RECHTBANK DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 09-324799-25
Raadkamernummer: 26-015067
Beslissing van de rechtbank Den Haag op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R. Jethoe advocaat te Almere, ([adres]),
hierna te noemen: de verzoeker.
Inleiding
De officier van justitie heeft beslist de verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 19 maart 2026 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden.
Procedure
Het verzoekschrift is op 22 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 28 juli 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de advocaat van de verzoeker, mr. R. Jethoe en de officier van justitie op zitting gehoord. De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 4.921,43 wegens de kosten van een raadsman in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer; door de verzoeker is een factuur van mr. R. Jethoe overgelegd. Tevens strekt het verzoek tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 825,00.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding. Op 18 december 2025 is er een toevoeging aan de raadsman van de verzoeker verleend. Op 19 maart 2026 is de zaak al tijdens een OM-hoorgesprek geseponeerd. De raadsman heeft pas daarna op 10 mei 2026 aan de Raad voor de rechtsbijstand verzocht de last tot toevoeging in te trekken, welke intrekking op 15 juni 2026 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De verzoeker had dus op het moment dat daadwerkelijk rechtsbijstand is verleend recht op door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. De keuze om de toevoeging in een later stadium in te trekken dient niet voor rekening van de Staat te komen. De officier van justitie stelt dat er geen gronden van billijkheid zijn om aan de verzoeker enige schadevergoeding toe te kennen.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 530, tweede lid Sv luidt:
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend (…), behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Artikel 44a lid 1 van de Wet op de rechtsbijstand (WRB) luidt:
Indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, wordt met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.
Aan de minderjarige verzoeker is op 18 december 2025 op grond van artikel 491, eerste lid Sv ambtshalve een toevoeging verleend. Bij brief van 19 maart 2026 is de zaak tegen de verzoeker geseponeerd. De raadsman heeft eerst op 10 mei 2026, na afloop van de strafprocedure, aan de Raad voor de rechtsbijstand verzocht de toevoeging in te trekken. Dat betekent dat de raadsman op het moment van de verlening van de rechtsbijstand aan de verzoeker was toegevoegd.
Wanneer er sprake is van een last tot toevoeging moet volstrekte helderheid worden betracht over de vraag of van de op basis van deze last verstrekte toevoeging gebruik wordt gemaakt dan wel dat verdachte door een gekozen raadsman (betalend) wordt bijgestaan. Dat betekent onder meer dat wanneer de raadsman die op basis van een last aan de verdachte is toegevoegd, verdachte betalend zal bijstaan, onmiddellijk van deze wijziging van de basis waarop rechtsbijstand wordt verleend, kennis moet worden gegeven aan de met (ambtshalve last tot) toevoeging van een advocaat belaste autoriteiten (de voorzitter van de rechtbank en de Raad voor Rechtsbijstand). Dat is in dit geval niet gebeurd, terwijl evenmin (tijdig) is verzocht om de (last tot) toevoeging in te trekken. Hieruit volgt dat de wettelijke grondslag aan het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman ontbreekt.
De raadsman heeft aangevoerd dat hij zijn declaratie nooit zou hebben kunnen indienen bij de Raad voor rechtsbijstand c.q. vergoed zou kunnen krijgen omdat hij niet als specialist voor de behandeling van jeugdstrafrechtzaken staat ingeschreven. Daarom kan hem in dit specifieke geval niet worden tegengeworpen dat hij de toevoeging pas op een (te laat) moment – immers na afloop van de strafzaak tegen de verzoeker – heeft ingetrokken.
Dit standpunt leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank leidt uit de Wet op de rechtsbijstand en de Regeling van de Raad voor Rechtsbijstand over de voorwaarden tot inschrijving van advocaten 2026 af dat voor een aantal rechtsgebieden, waaronder het jeugdstrafrecht, aanvullende deskundigheideisen zijn opgenomen in de inschrijvingsvoorwaarden. Om in aanmerking te komen voor (uitbetaling van) een toevoeging op het betreffende rechtsgebied dient een advocaat ingeschreven staan voor de bijbehorende specialisatie. Niet in discussie is dat de raadsman niet als specialist jeugdstrafrecht bij de Raad voor rechtsbijstand staat ingeschreven.
Het had daarom op de weg van de raadsman gelegen 1. duidelijke afspraken met de verzoeker te maken dat hij geen aanspraak kon maken op uitbetaling van de toevoeging door de Raad voor rechtsbijstand en slechts op betalende basis bijstand kon verlenen aan de verzoeker en vervolgens tijdig aan de rechterlijke instantie of de Raad voor rechtsbijstand te verzoeken om de toevoeging in te trekken dan wel 2. de toevoeging te laten muteren op naam van een andere advocaat die wel over de vereiste specialisatie beschikte. Het recht om zich door elke (gewenste) advocaat te laten bijstaan is in het geval van kosteloze rechtsbijstand namelijk niet absoluut. Het recht op verdediging moet effectief zijn. Zolang een rechtzoekende zich kan laten bijstaan door een advocaat die wel met de benodigde specialisatie ingeschreven staat, is daaraan voldaan.
Gelet op het hiervoor overwogene zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om aan de verzoeker de verzochte vergoeding van € 4.921,43 toe te kennen.
De rechtbank zal wel toewijzen het verzoek tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van de kosten van rechtsbijstand voor het opstellen, indienen en in raadkamer in toelichten van het verzoekschrift, ten bedrage van € 825,00, zijnde het geldende standaardbedrag.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 825,00;
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. G.P. Verbeek, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.R. Berendsen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2026.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 825,00 (zegge: achthonderdenvijfentwintig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van Advocatenkantoor Jethoe, onder vermelding van “schadevergoeding 530 Sv – [verzoeker]”.