ECLI:NL:RBDHA:2026:23857

ECLI:NL:RBDHA:2026:23857

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer SGR 26/6209
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo tegen last onder dwangsom om passende maatregelen te treffen ten aanzien van monumentale bollenschuur afgewezen. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het college van het opleggen van de last had moeten afzien. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de lasten onuitvoerbaar zijn binnen de gestelde begunstigingstermijnen vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en vanwege de aanwezigheid van asbest in het pand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/6209

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

(gemachtigde: B. Stuifbergen).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een door het college opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van de monumentale bollenschuur aan de [adres] . Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld. Hij heeft ook verzocht ook om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de door verzoeker aangevoerde gronden.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Wat verzoeker heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in beroep niet in stand zal kunnen blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 14 februari 2024 hebben toezichthouders geconstateerd dat de bollenschuur, die is aangewezen als gemeentelijk monument, door verzoeker niet naar behoren wordt onderhouden en als gevolg daarvan in verval is geraakt. Daarbij zijn tal van gebreken geconstateerd, die volgens de toezichthouder in ieder geval aangepakt moeten worden om het pand wind- en waterdicht te maken.

Het college heeft met het besluit van 25 augustus 2025 verzoeker onder straffe van een dwangsom gelast vóór 26 augustus 2026 passende maatregelen (in ieder geval de tien in het besluit beschreven maatregelen) te treffen en het gemeentelijk monument in stand te houden.

Met het bestreden besluit van 28 juli 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college dit besluit gedeeltelijk herzien en voor het overige in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/6207) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, vergezeld door [naam 1] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft het college conform het advies van de commissie bezwaar- en klaagschriften van 26 mei 2026 de last onder dwangsom gedifferentieerd naar de verschillende overtredingen.

- Indien niet is voldaan aan punt 3, hemelwaterafvoeren, verbeurt verzoeker een bedrag van € 3.029,-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 4, schoorstenen, verbeurt verzoeker een bedrag van € 1.872-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 5, metselwerk, verbeurt verzoeker een bedrag van € 28.075,-, uitgesplitst in € 14.444,- voor gevels inboeten en € 13.631,- voor voegwerk. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 31 december 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 6, garage deuren/schuifdeuren/overhead deuren/overig buitenschilderwerk, verbeurt verzoeker een bedrag van € 22.733,-, uitgesplitst in € 16.133,- voor deuren en € 6.600,- voor schilderwerk. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 31 december 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 7, stalen ramen, verbeurt verzoeker een bedrag van € 6.635,-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 8, ventilatiekappen (6 stuks), verbeurt verzoeker een bedrag van € 2.467-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 9, staalconstructies, verbeurt verzoeker een bedrag van € 247,-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026;

- Indien niet is voldaan aan punt 10, stalen muurventilatieroosters, verbeurt verzoeker een bedrag van € 598,-. De werkzaamheden dienen gereed te zijn op 26 augustus 2026.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zich zonder het treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

Aangezien verzoeker, indien hij niet aan de in het bestreden besluit vermelde punten 1, 3, 4, 7, 8, 9 en 10 voldoet, vanaf 26 augustus 2026 in totaal een dwangsom van € 95.208,- kan verbeuren, heeft hij naar het oordeel voorzieningenrechter spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Toetsingskader

5. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.

In artikel 13 van de Erfgoedverordening Noordwijk 2024 (de Erfgoedverordening) is bepaald dat het verboden is een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Overtreding

6. Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van artikel 13 van de Erfgoedverordening en daarmee van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Het college was op grond van artikel 18.2, tweede lid, van de Omgevingswet bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

7. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Evenredigheidsbeginsel

8. Verzoeker stelt dat de opgelegde lasten in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. In de eerste plaats omdat het college ten onrechte geen rekening houdt met verzoekers plan de bollenschuur te transformeren naar een huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten. Het college wil volgens hem geen koppeling maken tussen de door verzoeker op 17 mei 2026 ingediende omgevingsvergunningaanvraag voor die transformatie en de werkzaamheden die tot een duurzaam herstel en een zinvol gebruik van de bollenschuur zullen leiden. Daarnaast acht verzoeker het niet zinvol om een pand, waarvan de monumentale waarde bovendien discutabel is, eerst voor veel geld te renoveren, waarna de gerenoveerde delen worden gesloopt en worden herbouwd.

