gekregen. JFJ heeft naar het oordeel van het beoordelingsteam een excellent ontwerp aangeleverd, waarmee zij – kort gezegd – de look and feel van de te onderscheiden vliegtuigtuigmodellen optimaal heeft benaderd en maximale meerwaarde biedt. Die motivering voldoet aan de daaraan op grond van artikel 2.121 ADV te stellen eisen. Zoals Defensie en JFJ terecht opmerken, geldt geen verzwaarde motiveringsplicht omdat – zoals ETC stelt – JFJ geen aantoonbare ervaring heeft met de bouw van een HTC. Zoals hiervoor is overwogen, voldoet JFJ aan de gestelde geschiktheidseisen, waartegen ETC voorafgaand aan haar inschrijving geen bezwaar heeft gemaakt.

Conclusie

De conclusie is dat geen van de door ETC in dit kort geding ingestelde vorderingen toewijsbaar is. Die vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

ETC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van zowel Defensie als JFJ. Deze worden voor zowel Defensie als JFJ begroot op:

- griffierecht € 735,--

- salaris advocaat € 1.177,--

- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.101,--

De door Defensie en JFJ gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het door ETC gevorderde af;

veroordeelt ETC in de proceskosten van zowel Defensie als JFJ van ieder € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als ETC niet tijdig aan de proceskostenveroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet ETC € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt ETC in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

mw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Module Aanbesteding 2026/2550
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand