ECLI:NL:RBDHA:2026:23948

ECLI:NL:RBDHA:2026:23948

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 09/322367-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak van verkrachting. Veroordeling voor aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg en waakzaamheid toevertrouwd kind. Gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek. Beroepsverbod. Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr. Toewijzing vordering BP met wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en BEM-clausule.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/322367-25

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,

op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 maart 2026, 1 juni 2026 (pro forma) en 12 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E.G. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A. Aïssal naar voren is gebracht.

Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. H.J. Oosterhagen namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 12 augustus 2026 – ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2025 t/m 6 november 2025 te [plaats] met een aan zijn zorg en/of gezag en/of waakzaamheid toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2011) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- tongzoenen en/of

- het (meermaals) brengen en/of houden en/of bewegen van zijn geslachtsdeel in haar mond en/of vagina

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2025 t/m 6 november 2025 te [plaats] met een aan zijn zorg en/of gezag en/of waakzaamheid toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2011) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten tongzoenen.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

De aanleiding voor onderhavige strafzaak is gelegen in het telefonisch contact van een medewerker van [instelling] , een zorginstelling voor jongeren, met Team Zeden van de politie eenheid Den Haag.

Op de [instelling] -locatie in [plaats] zouden twee minderjarige bewoonsters van een gesloten groep voor uithuisgeplaatste meisjes met problematiek op het gebied van (seksuele) afhankelijkheidsrelaties, in de nacht van 5 op 6 november 2025 zijn verkracht door twee medewerkers. Het bleek te gaan om bewoonsters [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van 14 jaar oud en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) van 15 jaar oud.

Vervolgens werden beide meisjes door de politie gehoord en is door de manager behandelzaken van [instelling] aangifte gedaan.

Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] (hierna: verdachte) door [instelling] via het platform [bedrijf] als uitzendkrachten waren ingehuurd. Zij werkten die avond en nacht op de groep van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [medeverdachte] had een waakdienst en de verdachte had in eerste instantie een slaapdienst, die nadien werd omgezet naar een waakdienst vanwege een mogelijke ontsnappingspoging door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Die avond hebben de meisjes daadwerkelijk gepoogd te ontsnappen, wat is voorkomen door de verdachte en [medeverdachte] .

[slachtoffer 1] had bij de ontsnappingspoging haar knie bezeerd en had toestemming gekregen om in de woonkamer van de groep te blijven onder begeleiding van de verdachte. [slachtoffer 2] is naar haar slaapkamer gebracht. [medeverdachte] moest voor haar deur posten.

[slachtoffer 2] en [medeverdachte] hebben zich op enig moment bij de verdachte en [slachtoffer 1] in de woonkamer gevoegd. De verdachte besloot op enig moment een joint te roken en deze met de meisjes te delen. Hierna ontvouwde zich een situatie waarin “Doen, durven of de waarheid” werd gespeeld. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] volgt dat [slachtoffer 2] op enig moment bij [medeverdachte] op schoot moest gaan zitten en dat zij werd uitgedaagd om met hem te tongzoenen, wat zij deed. Vervolgens kreeg [slachtoffer 2] de vraag of zij met [medeverdachte] naar haar kamer durfde te gaan, waaraan zij gehoor gaf. De verdachte en [slachtoffer 1] bleven alleen achter in de woonkamer.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de verdachte tijdens het spel met [slachtoffer 1] heeft getongzoend en of hij – toen zij met zijn tweeën achterbleven in de woonkamer – seks met haar heeft gehad. De verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en heeft telkens gesteld onschuldig te zijn.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit, verkrachting, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Unus testis nullus testis

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (zie in dit verband ook de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, o.a. Hoge Raad 14 mei 2024 ECLI:NL:HR:2024:686).

Wat betreft het vereiste van steunbewijs kan uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag echter geen te ver verwijderd verband bestaan.

Gelet op de ontkenning van de verdachte in deze zaak dient er voor een bewezenverklaring sprake te zijn van voldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] .

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1]

De verklaring van [slachtoffer 1] is naar het oordeel van de rechtbank consistent en voldoende gedetailleerd. Zij heeft zowel tijdens haar eerste informatieve gesprek met de politie als in haar latere verhoor verklaard over wat er volgens haar in de nacht van 5 op 6 november 2025 heeft plaatsgevonden op de gesloten meidengroep waar zij woonachtig was.

In [slachtoffer 1] ’s verklaring komt een duidelijke tijdlijn naar voren en de gebeurtenissen in haar verklaringen volgen elkaar op een logische wijze op. Ook komen haar verklaringen overeen met hetgeen [slachtoffer 2] en [medeverdachte] hebben verklaard over het verloop van de avond en de gemeenschappelijke momenten tussen de vier betrokkenen. Haar verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent en passen ook in de context die de rechtbank onder paragraaf 3.1. van dit vonnis heeft beschreven. De rechtbank benoemt in dit verband nog dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij heeft moeten overgeven ten gevolge van de joint die zij had gerookt en dat zij voordat zij met de verdachte zoende, haar mond ging spoelen. Dat [slachtoffer 1] heeft moeten overgeven, wordt bevestigd door [slachtoffer 2] en [medeverdachte] en dat zij met de verdachte heeft gezoend past binnen de context waarin zij – onder invloed – tijdens het spel werd uitgedaagd.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen over wat er zou hebben plaatsgevonden in de nacht van 5 op 6 november 2025 betrouwbaar.

Steunbewijs

De rechtbank dient vervolgens na te gaan of er bewijs in het dossier aanwezig is dat de verklaringen van [slachtoffer 1] ondersteunt. Volgens de officier van justitie bestaat dergelijk steunbewijs in een proces-verbaal van bevindingen over een notitie op de telefoon van [slachtoffer 2] , het onderzoek naar belcontact tussen de verdachten, het werkrooster van die avond, de verklaringen van [medeverdachte] en getuige [slachtoffer 2] , alsmede de leugenachtigheid van enkele verklaringen van de verdachte.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in geen van bovengenoemde dossierstukken bewijs is vervat dat in voldoende relatie staat tot het primaire feit dat de verdachte wordt verweten. De rechtbank benoemt als voorbeeld dat aan het werkrooster weliswaar de conclusie kan worden verbonden dat de verdachte die avond in de instelling werkzaam was, maar onvoldoende ondersteuning geeft voor het ten laste gelegde feit, dat die nacht een verkrachting heeft plaatsgevonden. Ook stelt de rechtbank vast dat zij elders in het dossier geen (forensisch) steunbewijs heeft aangetroffen. Het vorenstaande maakt dat in het dossier onvoldoende steun kan worden gevonden voor de verklaring van [slachtoffer 1] .

Conclusie

De enkele verklaring van [slachtoffer 1] is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van de gedragingen die de verdachte worden verweten. Alles afwegende kan de rechtbank daarom niet bewijzen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal zij de verdachte daarvan vrijspreken.

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Verklaring van [slachtoffer 2]

De rechtbank stelt vast dat getuige [slachtoffer 2] gedetailleerd heeft verklaard over de situatie in de woonkamer van de gesloten meidengroep, het roken van een joint met de verdachte, het feit dat [slachtoffer 1] moest overgeven en over het spel ‘Doen, durven of de waarheid’ dat zij met [slachtoffer 1] , de verdachte en [medeverdachte] speelde. De verklaring van [slachtoffer 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook consistent; [slachtoffer 2] heeft zowel tijdens een informatief gesprek als bij haar verhoor een verklaring afgelegd die op essentiële punten overeenkomt. De verklaring die zij heeft afgelegd past daarnaast bij een notitie die op haar telefoon is aangetroffen en waarin zij heeft opgeschreven hoe die avond in haar beleving is verlopen.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of er bewijs in het dossier aanwezig is dat de verklaringen van [slachtoffer 2] op deze punten ondersteunt.

Verklaring van [slachtoffer 1]

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij onder paragraaf 3.4. van dit vonnis heeft overwogen omtrent de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt in aanvulling daarop ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde dat de verklaringen van [slachtoffer 2] – haar tweede verklaring in het bijzonder – op cruciale punten worden ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer 1] . Zij hebben allebei verklaard over het roken van een joint, de spelsituatie, op schoot zitten bij en zoenen met [medeverdachte] en de verdachte.

Gelet hierop kunnen de verklaringen van [slachtoffer 1] als steunbewijs dienen voor het aan de verdachte ten laste gelegde feit.

Conclusie

Anders dan het geval is voor het primair ten laste gelegde feit, is er voor het subsidiair ten laste gelegde feit wel steunbewijs aanwezig. Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte met [slachtoffer 1] heeft getongzoend en zal zij het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen verklaren.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op een tijdstip in de periode van 5 november 2025 t/m 6 november 2025 te [plaats] met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2011) een seksuele handeling heeft verricht, te weten tongzoenen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, bestaande uit een contact- en locatieverbod, en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Hierbij dient de vervangende hechtenis volgens de officier van justitie te worden bepaald op twee weken per overtreding, met een maximale duur van zes maanden.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een beroepsverbod voor werkzaamheden in de zorg wordt opgelegd voor de maximale duur van tien jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat geen verweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf, ontzetting uit een recht en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van het veertienjarige slachtoffer dat aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. De verdachte was voor het eerst op de [instelling] -locatie aan het werk en heeft verdovende middelen naar zijn werk meegenomen. Hij heeft hiervan een joint gedraaid en deze niet alleen zelf gerookt, maar gedeeld met de minderjarige bewoonsters. Enige tijd later, tijdens een seksueel getint spel tussen de verdachte, [medeverdachte] , [slachtoffer 2] en het slachtoffer, tongzoende de verdachte met het slachtoffer.

Het slachtoffer woonde in een zorginstelling voor jongeren op een afdeling specifiek gericht op problematiek betreffende (vaak seksuele) afhankelijkheidsrelaties. Uitgerekend op de plek waar het slachtoffer beschermd moest worden en zich veilig moest voelen, heeft de verdachte misbruik gemaakt van het jonge slachtoffer. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en gevoel van veiligheid. Op de terechtzitting is namens het slachtoffer een spreekrechtverklaring voorgedragen, waarin op treffende wijze is verwoord hoe het handelen van de verdachte gevoelens van verdriet, angst en pijn bij haar heeft veroorzaakt.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het minderjarige slachtoffer. Evenmin heeft hij oog gehad voor de gevolgen en het leed die zijn gedragingen met zich hebben gebracht voor de ouders van het slachtoffer, die erop mochten vertrouwen dat hun kind veilig was in de instelling waar zij verbleef. Ook is de verdachte voorbijgegaan aan hetgeen zijn handelen teweeggebracht heeft voor de beroepsgroep en het maatschappelijk vertrouwen in zorgprofessionals aan wie de dagelijkse zorg voor jongeren als het slachtoffer wordt toevertrouwd.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026 en stelt vast dat de verdachte niet eerder een strafbaar feit heeft begaan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 11 februari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering vanwege de proceshouding van de verdachte het risico op herhaling niet kon inschatten. Tevens konden hierdoor zowel risico- als beschermende factoren niet worden vastgesteld. Gelet op het type en de aard van de verdenking ziet de reclassering bij een schuldigverklaring aanwijzingen voor seksuele en psychische problematiek.

De reclassering acht afname van diagnostiek, wellicht in een latere fase, noodzakelijk om meer zicht te krijgen op eventuele seksuele dan wel psychische problematiek bij de verdachte. Ook een beroepsverbod in de zorg- en welzijnssector, controle op middelengebruik en een contact- en locatieverbod kunnen volgens de reclassering de kans op recidive doen verminderen.

Gelet op de jonge leeftijd van betrokkene heeft de reclassering het wegingskader voor adolescentenstrafrecht toegepast en overleg gevoerd met de Raad voor de Kinderbescherming. Op basis van deze afname en de huidige situatie concludeert de reclassering dat toepassing van het volwassenstrafrecht passend wordt geacht.

Indien een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte zou worden opgelegd, adviseert de reclassering om daaraan de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een contact- en locatieverbod, ambulante behandeling, een verbod op bepaalde werkzaamheden en beheersing van het middelengebruik te verbinden.

