RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
Inleiding
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13918 en NL24.14010
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie ,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
Eiser heeft tweemaal beroep ingesteld tegen hetzelfde besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak in het ene beroep tot het oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de aan eiser op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB) toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en terecht aan hem een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het andere beroep verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Op 21 februari 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de tijdelijke bescherming die aan hem is toegekend op 4 maart 2024 eindigt.
Daartegen is namens eiser door mr. Ngasirin beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder NL24.13918.
Kort daarna heeft de gemachtigde van eiser ook beroep ingesteld tegen dit besluit. Dat beroep is geregistreerd onder NL24.14010.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats een verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiser wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de RTB en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.
Op 28 augustus 2025 heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en daarbij het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken. Het tegen het laatstgenoemde besluit ingestelde beroep is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht tegen het vervangende terugkeerbesluit van 28 augustus 2025.
Op 8 oktober 2025 heeft de gemachtigde de rechtbank bericht dat zij de beroepsprocedure van mr. Ngasirin heeft overgenomen.
Eiser heeft op 8 oktober 2025 aanvullende gronden ingediend tegen het nieuwe terugkeerbesluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Over het beroep NL24.13918
Eiser komt uit Pakistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de RTB.
Eiser heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 16 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 16 augustus 2023 bekendgemaakt. Daarbij is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon worden beëindigd, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Op 24 januari 2024 heeft de minister het besluit van 16 augustus 2023 ingetrokken. Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de minister eiser vervolgens meegedeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024 eindigt en heeft de minister aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ. De prejudiciële vragen van de Afdeling zijn voor de minister aanleiding geweest om derdelanders - in afwachting van de beantwoording van deze vragen - weer dezelfde rechten te verlenen als ontheemden die onder de RTB vallen (de bevriezingsmaatregel).
De gestelde prejudiciële vragen zijn door het HvJ beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het HvJ heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, zolang de lidstaat de algemene beginselen van het Unierecht in acht neemt. Ook heeft het HvJ geoordeeld dat het de lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is geëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 met inachtneming van het arrest Kaduna geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 heeft kunnen beëindigen. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister vervolgens meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest Kaduna einduitspraak gedaan.
Bij besluit van 28 augustus 2025 heeft de minister het eerdere aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken, aan eiser meegedeeld dat de tijdelijke bescherming die aan hem was toegekend op 4 maart 2024 is geëindigd en aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd.
Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
4. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat uit het arrest Kaduna volgt dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. De minister heeft het besluit van 21 februari 2024 om die reden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiser gelet hierop geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 februari 2024. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Omdat de minister het besluit heeft ingetrokken en daarmee heeft erkend dat dit besluit in rechte geen stand kon houden, bestaat er aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
Het terugkeerbesluit van 28 augustus 2025
5. Eiser heeft de gronden van het beroep op 1 en 9 april 2024 en 8 oktober 2025 aangevuld. Ter zitting heeft eiser verklaard dat enkel nog besproken hoeft te worden wat in de gronden van 8 oktober 2025 is opgenomen, aangevuld met wat ter zitting is aangevoerd.
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat de minister het terugkeerbesluit prematuur heeft genomen, omdat hij ten tijde van dit besluit nog rechtmatig verblijf had. Hij heeft in dat verband in de gronden van 8 oktober 2025 verwezen naar het verzoek om een voorlopige voorziening dat is toegewezen en waardoor rechtmatig verblijf ontstaat en naar het feit dat hij beroep heeft ingesteld en hangende beroep gebruik mocht blijven maken van de rechten die aan de tijdelijke bescherming waren verbonden (de zogenaamde ‘bevriezingsmaatregel’). Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat het standpunt van de minister dat eiser illegaal in Nederland verblijft, en er om die reden dus een terugkeerbesluit kan worden opgelegd, zich niet verhoudt met de rechten die hij de facto onder de RTB nog geniet, zoals het recht om zonder tewerkstellingsvergunning arbeid te verrichten. Eiser verwijst hierbij naar artikel 2, eerste lid, van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) waarin staat dat het een werkgever verboden is om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.
Het betoog van eiser ten aanzien van de bevriezingsmaatregel slaagt niet. De facultatieve tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024, waarbij de rechtbank verwijst naar wat in rechtsoverweging 3.5 en 3.6 is overwogen. De minister heeft weliswaar een bevriezingsmaatregel getroffen, maar deze maatregel maakte niet dat eiser beschikte over een ‘verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot verblijf’, als vermeld in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, die aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg staat.
Ook de toegewezen voorlopige voorziening maakt niet dat verweerder geen terugkeerbesluit had kunnen opleggen. In artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn staat dat lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Voor de interpretatie van het begrip “illegaal” in de zin van de Terugkeerrichtlijn moet mede worden gekeken naar het Terugkeerhandboek. In punt 1.2. van het Terugkeerhandboek staat dat personen aan wie uitstel van verwijdering is verleend als illegaal in de betrokken lidstaat verblijvend worden beschouwd. Ook uit het arrest Gnandi blijkt dat een toegewezen voorlopige voorziening niet betekent dat eiser niet langer illegaal in Nederland verblijft in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
Het betoog van eiser ten aanzien van artikel 2 van de WAV slaagt evenmin. Dat eiser zonder tewerkstellingsvergunning mocht werken toen hij tijdelijke bescherming genoot op grond van de RTB en dat na 4 maart 2024 mocht blijven doen op basis van de bevriezingsmaatregel en/of de toegewezen voorlopige voorziening, betekent niet dat eiser na 4 maart 2024 niet illegaal in Nederland verblijft in de zin van de Terugkeerrichtlijn. In artikel 12 van de RTB staat dat de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toestaan om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Nederland heeft personen die onder de tijdelijke bescherming vallen toegestaan werkzaam te zijn door te regelen dat het verbod van artikel 2 van de WAV voor hen niet geldt. Dat betekent echter niet dat aan hen een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2 van de WAV. De beroepsgrond faalt.
7. Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement overweegt de rechtbank ambtshalve als volgt.
De minister heeft op 4 juni 2025 een voornemen uitgebracht, in aanloop naar het bestreden besluit van 28 augustus 2025. Zowel mr. Ngasirin als de gemachtigde van eiser hebben een zienswijze uitgebracht. Mr. Ngasirin heeft daarin betoogd dat eiser bij terugkeer een refoulementrisico loopt. De gemachtigde van eiser heeft dat niet betoogd. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat niet wordt ingegaan op de zienswijze van mr. Ngasirin, omdat deze niet door eisers gemachtigde is ingediend. De minister komt vervolgens tot de conclusie dat er geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
De gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat in de zienswijze en in beroep bewust niets is aangevoerd over een refoulementrisico, omdat eiser voor zichzelf geen gevaar ziet als hij naar Pakistan terug moet keren.
De rechtbank stelt vast dat in de zienswijze van mr. Ngasirin wel wordt ingegaan op het risico dat eiser bij terugkeer naar Pakistan zou lopen, waarbij is verwezen naar algemene informatie. Van informatie waaruit volgt dat specifiek eiser, gegeven zijn individuele feiten en omstandigheden, een refoulementrisico zou lopen is de rechtbank echter niet gebleken. Eiser heeft verder zelf, bij monde van zijn gemachtigde, ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij voor zichzelf geen gevaar ziet bij terugkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van zwaarwegende gronden zoals bedoeld in rechtsoverweging 7.1 geen sprake is.
8. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de facultatieve tijdelijke bescherming die aan eiser op grond van de RTB is toegekend op 4 maart 2024 is geëindigd en terecht aan hem een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
Over het beroep NL24.14010
9. Omdat eiser tweemaal beroep heeft ingesteld tegen hetzelfde besluit en in het beroep met nummer NL24.13918 al een beoordeling van dat besluit plaatsvindt, heeft eiser geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep met nummer NL24.14010.
Conclusie en gevolgen
Over het beroep NL24.13918
11. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 28 augustus 2025 is ongegrond.
12. Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten, gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4 is overwogen. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Over het beroep NL24.14010
13. Het beroep is niet-ontvankelijk.
14. Voor een veroordeling van de minister in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.