ECLI:NL:RBDHA:2026:23968

ECLI:NL:RBDHA:2026:23968

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/09/694734
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verdeling, tussenvonnis. Wisselbepaling artikel 69 Rv met betrekking tot vordering tot nakoming alimentatieverplichting die bij een verzoekschrift bij de familierechter moet worden ingediend. Verdeling diverse banksaldi. Geen dwangsom over een geldsom. Vordering tot terugbetaling door gedaagde van opgenomen bedragen van de bankrekeningen van de kinderen vraagt om een machtiging van de kantonrechter. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld die machtiging te verkrijgen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak-/rolnummer: C/09/694734 / HA ZA 25-1021

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

gekozen woonplaats te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna: [eiseres] ,

advocaat: mr. A. Fakiri,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , thans verblijvende te [plaats 1] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna: [gedaagde] ,

advocaat: mr. S. Bhulai.

1. De procedure

Het procesdossier bevat de volgende stukken:

- de dagvaarding van [eiseres] van 14 november 2025, met de producties 1 tot en met 4;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 7 januari 2026, met de producties 1 tot en met 4;

- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] van 17 februari 2026, met de producties 1 en 2;

- een B-16-formulier van [eiseres] van 7 april 2026, met productie 5;

- de akte uitlating van [gedaagde] van 11 mei 2026, met productie 5;

- een B-16-formulier van [eiseres] van 12 mei 2026, met productie 6;

- een antwoordakte uitlating van [eiseres] van 12 mei 2026;

- een akte eisvermeerdering na mondelinge behandeling en akte uitlating van [eiseres] van 12 mei 2026;

- de antwoordakte eisvermeerdering van [gedaagde] van 5 juli 2026;

- het B-16-formulier van [gedaagde] van 5 juli 2026 met een wijziging antwoordakte.

Op 14 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Na ontvangst van de antwoordakte eisvermeerdering van [gedaagde] is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn op [dag] 2006 te [plaats 2] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben een zoon en een dochter (hierna samen: de kinderen) gekregen, die zijn geboren in respectievelijk 2008 en 2011.

Op 22 juni 2020 heeft [eiseres] een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank.

[gedaagde] is sinds 12 augustus 2020 gedetineerd. Op 1 maart 2021 is [gedaagde] door de strafrechter van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar wegens poging tot uitlokking van moord, meermalen gepleegd, op [eiseres] .

Bij beschikking van 11 juni 2021 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarbij tevens is beslist over de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die onder meer bankrekeningen omvatte. De peildatum is vastgesteld op 22 juni 2020.

Aan [gedaagde] zijn toegedeeld de saldi op de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en

[rekeningnummer 4] op naam van [gedaagde] , onder verrekening van de helft van de saldi per de peildatum met [eiseres] .

Aan [eiseres] is toebedeeld het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] op naam van [eiseres] , en de saldi van de eventuele bankrekeningen op naam van de vrouw bij Knab Bank en Triodos, onder verrekening van de helft van het saldo per de peildatum met [gedaagde] . De beschikking houdt verder onder meer in:

“Bankrekeningen kinderen

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld.

Volgens de vrouw heeft de man diverse bedragen van de bankrekeningen van de kinderen

afgeschreven zonder toestemming van de vrouw. De man heeft ter zitting aangegeven dat

hij, voor zover hij bedragen van die rekeningen heeft afgehaald, deze zal terugstorten.”

Verder is in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat [gedaagde] aan [eiseres] met ingang van 11 juni 2021 een kinderalimentatie zal betalen van € 66 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De echtscheidingsbeschikking is op 15 oktober 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

[gedaagde] komt zijn alimentatiebetalingsverplichting niet na. [eiseres] heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen verzocht de inning over te nemen.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2024 is het verzoek van [gedaagde] de kinderalimentatie met ingang van 11 juni 2021 op nihil te stellen afgewezen.

Partijen hebben de saldi van de bankrekeningen nog niet verrekend.

3. Het geschil

in conventie

[eiseres] vordert na eisvermeerdering – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 [gedaagde] beveelt om binnen veertien dagen na het vonnis inzage te verlenen aan eiseres in de saldi van al zijn bankrekeningen op de peildatum 22 juni 2020 en over te gaan tot verrekening van deze saldi met [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

 [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van de door de rechtbank vastgestelde verplichting tot betaling van kinderalimentatie, tot op heden begroot op € 8.481,12, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

 [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis € 4.757,27 te betalen aan [eiseres] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige kinderen, in verband met aan de bankrekeningen van de kinderen onttrokken bedragen;

 [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 [eiseres] beveelt om binnen veertien dagen na het vonnis over te gaan tot verrekening van de saldi van haar bankrekeningen met nummer [rekeningnummer 5] , de bankrekening bij Knab bank en Triodos en inzage te verlenen in de saldi van die bankrekeningen op peildatum 22juni 2020, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

 [eiseres] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

[eiseres] voert verweer. [eiseres] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

De bankrekeningen

Beide partijen vorderen verrekening van het saldo van de bankrekeningen die aan de ander zijn toebedeeld. Daartoe hebben beide partijen bankafschriften overgelegd.

[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] onvoldoende inzicht heeft gegeven in het saldo van bankrekening [rekeningnummer 4] , maar daar gaat de rechtbank niet in mee. De door [gedaagde] overgelegde bankafschriften dateren van vóór en na de peildatum en vermelden beide het saldo van € 0,46. Ook is vermeld dat over 2020 geen rente is ontvangen. Gelet op die concrete informatie heeft [eiseres] haar stelling dat het saldo per peildatum niet kan worden vastgesteld onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres] het saldo van haar bankrekening [rekeningnummer 6] op dezelfde wijze heeft onderbouwd. De vordering om [gedaagde] te bevelen inzage te geven in zijn bankrekeningen zal dan ook worden afgewezen.

Op basis van de overgelegde stukken stelt de rechtbank de saldi van de bankrekeningen op de peildatum vast op de volgende bedragen:

Toebedeeld aan [eiseres]

Bankrekening

Saldo op peildatum

[rekeningnummer 5]

€ 92,22

[rekeningnummer 6]

€ 5,05

Triodos-bankrekening

n.v.t.

Totaal

€ 97,27

Toebedeeld aan [gedaagde]

Bankrekening

Saldo op peildatum

[rekeningnummer 1]

€ 1.345,80

[rekeningnummer 2]

€ 0,51

[rekeningnummer 3]

€ 0,00

[rekeningnummer 4]

€ 0,46

Totaal

€ 1.346,77

Dit betekent dat [eiseres] recht heeft op de helft van € 1.346,77, dus op € 673,39. [gedaagde] heeft recht op de helft van € 97,27, dus op € 48,63. Na verrekening (waarop [gedaagde] een beroep heeft gedaan) moet [gedaagde] € 624,76 betalen aan [eiseres] . De vordering van [eiseres] tot verrekening zal daarom bij eindvonnis tot dit bedrag worden toegewezen, en de vordering van [gedaagde] zal dan worden afgewezen.

Dwangsom

[eiseres] heeft nog gevorderd dat aan een veroordeling van [gedaagde] om overgaan te gaan tot verrekening met [eiseres] een dwangsom wordt verbonden. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering afwijzen, omdat een dwangsom niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering). De rechtbank beschikt bovendien thans over voldoende informatie, zodat voor het verbinden van een dwangsom aan een door de rechtbank op te leggen verplichting tot het overleggen van stukken ook geen reden is.

Achterstallige kinderalimentatie

[eiseres] heeft een nakomingsvordering ingesteld ten aanzien van de achterstallige kinderalimentatie, op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft de verplichting tot betaling van kinderalimentatie vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking, maar [gedaagde] heeft tot op heden niets betaald.

[gedaagde] heeft de verplichting op zichzelf niet betwist, maar heeft erop gewezen dat hij niet in staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Verder heeft hij de bevoegdheid van de civiele rechter betwist en gesteld dat deze vordering moet worden verwezen naar de familierechter. Tot slot heeft hij het belang bij de vordering betwist.

De rechtbank overweegt als volgt. De verzoekschriftprocedure is dwingend voorgeschreven als het gaat om zaken van levensonderhoud verschuldigd op grond van boek 1 BW. Dit geldt ook als het gaat om een vordering tot nakoming. De aard van de onderliggende kwestie is hier immers doorslaggevend. Hierom zal de rechtbank voor dit onderdeel de wisselbepaling van art. 69 Rv toepassen en de zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de familierechter. Iedere verdere beslissing op dit punt zal worden aangehouden.

Terugstorting afgeschreven bedragen bankrekeningen van de kinderen

[eiseres] heeft, naar aanleiding van de mondelinge behandeling, haar eis vermeerderd in die zin dat zij, mede in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen, terugbetaling vordert van een geldbedrag van € 4.757,27 dat [gedaagde] van de bankrekeningen van de kinderen zou hebben afgeschreven. Hoewel zij deze kwestie in de dagvaarding wel heeft genoemd, heeft ze verzuimd om daaraan in de dagvaarding een vordering te verbinden.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering, omdat de vordering en de grondslagen van die vordering pas na de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht en hij daarop niet in de conclusie van antwoord heeft kunnen reageren.

De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van [gedaagde] ongegrond is. Op grond van artikel 130, eerste lid, Rv is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of te vermeerderen, zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Toen dit punt ter sprake kwam tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aangekondigd dat, als [eiseres] haar eis zou vermeerderen, [gedaagde] gelegenheid zou krijgen om daarop te reageren. Die gelegenheid is hem vervolgens geboden en hij heeft daarvan ook gebruik gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de eisvermeerdering niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank stelt verder vast dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling bij de familierechter van 30 april 2021 aan [eiseres] heeft toegezegd dat hij, voor zover hij bedragen van de bankrekeningen van de kinderen heeft afgehaald, deze zal terugstorten. Gelet op deze ter zitting gedane toezegging mocht [eiseres] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] eventueel door hem onttrokken bedragen daadwerkelijk op deze bankrekeningen van de kinderen zou terugstorten. Uit de beschikking kan verder genoegzaam worden afgeleid dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de bankrekeningen van de kinderen niet tot de gemeenschap van goederen van partijen behoorden. Dit blijkt uit de omstandigheid dat dit punt niet onder 5 (inzake tot de gemeenschap van goederen behorende bankrekeningen) is behandeld maar verderop, onder de losse punten, in combinatie met de omstandigheid dat de rechtbank heeft geoordeeld dat na de toezegging van [gedaagde] voor verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen geen verdere beslissing nodig was. De saldi op de rekeningen behoorden dus tot het vermogen van de kinderen. [gedaagde] is rechtens verplicht om zijn toezegging jegens [eiseres] , die evident bedoeld was ten faveure van de kinderen, na te komen.

Genoegzaam gebleken is dat [gedaagde] daadwerkelijk bedragen van de bankrekeningen van de kinderen heeft onttrokken. Uit de bankafschriften die [eiseres] als productie 3 heeft overgelegd blijkt dat [gedaagde] op 21 april 2020 een bedrag van € 2.403,72 heeft afgeschreven van de bankrekening van zijn zoon en een bedrag van € 2.353,55 van de bankrekening van zijn dochter. [eiseres] kan, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen, dan ook in beginsel van deze toezegging nakoming vorderen, zij het dat zij daartoe, in verband met het bepaalde in art 1:253k jo. art. 1:349 lid 1 BW, een machtiging van de kantonrechter nodig heeft. Deze machtiging ontbreekt nog. De rechtbank ziet aanleiding [eiseres] in de gelegenheid te stellen een machtiging bij de kantonrechter te vragen en deze bij akte ter rolle in het geding te brengen. [gedaagde] zal op deze akte mogen reageren.

Iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

verwijst de zaak in conventie voor wat betreft de ‘achterstallige kinderalimentatie’ naar het Team Familie van deze rechtbank, en bepaalt dat de procedure daar wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;

verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2026 voor akte aan de zijde van [eiseres] zoals in 4.13 bedoeld;

bepaalt dat [gedaagde] daarop bij akte ter rolle mag reageren;

in conventie en in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand