RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/5176 en SGR 26/65175
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
en
(gemachtigde: mr. B.A. Veenendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder het traject schuldhulpverlening ingevolge de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) van eiser beëindigd.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 mei 2026 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Eiser exploiteert een administratiekantoor onder de handelsnaam [handelsnaam] . Daarnaast is hij bestuurder van de [stichting] en is hij op vrijwillige basis actief als countrymanager Ivoorkust voor de stichting Pum Netherlands senior experts.
Op 25 november 2025 heeft eiser zich bij verweerder gemeld voor schuldhulpverlening in het kader van de Wgs. Bij besluit van 8 december 2025 zijn eiser en zijn echtgenote toegelaten tot het Voortraject (Duurzame Financiële Dienstverlening). Bij dit besluit is een plan van aanpak en een afsprakenlijst opgenomen. Zo is als afspraak vermeld dat eiser geen nieuwe schulden mag maken en ook geen andere financiële verplichtingen mag aangaan, dat eiser geen bankrekening mag hebben waarop hij rood staat, dat hij de medewerker schuldhulpverlening direct informeert bij wijzigingen in zijn financiële en/of persoonlijke omstandigheden, dat hij alle informatie geeft die van invloed is of kan zijn op de schuldhulpverlening, dat hij alle afspraken stipt nakomt en zijn volledige medewerking verleent aan het schuldhulpverleningstraject, dat hij zich moet inspannen om werk te vinden of te behouden en ook moet proberen zijn inkomen te verhogen. Daarbij is vermeld dat als eiser zich niet aan deze afspraken houdt, de schuldhulpverlening zal worden beëindigd.
Verweerder heeft vervolgens aan FBA Adviesgroep verzocht een onderzoek in te stellen naar en advies uit te brengen aan de Kredietbank over de exploitatievooruitzichten en de financieringsmogelijkheden van het bedrijf van eiser. De FBA Adviesgroep heeft een levensvatbaarheidsonderzoek uitgevoerd en hierover op 25 februari 2026 rapport uitgebracht.
In het rapport van 25 februari 2026 heeft de FBA Adviesgroep geconcludeerd dat de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf voldoende zijn en dat het bedrijf levensvatbaar is. Eiser kan een inkomen realiseren dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en de voorziening in de kosten van het bestaan en om daarnaast een saneringskrediet af te lossen. Daarbij is aangegeven dat met het gerealiseerde inkomen van de partner sprake is van voldoende cashflow om een saneringskrediet te kunnen dragen. Geadviseerd is om aan eiser een saneringskrediet van € 16.100,- te verstrekken met daarbij een aantal voorwaarden. Voorts is eiser geadviseerd om zich volledig te concentreren op de werkzaamheden in zijn bedrijf en zijn vrijwilligerswerkzaamheden af te bouwen, om geen onbetaalde krachten of stagiaires in te zetten voor operationele werkzaamheden en zijn privé-uitgaven te minimaliseren (onttrekking uit het bedrijf van maximaal € 7.000,- per jaar). Wat betreft zijn vrijwilligerswerk heeft FBA Adviesgroep aangegeven dat eiser voor deze werkzaamheden een maandelijkse onkostenvergoeding krijgt van € 170,- en dat zij van mening zijn dat een tijdsbesteding van 200 tot 250 uur niet passend is gelet op de financiële problemen van eisers bedrijfsvoering.
Bij het primaire besluit van 18 mei 2026 heeft verweerder het traject schuldhulpverlening beëindigd, omdat eiser niet aan zijn verplichtingen die aan hem als voorwaarden zijn opgelegd is nagekomen.
Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder om advies gevraagd aan een externe adviseur. Deze adviseur heeft zich in zijn rapport aangesloten bij het standpunt van verweerder in diens besluit van 18 mei 2026. Het dossier geeft geen beeld van een stabiele financiële situatie geeft en van een voldoende levensvatbaar bedrijf. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies, het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Op grond van artikel 49m, eerste lid, van de Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn (verder: Nadere regels) is de belanghebbende verplicht om naast de verplichtingen zoals vastgelegd in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Gedragscode en de modules van de NVVK alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens de schuldhulpverlening.
Op grond van artikel 49m, tweede lid, van de Nadere regels bestaat de medewerking onder andere uit:
a. het nakomen van afspraken, aanvullende voorwaarden en verplichtingen, zoals het aanvragen van beschermingsbewind;
b. de verplichting om zich in te spannen om werk te vinden of te behouden, dan wel het inkomen te verhogen, waarbij de inspanning hiertoe aangetoond moet worden;
c. geen nieuwe schulden maken of aangaan en alle lopende vaste lasten iedere maand op tijd betalen;
d. alle extra inkomsten en vermogen te melden en te reserveren voor de schuldeisers;
e. meewerken aan budgetbeheer en budgetcoaching.
4. Verweerder heeft de schuldhulpverlening beëindigd omdat eiser zich niet aan de volgende verplichtingen heeft gehouden:
1) eiser heeft nieuwe schulden gemaakt en zijn vaste lasten niet (op tijd) betaald, namelijk zijn leasepenningen in de maanden februari 2026 en maart 2026 alsmede de huur over die maanden. Voorts heeft eiser zijn maandelijks lopende zakelijke fiscale verplichtingen niet voldaan en zijn er andere lasten gestorneerd vanwege onvoldoende saldo, waaronder bij Paypal;
2) eiser heeft zijn financiële uitgaven niet in overeenstemming met het levensvatbaarheidsrapport aangepast. Eiser heeft in de maanden januari, februari en maart 2026 een bedrag van (1100 + 2300 + 2300=) € 5.700 onttrokken aan zijn privé rekening wat hoger is dan de toegestane (7.000 : 12=) € 583,- per maand;
3) eiser heeft onvoldoende inspanningen gedaan om zijn inkomen te verhogen. Eiser is voor vrijwilligerswerk naar het buitenland gaan reizen terwijl een tijdsbesteding van 200 tot 250 uur aan vrijwilligerswerk niet passend is;
4) eiser heeft inkomsten ontvangen voor zijn vrijwilligerswerkzaamheden, te weten een betaling van € 3.270,- in maart 2026, en die inkomsten niet gemeld.
Verplichting 1: Nieuwe schulden/vaste lasten
Eiser heeft erkend dat over de maanden februari 2026 en maart 2026 sprake was van achterstanden in de leasepenningen, fiscale verplichtingen en storneringen en dat hij zijn vaste lasten, zoals huur, niet heeft betaald. Eiser heeft als verklaring hiervoor gegeven dat er sprake was van overmacht, omdat zijn debiteuren hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen en hij daardoor onvoldoende geld had. Volgens eiser was de oplegde voorwaarde onhaalbaar.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde voorwaarde. Ter zitting is namens verweerder uitgelegd dat de voorwaarde nodig is om een stabiele situatie te creëren. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende reden om te concluderen dat eiser zich niet diende te houden aan de opgelegde verplichting. Eiser heeft dan ook in strijd met de verplichting van artikel 49m, tweede lid, aanhef en onder c, van de Nadere regels nieuwe schulden gemaakt en zijn vaste lasten niet betaald.
Verplichting 2: Privé onttrekkingen
In het toekenningsbesluit van 8 december 2025 zijn de afspraken vastgelegd waar eiser zich aan moet houden. Per jaar mag niet meer dan € 7.000,- worden onttrokken. In het toekenningsbesluit van 8 december 2025 is niet vastgelegd dat de (maximale) hoogte van het bedrag dat eiser mag onttrekken aan zijn privé rekening € 583,- per maand bedraagt. Dit betekent dat het bestreden besluit een gebrek kent.
Verplichting 3: Inspannen inkomen verhogen
Eiser heeft aangegeven dat hij een export overeenkomst met Aequitas Invest met een werkkapitaal van € 50.000,- heeft gesloten en dat dit een directe en succesvolle invulling van zijn wettelijke inspanningsverplichting is om zijn inkomen te verhogen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de opgelegde inspanningsverplichting ziet op het verhogen van het inkomen vanuit zijn onderneming en dat dit bij voornoemde overeenkomst niet het geval is.
De rechtbank stelt vast dat bij het toekenningsbesluit van 8 december 2025 weliswaar de afspraak is vastgelegd dat eiser moet proberen zijn inkomen te verhogen, maar dat daarin niet vermeld staat dat dit alleen mag plaatsvinden vanuit zijn eigen onderneming. Verweerder heeft dan ook ten onrechte eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft gedaan om zijn inkomen te verhogen. Ook op dit punt kent het bestreden besluit dus een gebrek.
Verplichting 4: opgave van inkomsten
Onbetwist is dat eiser in maart 2026 een bedrag van € 3.270,- uit zijn vrijwilligerswerk heeft ontvangen. Anders dan eiser heeft gesteld is dit bedrag aan te merken als inkomen. Wat hier ook van zij, vast staat dat eiser de ontvangst van dit bedrag niet heeft gemeld, zodat hij de verplichting als bedoeld in artikel 49m, tweede lid, aanhef en onder d, van de Nadere regels heeft geschonden.
Evenredigheid van de beëindiging
6. Eiser voert aan dat zijn vrouw niet op de hoogte was dat hij schulden heeft gemaakt, dat zij daar stressvol op gereageerd en dat zij daardoor vanwege een burn-out een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend heeft gekregen. Ook heeft eiser er op gewezen dat hij slachtoffer is uit de Kindregeling voor de toeslagenaffaire. Deze omstandigheden geven de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit onevenredig te achten en dat van de beëindiging van de schuldhulpverlening moet worden afgezien.
Conclusie
7. Het voorgaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in strijd met zijn verplichtingen nieuwe schulden is aangegaan, zijn vaste lasten niet heeft betaald en dat hij de ontvangst van een geldbedrag niet heeft gemeld. Op grond hiervan heeft verweerder de schuldhulpverlening mogen beëindigen. De rechtbank stelt tevens dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd, nu eiser ten onrechte is verweten dat hij zijn verplichtingen dat hij een te hoog bedrag heeft onttrokken en dat hij onvoldoende heeft gedaan om zijn inkomen te verhogen niet is nagekomen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. Immers, de verplichtingen die eiser wel heeft geschonden geven voldoende reden om de schuldhulpverlening te beëindigen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.