RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaak-/rolnummer: C/09/680962 / HA ZA 25-188
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [vestigingsplaats 1],
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaten: mr. F.G. Horsting en mr. F. Crommelin,
tegen
1. [gedaagde 1] B.V. te [vestigingsplaats 2],
advocaten: mr. J.D. van de Meent en J.N. Potharst,2. [gedaagde 2] B.V., te [vestigingsplaats 3],
advocaten: mr. T. Segers en mr. I.C.A. Franken,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
1. Inleiding
[gedaagde 1] heeft tijdens de uitvoering van het door [gedaagde 2] aan haar opgedragen bodemonderzoek schade toegebracht aan kabels van [eiseres]. [eiseres] houdt [gedaagde 1] als grondroerder aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad en stelt dat [gedaagde 2] als hoofdaannemer dan wel als opvolgend grondroerder in de graafketen medeaansprakelijk is. [eiseres] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling tot betaling van een voorschot daarop en diverse nevenvorderingen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten iedere vorm van aansprakelijkheid en vorderen voor het geval de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen in (voorwaardelijke) reconventie vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de beslagen die [eiseres] ter verzekering van verhaal van haar vermeende vorderingen ten laste van hen heeft gelegd.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en (dus ook) [gedaagde 2] niet jegens [eiseres] aansprakelijkheid zijn voor de kabelschade. Een en ander maakt dat de vorderingen van [eiseres] integraal worden afgewezen. Omdat daarmee vaststaat dat [eiseres] onrechtmatig beslag heeft gelegd, worden de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot schadevergoeding (voor [gedaagde 1] op te maken bij staat) toegewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 31 januari 2025, met de producties 1 tot en met 16 en de beslagstukken;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 R aan de zijde van [gedaagde 2], met de producties 1 tot en met 3;
- de akte tot referte van [eiseres];
- het vonnis in incident van 28 mei 2025;- de conclusie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie aan de zijde van [gedaagde 2], met de producties 1 tot en met 14;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring aan de zijde van [gedaagde 1], met 1 productie;
- de akte tot referte van [eiseres];
- het vonnis in incident van 20 augustus 2025;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde 2], tevens houdende eiswijziging in conventie, met de producties 17 en 18;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie aan de zijde van [gedaagde 1], met de producties 1 tot en met 6;
- de antwoordakte eiswijzing aan de zijde van [gedaagde 2];
- de antwoordakte (eiswijziging) aan de zijde van [gedaagde 1];- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde 1], met productie 18;
- de akte houdende overlegging productie aan de zijde van [gedaagde 1], met de producties 7 tot en met 9;- de akte overlegging nadere producties aan de zijde van [eiseres], met productie 20.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, mr. Crommelin en mr. Potharst mede aan de hand van spreekaantekeningen, waarbij mr. Potharst uitsluitend de paragrafen 1 en 2 van haar zittingsaantekeningen heeft voorgedragen. De heer [naam] van [expertisebureau], de door [gedaagde 1] ingeschakelde partijdeskundige, heeft aan de hand van diverse tekeningen een presentatie gegeven over de ligging van de relevante kabels. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op heden.
3. De feiten
[eiseres] is een digitaal infrastructuurbedrijf en eigenaar en beheerder van diverse gegevenscentra en datanetwerken in en buiten Nederland.
[gedaagde 1] is gespecialiseerd in onder meer grondonderzoek ten behoeve van engineering en consulting projecten.
[gedaagde 2] is een ingenieurs-/adviesbureau op het gebied van ondergrondse infrastructuur. Zij houdt zich onder meer bezig met het in kaart brengen van ondergrondse kabels en leidingen en begeleidt haar opdrachtgevers bij eventuele wijzigingen van de ondergrondse infrastructuur.
[gedaagde 2] heeft in het najaar van 2023 vanuit [opdrachtgeefster] N.V. (hierna: “[opdrachtgeefster]”) de opdracht gekregen voor de (detail)engineering van een gestuurde boring nabij de [straatnaam] te Amsterdam (hierna: “de locatie”). Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw was het noodzakelijk om drie dieptesonderingen uit te voeren, waarvan één met de coördinaten X:123.916,00 – Y:481.193,80 en met een diepte van circa 25 meter (hierna: de Sondering). [gedaagde 2] heeft de uitvoering van de sonderingswerkzaamheden op haar beurt aan [gedaagde 1] opgedragen.
Op 17 november 2023 heeft [gedaagde 1] drie zogeheten KLIC-meldingen bij het Kadaster gedaan. Uit de naar aanleiding van die meldingen verkregen KLIC-tekening bleek dat in de omgeving waar de sonderingswerkzaamheden moesten worden uitgevoerd – voor zover relevant – twee mantelbuizen met glasvezelbekabeling van [eiseres] lagen:
Figuur 1: De KLIC-tekening van het Kadaster met de theoretische ligging van de twee mantelbuizen van [eiseres] nabij de Sondering.
Het betreft twee mantelbuizen die zich ter hoogte van de Sondering bevinden en door een ondergrondse boring zijn aangelegd. Het betreft allereerst een mantelbuis met als kenmerk 7302-15-RT-01. Deze mantelbuis bevindt zich ter hoogte van de Sondering op een diepte van circa 80 centimeter (hierna: “Mantelbuis 1”). De tweede mantelbuis met als kenmerk 170353.6RT-01 bevindt zich ter hoogte van de Sondering op een diepte van circa 11 meter (hierna: “Mantelbuis 2”).
Op 28 november 2023 heeft [gedaagde 1] de sonderingswerkzaamheden uitgevoerd. In de omgeving van de Sondering heeft [gedaagde 1] eerst handmatig een proefsleuf gegraven met een lengte van meer dan één meter en een diepte van ongeveer 90 centimeter om de netten rondom de sondeerlocatie te lokaliseren. [gedaagde 1] heeft daarbij meerdere netten (mantelbuizen met daarin kabels) gevonden. Vervolgens heeft [gedaagde 1], terwijl de proefsleuf open lag en de gelokaliseerde netten in de proefsleuf zichtbaar waren, ter plaatste van de Sondering handmatig verder voorgeboord tot een diepte van twee meter. Omdat [gedaagde 1] bij dat verder voorboren geen netten (meer) tegenkwam heeft zij in het voorgeboorde gat een buis geplaatst. Daarna heeft zij door die buis, met gebruikmaking van een elektrische conus met een diameter van circa 44 millimeter en met een hellingmeter (sondeerrups), de Sondering gemaakt tot een diepte van 35 meter. Daarbij is door de Sondering schade toegebracht aan een mantelbuis en daarin gelegen kabels van [eiseres]. Door die schade is een storing ontstaan op een (glasvezel)verbinding van [eiseres]. [eiseres] heeft daarop meteen [bedrijfsnaam] BV (hierna: [bedrijfsnaam]) ingeschakeld voor een onderzoek naar de oorzaak van de storing. Het ‘Damage report’ dat naar aanleiding daarvan door [bedrijfsnaam] is opgemaakt, vermeldt: “Location of incident: in drilling 7302-15-RT-01”. Dit is Mantelbuis 1. Vervolgens heeft [bedrijfsnaam] een (nood)reparatie uitgevoerd om de verbinding te herstellen. Bij factuur van 6 december 2023 heeft [bedrijfsnaam] daarvoor een bedrag van € 16.954,97 ex. btw/€ 20.515,51 incl. btw bij [eiseres] in rekening gebracht (hierna: “de Factuur”).
Op 20 februari 2024 is de locatie door [bedrijfsnaam] onderzocht en ontgraven in een poging de schade inzichtelijk te maken. Dit bleek niet mogelijk omdat de schade zich te diep in de grond bevond. Later bleek dat niet Mantelbuis 1, maar de dieper gelegen Mantelbuis 2 was beschadigd.
Bij e-mail van 27 februari 2024 heeft [eiseres] (desgevraagd) een tekening van de feitelijke ligging van Mantelbuis 1 en Mantelbuis 2 (hierna: “de [eiseres]-tekening”) en een boorprofiel van de boring van Mantelbuis 2 (hierna: “het boorprofiel van Mantelbuis 2”) aan [gedaagde 1] toegezonden. De [eiseres]-tekening en het boorprofiel van Mantelbuis 2 waren naar aanleiding van de KLIC-melding niet met [gedaagde 1] gedeeld, omdat ze door [eiseres] als ‘vertrouwelijk’ zijn aangemerkt.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Figuur 2 De ‘vertrouwelijke’ [eiseres]-tekening met ingetekend de Sondering. Zichtbaar zijn de mantelbuizen en de twee boringen die worden aangeduid met de rechthoeken om de mantelbuizen heen.
De uitvergroting van de (feitelijke) ligging van Mantelbuis 1 en Mantelbuis 2 en de Sondering op de [eiseres]-tekening:
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Figuur 3: Uitsnede van de ‘vertrouwelijke’ tekening van [eiseres]. Op de tekening is zichtbaar dat de mantelbuizen elkaar kruisen: een van de mantelbuizen bevindt zich eerst aan de ene, en daarna aan de andere kant van de andere mantelbuis.
Op het boorprofiel van Mantelbuis 2 is de Sondering ingetekend. Ter hoogte van nummer 41, dat het dichtst bij de Sondering ligt, ligt Mantelbuis 2 volgens het boorprofiel op een diepte van 11,98 meter.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Figuur 4: Het boorprofiel van Mantelbuis 2 met de ingetekende Sondering. De boring van Mantelbuis 2 is langer dan van Mantelbuis 1.
Op 4 maart 2024 heeft [bedrijfsnaam] aan [eiseres] een ‘Quotation’ toegestuurd, waarin de kosten gemoeid met het herstel van Mantelbuis 2 worden geraamd op € 257.107,92 ex. btw (hierna: “de Quotation”). 3.11. Bij brief van 8 maart 2024 heeft [eiseres] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de beschadiging van Mantelbuis 2. De schade wordt geschat op € 275.000 ex. btw, gebaseerd op de Factuur (incl. btw) en de Quotation die beide bij de brief waren gevoegd.
