RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 26/9581
V-nummer: [V nummer]
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 14 mei 2024 om een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en kinderen (mvv-nareis).
De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen met H. Salem als tolk in de Syrische taal. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
1. Eiser is in 2022 uit Syrië gevlucht vanwege het oorlogsgeweld en hij heeft in Nederland asiel aangevraagd. Na een asielprocedure van twee jaar heeft hij een asielvergunning gekregen. Op 14 mei 2024 heeft hij een mvv-aanvraag ingediend voor zijn echtgenote en zijn vier kinderen, zodat zijn gezin in Nederland wordt herenigd. De mvv is een inreisvisum, bedoeld voor personen die langer dan 90 dagen in Nederland willen verblijven. Met een mvv kan een vreemdeling naar Nederland reizen en een verblijfsvergunning ophalen. De minister beoordeelt voorafgaand aan het verlenen van een mvv of de vreemdeling recht heeft op een verblijfsvergunning. Op de aanvraag van eiser heeft de minister nog steeds niet beslist. Eiser is ten einde raad omdat hij vreest voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen en hij heeft al vele procedures gevoerd en klachten ingediend om aandacht te vragen voor de moeilijke positie waarin zijn gezin zit.
2. De rechtbank heeft op 22 mei 2025 een beroep van eiser wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en de minister opgedragen om alsnog binnen veertien dagen te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500, -. De minister heeft niet voldaan aan de opdracht om binnen twee weken te beslissen. Daarom heeft eiser opnieuw beroep ingesteld. Met een uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank de minister opnieuw opgedragen om alsnog binnen veertien dagen te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000, -. Ook aan deze opdracht van de rechtbank heeft de minister niet voldaan. Daarom heeft eiser voor de derde keer beroep ingesteld. Met een uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank de minister opgedragen om uiterlijk op 16 mei 2026 alsnog te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500, -. Deze dwangsom loopt vol op 13 oktober 2026. De minister heeft ook aan deze derde opdracht van de rechtbank niet voldaan en nog steeds niet op de aanvraag beslist. Op 11 juni 2026 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op dit beroep wordt in deze uitspraak beslist.
De standpunten van partijen
De minister
3. De gemachtigde van de minister (hierna: de gemachtigde) heeft ter zitting gezegd zeker niet voor 13 oktober 2026 te zullen beslissen op de aanvraag van eiser en ook niet binnen afzienbare termijn daarna. Met de inwerkingtreding van de Wet invoering tweestatusstelsel zijn de mogelijkheden voor asielstatushouders om gezinsleden na te laten reizen gewijzigd. De wetgever heeft ervoor gekozen om het kerngezin in te perken en aanvullende voorwaarden te stellen voor nareisaanvragen en deze strengere regels ook toe te passen op aanvragen die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend en waarin nog geen besluit is genomen. De Raad van State noemde de toepassing van de nieuwe regels op reeds ingediende aanvragen eerder problematisch, omdat het onder andere tot een ongelijke behandeling leidt. De minister vindt het daarom belangrijk dat snel duidelijk wordt hoe de rechtbanken deze nieuwe wet beoordelen in individuele zaken. Daarom heeft de minister enkele zaken geselecteerd die zullen worden uitgeprocedeerd tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Totdat de Afdeling een richtinggevende uitspraak heeft gedaan en de gevolgen daarvan duidelijk zijn, stelt de minister het nemen van een besluit uit in alle overige zaken dit door de nieuwe regels worden geraakt. Dit betreft ruim 19.000 zaken, waaronder die van eiser. Op zijn website geeft de minister aan dat daarmee wordt voorkomen dat afgehandelde zaken later opnieuw moeten worden beoordeeld. Dat zou vervelend zijn voor de aanvrager en ook een extra belasting betekenen voor onder andere de IND, de rechtspraak en de advocatuur. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat de ruim 19.000 zaken na de uitspraak van de Afdeling zullen worden afgedaan volgens het ‘first in, first out’-principe, dat betekent op volgorde van binnenkomst.
4. De gemachtigde heeft ter zitting benadrukt wel de nodige stappen te nemen om aanvragen compleet te maken zodra zij aan de beurt zijn. De minister kan geen tijdpad schetsen voor de zaak van eiser en ook geen toezegging doen op welke termijn op zijn aanvraag zal worden beslist, anders dan dat zijn zaak zo snel mogelijk wordt opgepakt nadat de Afdeling een richtinggevende uitspraak heeft gedaan. Ter zitting heeft de gemachtigde gezegd dat de uitspraak van de Afdeling niet wordt verwacht voordat de lopende dwangsom op 13 oktober 2026 is volgelopen en dat het ook daarna nog langer kan duren voordat op de aanvraag van eiser wordt beslist. Inmiddels is een DNA-onderzoek gedaan en is het vaderschap van eiser met 99,99% zekerheid vastgesteld. De moeder van eisers dochter [minderjarige] is nog steeds niet gehoord, hoewel de rechtbank in de vorige uitspraak al heeft geoordeeld dat daartoe tot 16 mei 2026 voldoende tijd resteerde. Eiser heeft de benodigde contactgegevens op 6 mei 2026 al aan de IND verstrekt, maar de gemachtigde van de minister weet niet op welke termijn de moeder van [minderjarige] alsnog kan worden gehoord.
Eiser
5. Eiser en zijn gezin zijn Syriërs. Hij heeft met zijn echtgenote drie kinderen, die nu 13, 12 en 7 jaar oud zijn. Zijn jongste dochter, [minderjarige] , is 4 jaar en heeft een andere moeder. Zij woont met haar moeder in Quatar. Zijn echtgenote en drie kinderen zijn eerst gevlucht naar Zuid Libanon, maar vanwege de aanvallen van Israël verblijven ze nu in [plaats] , dat is in het grensgebied met Syrië. [plaats] wordt gezien als Hezbollah-gebied. Zij zijn Sjiitisch en worden om die reden geassocieerd met Hezbollah. Het gebied is herhaaldelijk doelwit van militaire aanvallen en luchtaanvallen. Uit krantenberichten is bekend dat op 14 november 2024 een Israëlische luchtaanval op [plaats] heeft plaatsgevonden, waarbij minstens twaalf Libanese reddingswerkers van de Lebanese Civil Defence omkwamen. Bij een andere aanval vielen acht doden. In mei 2026 vonden grootschalige luchtaanvallen plaats op [plaats] , waarbij een raket een appartementen-complex trof. Met het ingaan van het bestand in juni 2026 is het relatief rustig in [plaats] , maar recente aanvallen maken de situatie weer zeer onvoorspelbaar.
6. Eiser heeft al vele malen benadrukt dat zijn vrouw en drie kinderen in een oorlogsgebied verblijven. Hij toont op de zitting foto’s van rookwolken na raketaanvallen nabij het huis van zijn gezin. Op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het reisadvies voor Libanon de kleurcode rood. Volgens eiser is sprake van een actieve oorlogssituatie en verkeert zijn gezin in een acute noodsituatie door de bombardementen. Hij maakt zich vreselijk zorgen om hun veiligheid in Libanon. Ze kunnen volgens hem ook niet terugkeren naar Syrië, omdat het daar voor hen ook nog niet veilig is omdat ze Sjiitisch zijn.
7. Eiser is de wanhoop nabij, omdat de minister uiterlijk in november 2024 al had moeten beslissen op de nareis-aanvraag. De procedure duurt veel te lang en ondanks rechterlijke opdrachten is er nog steeds geen zicht op een beslissing. Eiser begrijpt ook niet waarom de minister niet alvast een mvv afgeeft voor zijn echtgenote en haar drie kinderen in Libanon, vanwege de noodsituatie waarin zij verkeren. Omdat [minderjarige] niet in acute nood is, vraagt hij de minister om haar aanvraag desnoods af te splitsen, als dat de afgifte van een mvv voor de anderen kan versnellen. Ook op dit verzoek krijgt eiser geen antwoord van de minister.
8. Eiser vraagt de rechtbank om een uiterste beslistermijn van maximaal zeven dagen op te leggen met een substantiële, direct opeisbare dwangsom. Subsidiair vraagt eiser de rechtbank om overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2026 de aanvraag als fictief ingewilligd te beschouwen.
Het wettelijk kader
9. Indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. De bestuursrechter verbindt aan zijn uitspraak een dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere voorziening treffen.
10. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten de belangen van het kind een eerste overweging vormen bij alle beslissingen en maatregelen die kinderen aangaan. Dat betekent dat de onveilige situatie waarin de kinderen van eiser zich in verkeren, zwaar mee moeten wegen in de beslissing van de rechtbank. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie garandeert het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en vereist daarmee een effectief rechtsmiddel.
Beoordeling door de rechtbank
11. Het opleggen van een aanvullende of hogere dwangsom vormt naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen effectief rechtsmiddel, omdat de minister niet zal beslissen op de aanvraag van eiser totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan. De rechtbank zal daarom geen dwangsom bepalen, maar een andere voorziening treffen om een effectief rechtsmiddel te bieden. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen twee weken alsnog op de aanvraag van eiser te beslissen, bij gebreke waarvan eiser moet worden behandeld alsof aan hem de aangevraagde mvv voor zijn echtgenote en kinderen is verleend.
12. De rechtbank overweegt dat een opdracht aan de minister om eisers gezin te behandelen alsof een mvv is verleend een verregaande beslissing is. Eisers gezin heeft daarmee immers toegang tot Nederland, terwijl de minister de besluitvorming daarover nog niet heeft afgerond. De rechtbank ziet echter in de omstandigheden van dit geval aanleiding om daartoe over te gaan. Tegenover de belangen van de minister bij een zorgvuldige en afgeronde besluitvorming en het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of het juridisch verdedigbaar is dat de nieuwe regels met terugwerkende kracht worden toegepast, staat het belang van eiser bij een snelle beslissing op zijn aanvraag om zijn gezin naar Nederland te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van eiser zwaarder. Eiser heeft de aanvraag al op 14 mei 2024 ingediend. De wettelijke beslistermijn is drie maanden, maar de minister heeft deze termijn rechtsgeldig verlengd tot zes maanden. De minister heeft echter niet binnen die termijn beslist, omdat de zaak volgens het fifo-beginsel nog niet aan de beurt was. Aan drie rechterlijke opdrachten om alsnog te beslissen heeft de minister geen gevolg gegeven. De minister heeft de zaak laten liggen tot de invoering van strengere regels voor nareis, die vervolgens met terugwerkende kracht op de aanvraag van eiser worden toegepast, en wil nu de beslissing op de aanvraag nog verder uitstellen totdat de hoogste rechter in andere zaken uitspraak heeft gedaan over die toepassing met terugwerkende kracht. Niet is gebleken dat de minister zich op enig moment in die lange tijd, ondanks de vele noodkreten van eiser, een beeld heeft gevormd van de specifieke omstandigheden van eiser en zijn gezin, noch zich heeft afgevraagd of het nog wel verantwoord is om deze zaak nog langer te laten liggen.
13. De keuze van de minister om vast te houden aan het fifo-beginsel is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onverantwoord. De minister moet in uitzonderlijke situaties afwijken van het fifo-beginsel en daar is de minister ook toe bevoegd. Ook de Afdeling heeft in een eerdere zaak geoordeeld dat de keuze van de minister voor de fifo-beginsel niet ten koste mag gaan van de individuele rechtsbescherming van de aanvrager. Van de minister mag worden verwacht dat hij oog heeft voor de individuele aspecten van een zaak, te meer als de veiligheid en het welzijn van kinderen in geding zijn. Dat de echtgenote en kinderen van eiser zich in een gevaarlijk gebied bevinden dat wordt gebombardeerd, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende reden om de aanvraag met voorrang te behandelen. Dat daardoor een andere aanvraag, waarin geen sprake is van klemmende redenen, later aan de beurt komt is naar het oordeel van de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. In dit verband weegt de rechtbank mee dat de minister wel aanleiding heeft gezien om af te wijken van het fifo-beginsel om enkele zaken uit te kunnen procederen in de hierboven beschreven proefprocedures.
14. De rechtbank benadrukt dat de minister niet alleen keuzes maakt in de volgorde van afhandeling van mvv-aanvragen. Ook de inzet van de capaciteit, mensen en financiële middelen, van de teams binnen de IND is van invloed op het al dan niet tijdig kunnen beslissen op de mvv-aanvragen. Ook daarin kan de minister andere keuzes maken, door bijvoorbeeld meer prioriteit geven aan de afhandeling van schrijnende zaken, maar de minister kiest categoraal voor fifo-principe. Bezuinigingsplannen van de minister op de IND in voorgaande regeerperioden, in plaats van noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit vanwege al jaren bestaande structurele achterstanden in de afhandeling van zaken, heeft ook niet bijgedragen aan het tijdig beslissen op aanvragen binnen de wettelijke termijnen waaraan de minister zich moet houden. Ook dit zijn keuzes geweest die voor rekening van de minister komen.
15. De rechtbank weegt ook mee dat de Nationale Ombudsman al op 10 maart 2025 een klacht van eiser gegrond heeft verklaard, maar ook daarin heeft de minister geen aanleiding gezien om spoedig op de aanvraag te beslissen. In de hiervoor al aangehaalde uitspraak van 21 mei 2025 benadrukt de Afdeling dat een nareisaanvraag gezinshereniging tot doel heeft en een langdurige scheiding van gezinsleden afbreuk doet aan het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn en wezenlijk raakt aan het in artikel 7 van het EU Handvest vervatte recht op familie- en gezinsleven en het in artikel 24 van het EU Handvest vervatte recht van kinderen op bescherming. Dit betekent dat een lange scheiding van gezinsleden een negatief effect heeft op het recht op familie- en gezinsleven en het recht van kinderen op bescherming. Eiser heeft zelf al in januari 2022 asiel aangevraagd in Nederland en hij heeft zijn echtgenote en kinderen al meer dan vier jaar niet gezien. Dit heeft met name voor de opgroeiende kinderen het onomkeerbare gevolg dat zij hun vader in een belangrijke fase van hun ontwikkeling hebben moeten missen. Daar komt nog bij dat de kinderen in een oorlogsgebied opgroeien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij zijn beslissing om de mvv-aanvraag voor onbepaalde tijd aan te houden de belangen van de kinderen niet een eerste overweging van de minister hebben gevormd, waarmee de minister artikel 3 van het IVRK heeft geschonden en nog steeds schendt. Tot slot vindt de rechtbank van belang dat niet door de minister is gesteld of anderszins is gebleken dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde of veiligheid in Nederland, op grond waarvan de echtgenote en kinderen de toegang tot Nederland zou moeten worden geweigerd.
Conclusie
16. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op om binnen twee weken alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag. Als de minister opnieuw geen gevolg geeft aan deze opdracht, dan moet eiser worden behandeld alsof aan hem een mvv voor zijn echtgenote en kinderen is verleend. Dat betekent dat ze dan naar Nederland mogen komen en aan hen een verblijfvergunning moet worden verleend.
17. Eiser heeft kosten gemaakt in deze procedure. Het gaat om een bedrag van € 212,19 voor het inschakelen van een tolk op de zitting en reiskosten tot een bedrag van € 12,70, uitgaande van de prijs van een NS-retour tweede klas en een ov-chipkaartvergoeding. De minister moet deze kosten aan eiser betalen.
18. De minister moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van M.C. Kramer, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.