Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/317197-25
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Rookhuizen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.S.E. Bruinen, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Gouda, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds zijn armen om [aangeefster] heen te slaan en/of onverhoeds de hand van die [aangeefster] vast te pakken
die [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige
handelingen, te weten
- het kussen op de mond van die [aangeefster] en/of
- de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis te leggen en/of de woorden toe te
voegen 'moet je voelen, ik heb een stijve'.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, en een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit vanwege het ontbreken van (voldoende) steunbewijs.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Bewijs in zedenzaken
Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. In de kern gaat het vaak om het woord van de een tegen het woord van de ander. Dat geldt ook voor deze zaak. De belastende verklaring van de aangeefster over wat er zich heeft afgespeeld staat immers tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het oordeel dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag worden gebaseerd op de verklaring van één getuige (in dit geval: aangeefster). Er moet altijd steunbewijs zijn. Als hetgeen de aangeefster verklaart op zichzelf staat en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, moet de rechter de verdachte vrijspreken. Oók als de rechter de verklaring van de aangeefster geloofwaardig en betrouwbaar acht. Dat wordt niet anders als de aangeefster haar ervaringen met anderen heeft gedeeld. De belastende verklaring is dan immers nog altijd uit één bron afkomstig.
Of er voldoende steunbewijs is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Toch zijn daarvoor wel enige aanknopingspunten in de jurisprudentie geformuleerd. In sommige gevallen kan een verklaring van een getuige die niet ter plaatse aanwezig is geweest wel als steunbewijs dienen. Dit kan als die getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangeefster (vlak) nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank
In deze zaak heeft aangeefster verklaard door de verdachte (een naaste collega) onverhoeds te zijn gezoend. Vervolgens zou de verdachte de hand van aangeefster hebben gepakt, deze tegen zijn kruis hebben gedrukt en hebben gezegd: 'moet je voelen, ik heb een stijve'. Verder bevat de verklaring veel details over waar in de ruimte welke handelingen zijn verricht, over welke zaken los van het ten laste gelegde is gesproken, en hoe aangeefster heeft gereageerd op die handelingen.
Aangeefster heeft naar het oordeel van de rechtbank een gedetailleerde, authentieke, consistente en daarmee betrouwbare verklaring afgelegd over de ontuchtige handelingen die de verdachte (als naaste collega) bij haar zou hebben gepleegd.
De volgende vraag is of er voldoende steunbewijs is.
Het dossier bevat een verklaring van een directe collega van aangeefster aan wie zij als eerste over het vermeende incident op 5 juni 2024 heeft verteld. Dit gesprek vond plaats ruim een maand na het vermeende strafbare feit. Deze getuige verklaart over hetgeen hij van aangeefster heeft vernomen. De gemoedstoestand van aangeefster was volgens de getuige moeilijk te omschrijven. Ze was ‘wel verdrietig’, maar ‘niet heel emotioneel’ en ze gedroeg zich wel zoals hij aangeefster kende. De andere getuige in het dossier – tevens een collega van aangeefster – verklaart over een moment 2 à 3 maanden na het vermeende incident. Volgens de getuige was aangeefster ‘een beetje nukkig’, raakte zij sneller geïrriteerd en zag zij er vermoeid uit. De getuige vroeg zich daarom af wat er aan de hand was. Aangeefster vertelde hem daarna over haar herinneringen aan het voorval met de verdachte.
Het dossier bevat bovendien een verwijsbrief van de huisarts van aangeefster in verband met psychologische klachten. Uit de verwijsbrief volgt dat aangeefster zich op 19 september 2024 bij haar huisarts heeft gemeld met paniekklachten.
Voornoemde informatie uit het dossier heeft de officier van justitie ten grondslag gelegd aan haar standpunt dat voldoende steunbewijs voorhanden is. Zo is volgens de officier van justitie sprake van een getuigenverklaring over de emoties bij de aangeefster (vlak) nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd en is er bovendien sprake geweest van een waargenomen gedragsverandering bij aangeefster sinds het vermeende incident.
Wat de rechtbank betreft vormen de waarnemingen van de twee getuigen en de informatie in de verwijsbrief van de huisarts echter onvoldoende steunbewijs.
De rechtbank is van oordeel dat de waarneming van de getuige, aan wie aangeefster het eerst over het incident vertelt, op punten onvoldoende concreet en onvoldoende gedetailleerd is. Zo verklaart de getuige twijfelend als hem naar de gemoedstoestand van aangeefster wordt gevraagd en volgt daarop geen eenduidig antwoord. Bovendien wordt de waarneming gedaan ruim een maand na het vermeende incident. De rechtbank is van oordeel dat daardoor in onvoldoende mate vast is komen te staan dat de waarneming in direct verband staat met het incident. In het algemeen is een kort tijdsverloop na het vermeende strafbare feit geen hard vereiste voor het als steunbewijs kunnen dienen van een getuigenverklaring over emoties bij de aangeefster, maar is in geval van lang(er) tijdsverloop behalve de waargenomen emoties meer steunbewijs nodig.
Ook de andere getuigenverklaring en de verwijsbrief van de huisarts leveren onvoldoende (aanvullend) steunbewijs op. Ook hier is van een verband met het tenlastegelegde – mede gezien het tijdsverloop van enkele maanden en het ontbreken van informatie over die tussenliggende periode – onvoldoende gebleken. Dat geldt eveneens voor de gemelde paniekklachten ruim 3 maanden na het vermeende incident.
Conclusie
De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van voldoende steunbewijs, waardoor, ondanks dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de vermeende ontuchtige handelingen heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2026.