Omdat enige reactie op de aansprakelijkstelling uitbleef, heeft [eiseres] [gedaagde 1] bij berichten van 25 juni 2024 en 10 juli 2024 gerappelleerd. Hierop heeft [gedaagde 1] ook niet gereageerd. Wel is er nadien eenmaal telefonisch contact geweest tussen [eiseres] en [gedaagde 1]. Daarbij heeft [gedaagde 1] laten weten dat [gedaagde 2] haar de opdracht heeft gegeven de werkzaamheden (in onderaanneming) uit te voeren.
Bij brief van 3 september 2024 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afzonderlijk gesommeerd om de schade, op dat moment vastgesteld op € 277.623,43, te vergoeden door dit bedrag uiterlijk 3 oktober 2024 aan [eiseres] te voldoen.
[gedaagde 1] heeft (ook) hier niet op gereageerd. [gedaagde 2] heeft bij brief van 30 september 2024 iedere vorm van aansprakelijkheid van de hand gewezen en de schade betwist.
Uit hoofde van een op 17 januari 2025 door de voorzieningenrechter Amsterdam verleend verlof heeft [eiseres] op 20 januari 2025 conservatoire (derden)beslagen gelegd ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De beslagen hebben doel getroffen op meerdere bankrekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
Op 6 maart 2025 heeft [gedaagde 2] een bankgarantie aan [eiseres] verleend. Op 29 oktober 2025 heeft [gedaagde 1] een (aangepaste) verzekeringsverklaring aan [eiseres] verstrekt. De onder [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegde beslagen zijn daarop opgeheven.
[expertisebureau], in de persoon van de heer [naam], heeft in opdracht van [gedaagde 1] onderzoek gedaan naar de toedracht en de omstandigheden van het incident en de omvang van de schade. De expert van [expertisebureau] heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 11 juli 2025 (hierna: het Rapport). De conclusie van het Rapport is kortgezegd dat Mantelbuis 2 niet gelokaliseerd hoefde te worden, omdat deze volgens de KLIC-tekening te ver van de sondeerlocatie en daarmee buiten het geldende zoekgebied lag.
Op 16 september 2025 heeft [bedrijfsnaam] de Quotation herzien (hierna: “de herziene Quatation”). Aanleiding daarvoor was de door [gedaagde 2] geuite klacht dat het herstel zoals gespecificeerd in de Quotation zou leiden tot een verbetering ten opzichte van de situatie van vóór de schade waarin sprake was van een kleinere mantelbuis (4 kabels) dan de mantelbuis die in het kader van het herstel zou worden toegepast (6 kabels). In de herziene ‘Quotation’ zijn de kosten gemoeid met het herstel van Mantelbuis 2 bijgesteld tot een bedrag van € 240.996,69 ex. btw, waarmee de totale schade op dat moment werd gesteld op € 261.512,20.
4. Het geschil
in conventie
[eiseres] vordert – na wijzing van eis en samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] als gevolg van de beschadiging van Mantelbuis 2 heeft geleden, bestaande uit onderzoeks- en herstelkosten;
b. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 261.512,20 ter vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proces-, beslag- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
[eiseres] legt hieraan – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag.
ten aanzien van [gedaagde 1] 4.2.1. [gedaagde 1] heeft voorafgaand aan en bij de uitvoering van de sonderingswerkzaamheden onvoldoende maatregelen getroffen om schade aan de eigendommen van [eiseres] te voorkomen. De coördinaten van de Sondering lagen precies op het tracé van Mantelbuis 2. Daarmee lag Mantelbuis 2 binnen het door [gedaagde 1] in acht te nemen zoekgebied en had zij Mantelbuis 2 moeten lokaliseren – hetgeen eenvoudig kon omdat uit de door [gedaagde 1] gedane KLIC-melding en de interactieve kaart in de KLIC-app blijkt waar de kabels van [eiseres] zich bevinden – en/of om aanvullende gegevens over de ligging moeten verzoeken. Door dit na te laten heeft [gedaagde 1] de op haar als grondroerder rustende zorgvuldigheidsnorm geschonden en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. [gedaagde 1] is dus op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade.
ten aanzien van [gedaagde 2] 4.2.2. [gedaagde 2] is als hoofdaannemer op grond van artikel 6:171 BW mede aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van haar onderaannemer [gedaagde 1]. Naast deze kwalitatieve aansprakelijkheid rust op [gedaagde 2] een hoofdelijke schuldaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW in verband met schending van de (ook) op haar als bovenliggende partij in de zogenoemde ‘graafketen’ rustende onderzoeks- of verificatieplicht.
Schade 4.2.3. Onder verwijzing naar de Factuur en de herziene Quotation schat [eiseres] haar schade vooralsnog op een bedrag van € 261.512,20, bestaande uit kortgezegd schadeonderzoekskosten en herstelkosten. Herstel van Mantelbuis 2 vergt een nieuwe horizontale boring onder het wegdek. Eerst bij de voorbereiding en uitvoering van de herstelwerkzaamheden kan definitief worden vastgesteld wat de exacte lengte van de nieuwe boring moet zijn. Dit betekent dat het bedrag dat met het herstel van Mantelbuis 2 gemoeid is nog kan wijzigen. Daarom vordert [eiseres] voornoemd schadebedrag bij wijze van voorschot.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
[gedaagde 1] betwist primair dat zij onzorgvuldig jegens [eiseres] heeft gehandeld en (dus) aansprakelijkheid is voor de door [eiseres] gestelde schade. [gedaagde 1] stelt onder verwijzing naar het rapport van [expertisebureau] dat Mantelbuis 2 volgens de KLIC-tekening buiten het door haar te hanteren zoekgebied ligt, zodat zij Mantelbuis 2 niet hoefde te lokaliseren en ter zake ook geen extra informatie hoefde in te winnen. Subsidiair doet [gedaagde 1] een beroep op eigen schuld aan de zijde van [eiseres]. De gestelde schade zou mede het gevolg zijn van aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden. Meer subsidiair betwist [gedaagde 1] het bestaan, de omvang en de noodzaak tot herstel van de door [eiseres] gestelde schade. Een en ander doet [gedaagde 1] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis.
[gedaagde 2] betwist primair iedere vorm van aansprakelijkheid. Volgens haar is van het vermeende onrechtmatige handelen aan de zijde van [gedaagde 1] geen sprake. Mocht dit wel het geval zijn, dan geldt dat niet is voldaan aan de overige vereisten voor het aannemen van aansprakelijkheid aan de zijde van [gedaagde 2] op grond van artikel 6:171 BW of anderszins. Subsidiair betwist zij het bestaan, de hoogte en de noodzaak tot herstel van de door [eiseres] gestelde schade. Een en ander doet [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben beide (voorwaardelijke) reconventionele vorderingen ingesteld.
[gedaagde 1] vordert – onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [eiseres] aansprakelijk is jegens [gedaagde 1] voor de schade die [gedaagde 1] door het beslag heeft geleden en zal lijden;
II. [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde 1] van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
4.5.1.1. [gedaagde 1] legt hieraan – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag.
4.5.1.2. Bij vervulling van de voorwaarde is het beslag ten onrechte gelegd en is [eiseres] volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad als beslaglegger risicoaansprakelijk voor de schadelijke gevolgen daarvan. Het beslag heeft doel getroffen en blokkeerde de loonuitbetaling. Daarom heeft [gedaagde 1] opeenvolgende leningen afgesloten die nog niet volledig zijn afgelost en waarvoor rente is/wordt betaald. Daarnaast heeft zij advocaatkosten gemaakt in verband met een poging tot opheffing van het beslag. Omdat de schade nog doorloopt, kan deze momenteel niet worden begroot en wordt verwijzing naar de schadestaat gevorderd.
[gedaagde 2] vordert – eveneens onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde 2] van een bedrag van € 718,48 + P.M., te vermeerderen met rente en kosten.
4.5.2.1. [gedaagde 2] legt hieraan – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag.
4.5.2.2. Zoals in conventie aangevoerd, geldt dat [gedaagde 2] niet aansprakelijk is jegens [eiseres] zodat het beslag ten onrechte is gelegd. Het beslag heeft op meerdere bankrekeningen doel getroffen en het totale betalingsverkeer van [gedaagde 2] stilgelegd. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde 2] schade heeft geleden, die volgens vaste jurisprudentie in aanmerking komt voor vergoeding door [eiseres] op wie ter zake een risicoaansprakelijkheid rust. Het gaat om de kosten van de ter opheffing van het beslag door [gedaagde 2] op 5 maart 2025 verstrekte bankgarantie. Deze kosten worden door [gedaagde 2] begroot op een eenmalig bedrag van € 155 en op (1,25% per jaar voor € 369.900, het bedrag waarvoor beslag is gelegd =) € 4.511,38 per jaar oftewel € 375,65 per maand dat de bankgarantie in stand blijft.
[eiseres] voert verweer. Zij betwist dat haar vorderingen voor afwijzing gereed liggen en dus dat het scenario waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld zich voordoet. Er zal hooguit sprake zijn van gedeeltelijke (on)gegrondverklaring van de vorderingen van [eiseres]. In dat geval moeten de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beoordeeld worden aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van bevoegdheid. Hieraan is niet voldaan. Daarom concludeert [eiseres] te verklaren voor recht dat de voorwaarde voor indiening van de eis in reconventie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet is vervuld dan wel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen of deze af te wijzen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
Het geschil in conventie spitst zich toe op de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade aan Mantelbuis 2 veroorzaakt door de Sondering. [gedaagde 2] wordt aansprakelijk gehouden omdat zij (samengevat) opdracht heeft gegeven aan [gedaagde 1] tot het uitvoeren van de Sondering en [gedaagde 1] omdat zij de sonderingswerkzaamheden feitelijk heeft verricht. De rechtbank zal eerst de vorderingen tegen [gedaagde 1] beoordelen en vervolgens die tegen [gedaagde 2].
Ten aanzien van [gedaagde 1] Het juridisch kader
De vraag of [gedaagde 1] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade aan Mantelbuis 2, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 6:162 BW. Beoordeeld moet daarbij worden of [gedaagde 1] in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid betaamt ten aanzien van andermans goed (Mantelbuis 2 van [eiseres]).
De zorgplicht van [gedaagde 1] wordt mede ingekleurd door de per 31 maart 2018 geldende Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (“Wibon”), de opvolger van de voormalige Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (“Wion”). De Wibon legt aan een grondroerder een aantal (zorgvuldigheids)verplichtingen op ter voorkoming van schade aan leidingen/kabels door graafwerk. Voorts is van belang het arrest Liander/Paape. Dit arrest is weliswaar gewezen onder de toepasselijkheid van de Wion maar de relevante bepalingen van de Wion zijn ongewijzigd overgenomen in de Wibon. Het arrest is dus onverkort relevant onder de toepasselijkheid van de Wibon. De Hoge Raad heeft in het arrest Liander/Paape beslist dat bij de invulling van de zorgplicht ex artikel 6:162 BW in beginsel bij de Richtlijn CROW 500 ‘schade voorkomen aan kabels en leidingen’ (de Richtlijn CROW 500) moet worden aangesloten en – indien de rechter hiervan wil afwijken – dit gemotiveerd dient te gebeuren. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat de Richtlijn CROW 500 een weerslag betreft van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen, omdat deze is opgesteld door een breed samengesteld technisch geschoold gezelschap waarbij zowel opdrachtgevers, grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren.
Een en ander betekent dat het voor de onrechtmatigheid van het gedrag van [gedaagde 1] met name van belang is of zij zich heeft gehouden aan de Wibon, voor zover het gaat om de zorgplicht van een grondroerder, en aan de Richtlijn CROW 500.
Een grondroerder is volgens artikel 3 lid 2 Wibon gehouden zijn werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. De grondroerder dient daartoe: (i) vóór aanvang van de graafwerkzaamheden een graafmelding (KLIC-melding) te doen;(ii) onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie;(iii) op de graaflocatie de van de Dienst (het Kadaster) ontvangen gebiedsinformatie bij zich te hebben.
Ad (i) en (iii) KLIC-melding en het voorhanden hebben van de KLIC-tekening
Niet in geschil is dat [gedaagde 1] voorafgaand aan de uitvoering van de Sondering een KLIC-melding heeft gedaan. Naar onweersproken stelling van [gedaagde 1] was zowel de op de KLIC-melding ontvangen overzichtskaart als de interactieve kaart in de KLIC-app op de graaflocatie aanwezig. In zoverre heeft [gedaagde 1] dus aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 2 lid 3 Wibon voldaan.
Ad (ii) Lokalisering van kabels en leidingen 5.7. Ter discussie staat of [gedaagde 1] op grond van de onderzoeksplicht als genoemd onder (ii) gehouden was om Mantelbuis 2 te lokaliseren, zoals [eiseres] stelt en [gedaagde 1] betwist. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
Zoekgebied
Zoals tussen [eiseres] en [gedaagde 1] niet in geschil, hoefde [gedaagde 1] niet zonder meer alle netten te lokaliseren die op de KLIC-tekening voorkomen. Volgens de Richtlijn CROW 500 hoeft de grondroerder uitsluitend kabels en leidingen te lokaliseren die in het ‘zoekgebied’ liggen:
“Iedere kabel of leiding waarvan de theoretische ligging binnen het zoekgebied valt, moet worden gelokaliseerd omdat er tijdens het grondroeren risico op beschadigingen bestaat. Het lokaliseren is begrensd tot het zoekgebied.”
Het ‘zoekgebied’ moet volgens de Richtlijn CROW 500 als volgt worden bepaald:
“Zoekgebied
Het zoekgebied is het gebied waarbinnen kabels en leidingen gelokaliseerd moeten worden.
De begrenzing van het zoekgebied wordt als volgt bepaald:
- in het horizontale vlak is het zoekgebied het graafprofiel dat aan alle zijden wordt vermeerderd met de maak- en meettoleranties (0,50 meter) en met de nauwkeurigheid van de gebiedsgegevens (1,00 meter);
- in het verticale vlak is het zoekgebied het graafprofiel dat wordt vermeerderd met de maak- en meettoleranties (0,05 meter) en een extra marge (0,15 meter), doordat een nauwkeurigheidseis ontbreekt.”
Het graafprofiel is het gebied waar de grond wordt geroerd, hetgeen in dit geval overeenkomt met de diameter van de conus die – naar onweersproken stelling van [gedaagde 1] – 44 millimeter bedraagt. Uitgaande van het voorgaande bestond het horizontale zoekgebied (gerekend vanaf de coördinaten van de Sondering) in dit geval uit: de straal van het graafprofiel, te weten 0,022 meter plus een zone van 1,5 meter daaromheen aan maak- en meettoleranties. Een en ander maakt dat – wil sprake zijn van onzorgvuldig handelen en daarmee schadeplichtigheid aan de zijde van [gedaagde 1] – moet komen vast te staan dat Mantelbuis 2 volgens de KLIC-tekening binnen het zoekgebied oftewel binnen 1,522 meter van de coördinaten van de Sondering en 1,50 meter van de buitenwand van de conus lag. Alleen in dat geval – bijzondere omstandigheden, die niet door [eiseres] zijn aangevoerd, daargelaten – had [gedaagde 1] Mantelbuis 2 moeten lokaliseren en bij het niet kunnen vinden nadere acties moeten ondernemen:
“LET OP:
Is er in de gebiedsinformatie een breedte van een kabelbed of diameter van een leiding gegeven, controleer dan of de ligging van deze kabels of leidingen binnen het zoekgebied valt. In dat geval moeten ook deze kabels of leidingen worden gelokaliseerd.
Kabel of leiding NIET gevonden
Kan een kabel of leiding niet in het zoekgebied worden gevonden, dan moeten er aanvullende acties worden uitgevoerd. Hiervoor zijn de volgende mogelijkheden:
- verder zoeken tot 1 meter aan weerszijden van de theoretische ligging, ook wanneer daarmee de grens buiten het zoekgebied komst, of
- werken zoals in een risicogebied [...], of
- in contact treden met de netbeheerder. De netbeheerder komt met een passende oplossing om de grondroering uit te kunnen voeren. Het kan nodig zijn dat de netbeheerder de kabel of leiding lokaliseert.”
Ligt Mantelbuis 2 binnen het zoekgebied? 5.11. [eiseres] en [gedaagde 1] verschillen van mening over de (theoretische) ligging van Mantelbuis 2 volgens de KLIC-tekening. [eiseres] stelt dat Mantelbuis 2 op de KLIC-tekening binnen het zoekgebied ligt. [gedaagde 1] betwist dat. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten stelplicht en waar nodig bewijslast ter zake op [eiseres] als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De door haar met betrekking tot de theoretische ligging van Mantelbuis 2 gestelde feiten en omstandigheden zijn daarvoor ontoereikend. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.5.12. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van de door haar gestelde ligging naar de volgende weergave van Mantelbuis 1 (volgens [eiseres] de rode lijn) en Mantelbuis 2 (volgens [eiseres] de groene lijn) op de KLIC-tekening:
Figuur 5: De weergave van [eiseres] op basis van de KLIC-tekening.
Volgens [eiseres] bevindt Mantelbuis 2 (de groene lijn) zich op een afstand van 0,5 meter van de sondeerlocatie en daarmee binnen het zoekgebied. Mantelbuis 1 (de rode lijn) bevindt zich volgens [eiseres] op ruim twee meter van de sondeerlocatie. [eiseres] heeft echter niet toegelicht waaruit de door [eiseres] gestelde ligging van beide mantelbuizen zou blijken, terwijl [gedaagde 1] de juistheid hiervan gemotiveerd heeft betwist.
De door [gedaagde 1] ingeschakelde expert van [expertisebureau] heeft, zowel in het Rapport als in de als productie 7 overlegde en tijdens de mondelinge behandeling besproken presentatie, gedocumenteerd – namelijk aan de hand van de [eiseres]-tekening en de KLIC-tekeningen, zowel separaat als op elkaar geprojecteerd – toegelicht dat de mantelbuizen andersom liggen: Mantelbuis 2 is de verder van de sondeerlocatie gelegen rode lijn op de (bovenstaande) KLIC-tekening en Mantelbuis 1 de dichter bij de sondeerlocatie gelegen (op bovenstaande tekening groene) lijn. Volgens (de expert van) [gedaagde 1] komt de ligging van Mantelbuis 1 en Mantelbuis 2 op de KLIC-tekening niet overeen met de werkelijke ligging van beide mantelbuizen.
Het Rapport vermeldt over de ligging van Mantelbuis 1 (aangeduid als “boring 1”) en Mantelbuis 2 (aangeduid als “boring 2”), voor zover relevant:
“Afbeelding 5 toont hierbij een schermopname (…) van een plattegrond van [eiseres] (de [eiseres]-tekening, toevoeging rechtbank), waarop de door ons ingetekende pijlen wijzen op het eind-/beginpunt van deze twee boringen/kabeltracés (…) alsook (…) de door [bedrijfsnaam]/[eiseres] ingetekende locatie/coördinaten van [gedaagde 1]’s sondering. [afbeelding 5 verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Uit de (…) boorprofielen (die zich dus niet in de KLIC-informatie bevonden) blijkt ook dat boring 1 zich ter hoogte van [gedaagde 1]’s sondering op een diepte van circa 0,8 meter bevindt en boring 2 op een diepte van circa 11 meter.
Onderzoek en bevindingen van [expertisebureau] Aan de hand van de door [gedaagde 1] verstrekte tekening van haar sondering, de door haar opgevraagde KLIC-informatie én de diverse door [bedrijfsnaam]/[eiseres] verstrekte tekeningen stelden wij vast (…) dat de ligging van boring 2 op de plattegrond van [eiseres] verschilde van de (horizontale) ligging van dit kabeltracé van [eiseres] op de KLIC-plattegrond. Uit de door [bedrijfsnaam]/[eiseres] verstrekte plattegrond (die zich niet in de KLIC-informatie bevond) blijkt dat boring 1 en boring 2 elkaar kruisen. Volgens de theoretische ligging op de KLIC-plattegrond kruisen de kabels elkaar echter niet.
Afbeelding 6, 7 en 8 brengen het verschil tussen de plattegrond van [eiseres] en de KLIC-plattegrond in beeld, waarbij wij in afbeelding 6 de plattegrond van [eiseres] (blauw gestippeld kader) projecteerden op de KLIC-plattegrond (zwart kader) en in afbeelding 7 het relevante deel uitvergrootten. In afbeelding 8 maten wij de afstand van de sondeerlocatie tot de theoretische ligging van boring 2 (groene lijn) volgens de KLIC-plattegrond op 2,1 m. [afbeelding 6 verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
[afbeelding 7 verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
(…)6 OORZAAK
Vaststaat dat op 28 november 2023 een op een diepte van circa 11 meter gelegen mantelbuis, met daarin glasvezelkabels van [eiseres], beschadigd is geraakt. (…). Tevens merken wij op dat één van de(…) kabels (boring 2) daadwerkelijk anders (afwijkend) lag/ligt dan in de KLIC-informatie stond/staat aangegeven. Voor de proefsleuf die [gedaagde 1] conform CROW 500/WIBON groef om de kabels en leidingen rondom haar geplande sonderingen te lokaliseren, diende zij derhalve, voor wat de kabels van [eiseres] aangaat, op basis van die KLIC-informatie uitsluitend één ondiep en in haar proefsleuf gelegen kabeltracé van [eiseres] te lokaliseren. Doordat [gedaagde 1] daarna in haar proefsleuf één ondiep gelegen kabeltracé van [eiseres] lokaliseerde, zag zij dit dus bevestigd. De kabel die volgens de door haar ontvangen KLIC-plattegrond op ruim 2 meter van de sondeerlocatie lag, hoefde niet gelokaliseerd te worden.”5.14.2. Ook tijdens de mondeling behandeling is de door [eiseres] gestelde ligging van Mantelbuis 2 op de KLIC-kaart gemotiveerd weerlegd aan de hand van de volgende dia’s uit de PowerPoint van de expert van [expertisebureau]:
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Figuur 6: Dia uit de PowerPointpresentatie van de expert van [expertisebureau] waarin Mantelbuis 2
wordt aangeduid met ‘boring 2’en ‘Kabel 2’.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]
Figuur 7: Dia uit de PowerPointpresentatie van de expert van [expertisebureau] waarin Mantelbuis 2
wordt aangeduid met ‘boring 2’.
Figuur 8: Dia uit de PowerPointpresentatie van de expert van [expertisebureau] waarin Mantelbuis 2
wordt aangeduid met ‘kabel/boring 2’.
Afgezet tegen deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] haar stelling dat Mantelbuis 2 volgens de KLIC-tekening binnen het zoekgebied lag en door [gedaagde 1] gelokaliseerd had moeten worden onvoldoende onderbouwd. Bij deze stand van zaken wordt aan de door [eiseres] aangeboden bewijslevering niet toegekomen. Het dient ervoor gehouden te worden dat Mantelbuis 2 volgens de KLIC-tekening buiten het zoekgebied ligt en [gedaagde 1] deze vóór aanvang van haar sonderingswerkzaamheden om die reden niet hoefde te lokaliseren.
Voor zover [eiseres] nog heeft betoogd dat volgens de Richtlijn CROW 500 ook rekening moet worden gehouden met het verticale zoekgebied (zie 5.9), geldt dat Mantelbuis 2 ook buiten het (veel kleinere) verticale zoekgebied ligt, dat vanaf de rand van de conus slechts 0,222 meter bedraagt (0,05 meter + 0,15 meter + 0,022 meter).
Het primaire verweer van [gedaagde 1] slaagt dus: [gedaagde 1] is niet aansprakelijk voor de schade van [eiseres], omdat zij niet onzorgvuldig jegens [eiseres] heeft gehandeld.
Dat, zoals door [eiseres] nog aangevoerd, nergens uit zou blijken dat [gedaagde 1] Mantelbuis 1 wél heeft gelokaliseerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook al zou [gedaagde 1] Mantelbuis 1 ten onrechte niet hebben gelokaliseerd, dan leidt dit niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de door [eiseres] gevorderde schade. In dat geval ontbreekt causaal verband tussen het vermeende onrechtmatig handelen en de schade. Er is namelijk geen schade aan Mantelbuis 1, terwijl de extra te nemen maatregelen bij niet lokalisering van een kabel binnen het zoekgebied bedoeld zijn om te voorkomen dat die kabel geraakt wordt.
Tot slot heeft [eiseres] nog gesteld dat [gedaagde 1] met het boren een aanzienlijk risico zou hebben genomen, omdat de sonderingslocatie een zeer druk tracé betreft. Zoals terecht door [gedaagde 1] is aangevoerd, doet dit aan het voorgaande niets af. Ook dan geldt dat [gedaagde 1] ingevolge de Wibon en de Richtlijn CROW 500 uitsluitend rekening hoefde te houden met kabels en leidingen die volgens de KLIC-tekening binnen het zoekgebied lagen. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat Mantelbuis 2 zich – op basis van de voor [gedaagde 1] beschikbare gegevens, waaronder de KLIC-tekening – binnen het zoekgebied bevond.
Het voorgaande leidt ertoe dat de door [eiseres] ten aanzien van [gedaagde 1] gevorderde verklaring voor recht en het voorschot worden afgewezen, waarbij de nevenvorderingen evenmin voor toewijzing in aanmerking komen.
Ten aanzien van [gedaagde 2] 5.21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien [gedaagde 1] is van de door [eiseres] gestelde afgeleide dan wel opvolgende aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geen sprake. Ook ten aanzien van [gedaagde 2] liggen de vorderingen van [eiseres] dus voor afwijzing gereed.
Slotsom 5.22. De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] integraal worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden voor ieder van hen begroot op:
- griffierecht € 6.861- salaris advocaat € 5.770 ( 2 punten x € 2.885)- nakosten € 189 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing)Totaal € 12.820
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in (voorwaardelijke) reconventie
Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Met de integrale afwijzing van het gevorderde in conventie is voldaan aan de voorwaarde waaronder [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun reconventionele vorderingen hebben ingesteld.
Aansprakelijkheid van [eiseres] voor de gelegde (derden)beslagen 5.26. Degene die een beslag legt (en handhaaft) handelt eigen risico en, bijzondere omstandigheden daargelaten, dient de door het beslag geleden schade te vergoeden, indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij op verdedigbare gronden van zijn vordering overtuigd is en niet lichtvaardig heeft gehandeld. Op de beslaglegger rust in beginsel dus een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vorderingen waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond zijn.
Nu alle vorderingen van [eiseres] in conventie zijn afgewezen is [eiseres] dus aansprakelijk, tenzij blijkt van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn door [eiseres] niet gesteld en ook niet gebleken, zodat [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten gevolge van de beslagleggingen hebben geleden.
Ten aanzien van [gedaagde 1]
Schadeomvang
[gedaagde 1] stelt dat zij naar aanleiding van ten laste van haar gelegde (derden)beslagen schade heeft geleden. Zij stelt leningen te hebben moeten afsluiten in verband waarmee zij rente heeft moeten betalen. Daarnaast stelt zij advocaatkosten te hebben gemaakt. De betaalde rente onderbouwt [gedaagde 1] door overlegging van een Excel bestand met betaalde rente, de advocatenkosten door overlegging van tussentijdse declaraties.
[eiseres] betwist de betaalde rentebedragen niet en voert in verband met de gevorderde advocaatkosten als verweer dat uit de declaraties niet kan worden opgemaakt voor welk deel deze betrekking hebben op de opheffing van het beslag. Daarmee erkent [eiseres] dat [gedaagde 1] kosten heeft gemaakt ten gevolge van de gelegde (derden)beslagen. Nu die beslagen onrechtmatig zijn, brengt dat mee dat de door [gedaagde 1] gevorderde verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure kunnen worden toegewezen. De rechtbank ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om op grond van artikel 612 Rv de schade zelf te begroten.
Ten aanzien van [gedaagde 2] Schadeomvang
[gedaagde 2] stelt dat zij naar aanleiding van ten laste van haar gelegde (derden)beslagen schade heeft geleden. Zij heeft een bankgarantie verstrekt waarvoor zij onbestreden heeft gesteld de volgende kosten te maken: een eenmalig bedrag van € 155 en aanvullend 1,25% per jaar over het bedrag waarvoor beslag is gelegd (€ 360.900) gedurende de periode waarvoor de bankgarantie zal zijn verstrekt. Deze kosten heeft [gedaagde 2] ook met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank de vordering van [gedaagde 2] tot vergoeding van de schade zal toewijzen, zoals in het dictum bepaald.
Ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De kosten proceskosten van [gedaagde 1] worden als volgt : - salaris advocaat € 1.306 (2 punten x € 653)- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 1.495
De proceskosten van [gedaagde 2] worden als volgt begroot:- salaris advocaat € 1.108 (2 punten x € 554)- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 1.297
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. 6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] ten bedrage van € 12.820, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 2] ten bedrage van € 12.820, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten onder 6.2. en 6.3. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis wat onder 6.2 tot en met 6.4 uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
verklaart voor recht dat [eiseres] aansprakelijk is jegens [gedaagde 1] voor de schade die [gedaagde 1] door het beslag heeft geleden en zal lijden;
veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde 1] van die schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde 2] van een bedrag van € 155, te vermeerderen met de door [gedaagde 2] maandelijks betaalde rentebedragen van 1,25% over een bedrag van € 360.900, onder overlegging door [gedaagde 2] van betaalbewijzen, tot aan het moment waarop [eiseres] de bank conform artikel 7 van de bankgarantie uit haar verplichtingen heeft ontslagen;
veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde 2] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de voornoemde maandelijkse rentebetalingen met ingang van de dag van betaling van die termijnen door [gedaagde 2] aan de bank tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 1.495, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 1.297, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten onder 6.10 respectievelijk 6.11 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis onder 6.7 tot en met 6.12 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.