Het college stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom ziet op behoud van de monumentale status van de bollenschuur, terwijl de transformatie, waarvoor de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, betrekking heeft op het gedeeltelijk slopen van het monument. In die aanvraag wordt weliswaar verwezen naar een bouwhistorische verkenning door IDDS uit 2021, maar dit is als losstaand document onvoldoende om sloop te rechtvaardigen. Daarnaast moet verzoeker voldoen aan de regels voor gemeentelijke monumenten uit de Erfgoedverordening.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geeft hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het college van het opleggen van de last had moeten afzien. Daarbij stelt de voorzieningenrechter voorop dat op grond van artikel 13 van de Erfgoedverordening op verzoeker een onderhoudsplicht rust. Dat de monumentale waarde volgens verzoeker discutabel is, doet daar – wat daarvan ook zij – niet aan af, omdat het pand nu eenmaal is aangewezen als gemeentelijk monument. Voor zover verzoeker stelt dat het college volledig voorbij is gegaan aan zijn transformatieplan, overweegt de voorzieningenrechter dat in het advies van de commissie bezwaar- en klaagschriften van 26 mei 2026 op pagina 6 bovenaan en onder “Ad 1.” wel degelijk is ingegaan op verzoekers vergunningaanvraag daarvoor. Het college heeft in het transformatieplan geen aanleiding hoeven zien om af te zien van handhaving, aangezien nog niet bekend is of het college daaraan medewerking wil verlenen en de door verzoeker gewenste transformatie dus een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Dat met het uitvoeren van de last hoge kosten zijn gemoeid, is mede het gevolg van de omstandigheid dat verzoeker al sinds de verwerving van het pand in 2014 niet of nauwelijks onderhoud aan het pand heeft uitgevoerd. Dat die kosten nu alsnog gemaakt moeten worden, mogelijk kort voordat het pand getransformeerd wordt, komt daarom voor rekening en risico van verzoeker. De vergunningaanvraag is ook niet gericht op legalisatie van de geconstateerde overtredingen, zodat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Gelet op het voorgaande is handhavend optreden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet onevenredig.

Begunstigingstermijnen

9. Verzoeker voert verder aan dat de in het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijnen te kort zijn. Niet alleen omdat het feitelijk niet mogelijk is om binnen die termijnen aan de opgelegde lasten te voldoen, maar ook omdat er nog onderzoeken lopen naar de aanwezigheid van vleermuizen, marters en uilen in de bollenschuur. Zolang niet duidelijk is of die soorten daar aanwezig zijn, is niet bekend of voor het uitvoeren van de lasten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist, die door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland moet worden verleend. Daarnaast stelt verzoeker dat asbest is aangetroffen in de bollenschuur, waardoor het feitelijk niet mogelijk is om tijdig aan de opgelegde lasten te voldoen.

Het college stelt zich op het standpunt dat uit het door verzoekers overgelegde ecologische rapport niet afgeleid kan worden dat de aanwezigheid van beschermde soorten dermate waarschijnlijk is dat dit nader onderzoek vereist. Op de zitting heeft het college aangegeven dat het aan verzoeker is om te onderzoeken hoe de lasten moeten worden uitgevoerd, ook in geval van de aanwezigheid van asbest. Verzoeker heeft daar een jaar de tijd voor gekregen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.

Verzoeker heeft naar voorlopig oordeel niet aannemelijk gemaakt dat de lasten onuitvoerbaar zijn binnen de gestelde begunstigingstermijnen vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat geen aanknopingspunten aanwezig zijn voor het oordeel dat reeds op voorhand vaststaat dat een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit is vereist en nimmer zal worden verleend. De door verzoeker overgelegde quickscan van 16 oktober 2025, de e-mail van 19 februari 2026 en de notitie van 5 maart 2026, allen van Blom Ecologie, zijn daartoe onvoldoende. Daaruit blijkt immers niet dat bij uitvoering van de lasten sprake zal zijn van een overtreding van de verbodsbepalingen over beschermde soorten in de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en dat daarvoor geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Het college heeft in het bestreden besluit naar voorlopig oordeel terecht overwogen dat indien uit nader onderzoek blijkt dat de in de last voorgeschreven maatregelen een ongewenst effect zouden hebben op beschermde soorten, verzoeker daar melding van kan doen en dat het college daarmee dan rekening zal houden. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker het college kan verzoeken om de last op te heffen wegens onmogelijkheid om aan de last te voldoen, als bedoeld in artikel 5:34 van de Awb, als een omgevingsvergunning nodig blijkt te zijn voor een flora- en fauna-activiteit en die zou worden geweigerd.

Verzoeker heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk gemaakt dat de lasten onuitvoerbaar zijn binnen de gestelde begunstigingstermijnen vanwege de aanwezigheid van asbest in het pand. Verzoeker heeft slechts een afbeelding uit een asbestrisico-beoordeling overgelegd, waaruit blijkt dat het dak asbesthoudend materiaal bevat. Het onderzoek zelf heeft verzoeker niet overgelegd. Los van het feit dat de lasten niet alleen betrekking hebben op het dak, maar ook op andere onderdelen van het gebouw, heeft verzoeker ook niet aan de hand van bijvoorbeeld een rapport van een asbestdeskundige aannemelijk gemaakt dat de voorgeschreven herstelmaatregelen niet uitvoerbaar zijn bij een dak dat asbesthoudend materiaal bevat. Het college heeft in dit kader terecht opgemerkt dat verzoeker een begunstigingstermijn van een jaar heeft gekregen en daarmee voldoende tijd heeft gehad om de overtreding op een zorgvuldige manier te beëindigen.

Conclusie en gevolgen

10. Wat verzoeker heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in beroep niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand