RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.45901
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit voor eiser heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Allachi als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist niet de gronden van de maatregel, maar betoogt dat de maatregel niettemin vanaf aanvang onrechtmatig is. Volgens eiser blijkt uit de motivering in de bestreden maatregel immers niet dat de minister bij het opleggen van de bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers overdracht aan Kroatië.
De minister stelt zich op het standpunt dat een dergelijke motivering in het geval van eiser niet was aangewezen, omdat geen sprake is van een terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn en omdat in dergelijke gevallen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de minister is er dus geen sprake van een motiveringsgebrek.
In de uitspraak van 12 februari 2026 gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit rechtsoverweging 10 van die uitspraak volgt dat de bewaringsrechter (ambtshalve) moet toetsen of de minister bij het opleggen van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van de vreemdeling. Als de minister zijn standpunt dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet niet of niet deugdelijk in de maatregel van bewaring heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in eisers geval eenzelfde motiveringsplicht heeft, nu het in zijn geval gaat om een bewaring met het oog op overdracht aan een andere lidstaat in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het kan immers niet worden uitgesloten dat de vreemdeling in zijn specifieke geval in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, ook wanneer het land van bestemming een lidstaat is waarbij in algemene zin mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank wijst in dat verband ook op artikel 4, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
De minister had er in het besluit daarom blijk van moeten geven dat hij bij het opleggen van de maatregel heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers overdracht aan Kroatië. Dat heeft de minister niet gedaan. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek. Eisers beroepsgrond slaagt.
De rechtbank ziet in de uitspraak van 12 februari 2026 van de Afdeling geen ruimte om een belangenafweging te maken. Het beroep is daarom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 augustus 2026.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de daarom de opheffing van deze maatregel met ingang van 20 augustus 2026.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor tien dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 2 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 8 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 1.280,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed dienen te worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.280,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van
20 augustus 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.