RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43268
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Onder meer aan de hand van wat eiser aanvoert in beroep beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 30 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Zijn gemachtigde heeft met bericht vooraf laten weten niet te zullen verschijnen. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Bewaringsgronden
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft grond d die aan de maatregel ten grondslag ligt betwist. Eiser stelt daarbij dat onterechte wordt gesteld dat hij aliassen heeft gebruikt in verschillende landen. Eiser betwist verder dat er een onderduikrisico bestaat. Hij bevindt zich gewoon in [locatie] , hij is ziek en kan niet heel veel.
Verweerder stelt naar oordeel van de rechtbank terecht dat uit het claimverzoek van Duitsland volgt dat eiser in Duitsland een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. Het tegenwerpen van deze grond is daarmee feitelijk juist, ook als wat betreft eisers naam in Duitsland enkel sprake zou zijn van een andere, later gecorrigeerde, schrijfwijze. Wat betreft het onderduikrisico stelt verweerder terecht dat terecht is aangenomen en is onderbouwd waarom dit aan de bewaring ten grondslag ligt. De rechtbank stelt namelijk vast dat eiser de overige gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De hiervoor al besproken grond d en de gronden a, b en c, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Hier volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Vertrektermijn
5. Eiser stelt dat de vertrektermijn onduidelijk was en er nog geen vier weken waren verstreken op de dag van de inbewaringstelling waardoor de inbewaringstelling onrechtmatig is. Uit de beslissing van 2 juli 2026 blijkt volgens eiser niet duidelijk welke vertrektermijn hem werd verleend en hij mocht er in ieder geval van uitgaan dat aan hem de gebruikelijke vertrektermijn van vier weken werd gegund.
Verweerder stelt naar oordeel van de rechtbank terecht dat voor de vertrektermijn niet moet worden gekeken naar het besluit van 2 juli 2026 over het verzoek op grond van artikel 64 van de Vw, maar naar het terugkeerbesluit van 6 november 2024. Daarin is een vertrektermijn opgelegd van vier weken. Dit terugkeerbesluit geldt nog steeds (zoals ook is vermeld in het besluit van 2 juli 2026) en die vertrektermijn is al lange tijd verstreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 EVRM en doeltreffend rechtsmiddel
6. Eiser stelt dat uitzetting naar Algerije in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 5 sub c van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Vanwege eisers medische problemen is namens eiser een aanvraag voor uitstel van vertrek ingediend (op grond van artikel 64 Vw) en is binnen 24 uur na afwijzing van die aanvraag bezwaar gemaakt waarbij eveneens is verzocht om een voorlopige voorziening. Eiser stelt verder dat hij op grond van artikel 13 van de Terugkeerrichtlijn het recht heeft om het ingediende bezwaar/de ingediende voorlopige voorziening ten aanzien van het opgelegde terugkeerbesluit in Nederland af te mogen wachten. Eiser dient immers over een doeltreffend rechtsmiddel te kunnen beschikken. Nu eiser in bewaring wordt gesteld terwijl er nog geen rechterlijk oordeel is over eisers standpunt dat uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM, is de bewaring onrechtmatig. De bewaringsrechter moet een oordeel geven over eisers vrees voor schending van artikel 3 van het EVRM vanwege medische problemen.
Verweerder stelt naar oordeel van de rechtbank terecht dat hij de medische situatie van eiser, en daarmee het gestelde artikel 3 EVRM risico om medische redenen, heeft getoetst in het kader van de artikel 64 Vw procedure. Verweerder heeft uit deze toets geconcludeerd dat er geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Verder voert verweerder aan dat een rechtsmiddel openstaat tegen het artikel 64 besluit, namelijk het indienen van bezwaar, maar dat rechtmatig verblijf alleen verkregen kan worden bij toewijzing van een voorlopige voorziening. Dit heeft verweerder in het besluit van 2 juli 2026 uitdrukkelijk opgenomen onder het kopje ‘U kunt een voorlopige voorziening aanvragen bij de rechter’ (zie pagina 2). Nu eiser de mogelijkheid heeft bezwaar in te dienen tegen het besluit van 2 juli 2026 en een voorlopige voorziening te verzoeken om uitzetting hangende de bezwaarprocedure te voorkomen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voldoende rechtsbescherming. Omdat van een toegewezen voorlopige voorziening geen sprake is, heeft eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder stelt verder terecht dat uit het BMA-advies volgt dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het BMA verwacht immers geen medische noodsituatie als eiser geen behandeling krijgt en concludeert dat eiser in staat is om te reizen (met begeleiding). De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om verweerder hierin niet te volgen. Bij dit alles overweegt de rechtbank nog dat eiser, indien zich een wijziging in zijn gezondheidstoestand voordoet, een fit-to-fly-beoordeling kan aanvragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat zijn ernstige medische problemen onterecht niet zijn betrokken bij de individuele belangenafweging en de vraag of kan worden volstaan met een lichter middel.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Gelet op de eerder in deze uitspraak beoordeelde gronden van bewaring en de toelichting op die gronden bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Verder wat betreft eisers medische situatie stelt de rechtbank vast dat verweerder terecht stelt dat in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is gevraagd naar eisers medische situatie (zie pagina 5) en dat aan eiser de gelegenheid is gegeven om hierover zijn zienswijze te geven (zie pagina 6). Verweerder heeft eiser voldoende gelegenheid gegeven om informatie naar voren te brengen wat betreft zijn medische situatie in de beoordeling voor het eventueel opleggen van een lichter middel. Er is in de maatregel vervolgens voldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden en dit heeft verweerder voldoende gemotiveerd in de maatregel opgenomen (zie pagina 7, 8 en 9). Verweerder stelt terecht dat uit het BMA-advies blijkt dat er geen sprake is van een medische noodsituatie en dat eiser in staat is om te reizen (met begeleiding). De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.