Strafoplegging

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Nu de rechtbank enkel tot een bewezenverklaring komt van het subsidiair ten laste gelegde feit, zal zij aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beroepsverbod

Als een verdachte bepaalde misdrijven in de uitoefening van een beroep pleegt, kan die verdachte worden ontzet uit het recht op de uitoefening van dat beroep.

De verdachte heeft in juli 2025 de opleiding tot persoonlijk begeleider in de maatschappelijke zorg afgerond en hiervoor een geldig diploma behaald. Gebleken is dat de verdachte als uitzendkracht op diverse plekken in de (maatschappelijke) zorg werkte via het platform [bedrijf] . Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was de verdachte werkzaam op een gesloten afdeling voor meisjes met problematiek op het gebied van (vaak seksuele) afhankelijkheidsrelaties. De minderjarige meisjes waren die nacht aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd.

De rechtbank ziet op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, in combinatie met de omstandigheid dat de gedragingen van de verdachte een schending vormen van hetgeen waarvoor hij vanuit zijn opleiding en beroep behoort te staan, aanleiding om de ontzetting van het recht om elk beroep als hulpverlener in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, dan wel een soortgelijke functie in de zorg- en welzijnssector uit te spreken. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank dat ook de reclassering positief heeft geadviseerd ten aanzien van de oplegging van een beroepsverbod.

Van groot belang is dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met personen die in de uitoefening van zijn beroep aan zijn zorg of waakzaamheid kunnen worden toevertrouwd. De rechtbank zal het beroepsverbod opleggen voor de duur van vijf jaren.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank ziet, ter bescherming van het slachtoffer, eveneens aanleiding om ingevolge artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod aan de verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaren.

Het contactverbod houdt in dat de verdachte op geen enkele manier – direct of indirect – contact opneemt met het slachtoffer [slachtoffer 1] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met een maximale duur van zes maanden.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om ook een locatieverbod aan de verdachte op te leggen of om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1]

[naam 1] heeft zich in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevoegd in het strafproces en vordert namens haar een schadevergoeding van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade.

De vordering van [instelling]

Verder heeft [instelling] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De organisatie vordert een schadevergoeding van € 44.500,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van benadeelde partij [slachtoffer 1] , vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [instelling] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1]

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en de omstandigheid dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie is gevorderd, zal zij de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,00.

De rechtbank heeft hierbij aansluiting gezocht bij categorie 15.3 van de Rotterdamse schaal, waarin een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen is opgenomen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Ten slotte zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

BEM-clausule

Voorts zal de rechtbank bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordigers kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

De vordering van [instelling]

Ontvankelijkheid

De vordering van [instelling] is middels een ‘voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ ingediend door gemachtigde [naam 2] . Alvorens de rechtbank kan overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering, dient zij de ontvankelijkheid van de indiener in die vordering te beoordelen. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt ten aanzien van de vordering van [instelling] vast dat uit het voegingsformulier volgt dat voornoemde persoon daartoe gemachtigd is door de heer [naam 3] . Echter, de rechtbank kan op basis van enkel het voegingsformulier – dat niet is voorzien van onderbouwende stukken en tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet nader is toegelicht of onderbouwd – niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen of de heer [naam 3] ten tijde van het indienen van de vordering over de bevoegdheid beschikte om [instelling] met behulp van een gemachtigde in rechte te laten vertegenwoordigen. Reeds gelet op het voormelde zal de rechtbank de benadeelde partij [instelling] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Proceskostenveroordeling

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf, de ontzetting van de verdachte uit een recht en de op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 36f, 38v, 38w, 247, 254 en 254a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg en waakzaamheid van diegene toevertrouwd kind;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

BEM-clausule

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2011, te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [instelling] ;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

beroepsverbod;

ontzet de verdachte uit het recht tot directe of indirecte uitoefening van elk beroep als hulpverlener in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, dan wel een soortgelijke functie in de zorg- en welzijnssector, voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht;

legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (VIJF) JAREN op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de navolgende persoon: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2011;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 (ZES) MAANDEN;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Pereth, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. A. Vink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Pereth
  • mr. E.C. Kole
  • mr. A. Vink

Griffier

  • mr. D.D. Jongen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand