[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
Eiseres heeft op 16 december 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep en verzoek om voorlopige voorziening op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich met voorafgaand bericht afgemeld voor de zitting en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Senegalese nationaliteit. Eiseres heeft een herhaalde aanvraag ingediend omdat ze eerder uit schaamte niet haar hele asielrelaas kon vertellen. Eiseres heeft in haar vorige aanvraag verklaard dat zij door haar moeder gedwongen werd te trouwen. In haar herhaalde asielaanvraag heeft zij naar voren gebracht dat zij niet langer in de Islam gelooft en dat ze vreest voor uitsluiting en vervolging als afvallige. Eiseres heeft ook verklaard dat zij slachtoffer is geweest van genitale verminking en van (seksueel) geweld door haar halfbroer.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit drie asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiseres is afvallig;
3. eiseres is in het verleden misbruikt en mishandeld door haar halfbroer.
Verweerder vindt de identiteit van eiseres niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar paspoort verscheurd en heeft sindsdien geen inspanningen gedaan om een identificerend document te verkrijgen. Haar nationaliteit, herkomst en overige asielmotieven vindt verweerder wel geloofwaardig. Verweerder vindt dat eiseres niet te vrezen heeft bij terugkeer naar Senegal. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft vanwege het worden gezien als afvallige, nu uit openbare rapporten blijkt dat de Senegalese wet voorziet in vrije uitoefening van religie. Eiseres heeft ook als alleenstaande vrouw niet te vrezen voor vervolging, nu zij zich in de twee jaar voorafgaand aan haar vertrek zelfstandig staande heeft kunnen houden zonder problemen te ervaren van haar familie. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet te vrezen heeft voor vervolging als afvallige in Senegal. Ongeacht de wetgeving in Senegal, krijgen afvalligen in de praktijk te maken met ernstige sociale gevolgen, waaronder verwerping door de familie en de gemeenschap.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In het arrest Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de enigszins terughoudende toets – zoals de Nederlandse rechter die voorheen verrichte bij de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken – niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de beroepsgronden en uit de behandeling ter zitting is gebleken dat eiseres in beroep alleen opkomt tegen de conclusie van verweerder over haar vrees vanwege afvalligheid.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet te vrezen heeft bij terugkeer naar Senegal. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat zij problemen zal ervaren vanwege het worden gezien als afvallige of dat zij (opnieuw en om dezelfde reden) problemen zal ervaren met haar familie. De rechtbank acht daartoe relevant dat verweerder heeft gewezen op openbare informatie waaruit volgt dat het personen in Senegal vrij staat om niet (langer) in de islam te geloven en er daarbij geen problemen ontstaan. Eiseres heeft daar geen informatie tegenover gezet waar een ander beeld uit blijkt. Eiseres heeft weliswaar uitgebreid verklaard over de problemen met haar familie, maar verweerder heeft terecht betrokken dat eiseres voorafgaand aan haar vertrek uit Senegal twee jaar lang heeft kunnen leven zonder problemen met haar familie te ondervinden. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eiseres deze periode heeft ervaren als het begin van haar vlucht van de problemen met haar familie, blijkt hieruit dat zij langere tijd in Senegal heeft kunnen verblijven zonder in de problemen te komen met haar familie en ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat dit niet langer het geval zal zijn.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.