Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/322361-25
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in [instelling 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 maart 2026, 1 juni 2026 (pro forma) en 12 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E.G. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. N. Stegerhoek naar voren is gebracht.
Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. H.J. Oosterhagen namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2025 t/m 6 november 2025 te [plaats] met een aan zijn zorg en/of gezag en/of waakzaamheid toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2010) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- tongzoenen en/of
- het (meermaals) brengen en/of houden en/of bewegen van zijn geslachtsdeel in haar mond en/of vagina.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
De aanleiding voor onderhavige strafzaak is gelegen in het telefonisch contact van een medewerker van [instelling 2] , een zorginstelling voor jongeren, met Team Zeden van de politie eenheid Den Haag.
Op de [instelling 2] -locatie in [plaats] zouden twee minderjarige bewoonsters van een gesloten groep voor uithuisgeplaatste meisjes met problematiek op het gebied van (seksuele) afhankelijkheidsrelaties in de nacht van 5 op 6 november 2025 zijn verkracht door twee medewerkers. Het bleek te gaan om bewoonsters [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) van 14 jaar oud en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van 15 jaar oud.
Vervolgens zijn beide meisjes door de politie gehoord en is door de manager behandelzaken van [instelling 2] aangifte gedaan.
Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] (hierna: verdachte) en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) door [instelling 2] via het platform [bedrijf] als uitzendkrachten waren ingehuurd. Zij werkten die avond en nacht op de groep van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De verdachte had een waakdienst en [medeverdachte] had in eerste instantie een slaapdienst, die nadien werd omgezet naar een waakdienst vanwege een mogelijke ontsnappingspoging door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Die avond hebben de meisjes daadwerkelijk gepoogd te ontsnappen, wat is voorkomen door verdachte en [medeverdachte] .
[slachtoffer 2] had bij de ontsnappingspoging haar knie bezeerd en had toestemming gekregen om in de woonkamer van de groep te blijven onder begeleiding van [medeverdachte] . [slachtoffer 1] is naar haar slaapkamer gebracht. De verdachte moest voor haar deur posten.
[slachtoffer 1] en verdachte hebben zich op enig moment bij [medeverdachte] en [slachtoffer 2] in de woonkamer gevoegd. [medeverdachte] besloot op enig moment een joint te roken en deze met de meisjes te delen. Hierna ontvouwde zich een situatie waarin de verdachten en de meisjes samen “Doen, durven of de waarheid” speelden. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat [slachtoffer 1] op enig moment bij de verdachte op schoot moest gaan zitten en dat zij werd uitgedaagd om met hem te tongzoenen, wat zij deed. [slachtoffer 1] kreeg ook de vraag of zij met de verdachte naar haar kamer durfde te gaan, waaraan zij gehoor gaf.
[slachtoffer 1] heeft verklaard die nacht in haar slaapkamer op verschillende momenten seks te hebben gehad met verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op ‘een aan zijn zorg, gezag of waakzaamheid toevertrouwd kind’ niet kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Een aan zijn zorg, gezag of waakzaamheid toevertrouwd kind
Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de bewoonsters van de gesloten meidengroep “ [groep] ” die bewuste nacht van 5 op 6 november 2025 aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte waren toevertrouwd.
[slachtoffer 1] bevond zich als uithuisgeplaatste minderjarige op de meidengroep, die zij niet mocht verlaten. De verdachte was die nacht aanwezig als professional om onder meer over [slachtoffer 1] te waken en natuurlijk ook om voor haar te zorgen, als dat nodig mocht zijn. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van een situatie waarbij [slachtoffer 1] aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 5 november 2025 t/m 6 november 2025 te [plaats] met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2010) seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten tongzoenen en het (meermaals) brengen en bewegen van zijn geslachtsdeel in haar mond en vagina.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, bestaande uit een contact- en locatieverbod, en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Hierbij dient de vervangende hechtenis volgens de officier van justitie te worden bepaald op twee weken per overtreding met een maximale duur van zes maanden.
Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een beroepsverbod voor werkzaamheden in de zorg wordt opgelegd voor de maximale duur van tien jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van circa achttien maanden passend is. De raadsman heeft daarbij aandacht gevraagd voor proceshouding van de verdachte, die erop neerkomt dat de verdachte openheid van zaken heeft gegeven. Ook heeft de raadsman naar voren gebracht dat de strafzaak, onder meer vanwege de media-aandacht en detentieomstandigheden, al veel negatieve gevolgen voor de verdachte heeft gehad.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf, ontzetting uit een recht en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermaals verkrachten van het vijftienjarige slachtoffer dat aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Het slachtoffer mocht in het bijzijn van de verdachte een paar trekken van een joint nemen die zijn collega aan het roken was. Enige tijd later, na een seksueel getint spel tussen de verdachte, [medeverdachte] , [slachtoffer 2] en het slachtoffer, ging de verdachte tot tweemaal toe met het slachtoffer naar haar kamer en verkrachtte hij haar zowel oraal als vaginaal.
Het slachtoffer woonde in een zorginstelling voor jongeren op een afdeling specifiek gericht op problematiek betreffende (vaak seksuele) afhankelijkheidsrelaties. Uitgerekend op de plek waar het slachtoffer de bescherming moest krijgen die zij nodig had en zich veilig moest voelen heeft de verdachte zich meermaals in haar eigen slaapkamer aan het slachtoffer vergrepen. Hiermee heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en gevoel van veiligheid. Op de terechtzitting is namens het slachtoffer een spreekrechtverklaring voorgedragen waarin op treffende wijze is verwoord hoe het handelen van de verdachte haar vertrouwen in de medemens heeft weggenomen en dat haar leven zich als gevolg van deze gebeurtenis heeft gevuld met gevoelens van angst en onrechtvaardigheid.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij die avond enkel aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften heeft gedacht. Hij heeft zijn taak als professionele zorgmedewerker op een ernstige manier verzaakt. Evenmin heeft hij oog gehad voor de gevolgen en het leed die zijn gedragingen met zich hebben gebracht voor de ouders van het slachtoffer, die erop mochten vertrouwen dat hun kind veilig was in de instelling waar zij verbleef. Ook is de verdachte voorbijgegaan aan hetgeen zijn handelen teweeggebracht heeft voor de beroepsgroep en het maatschappelijk vertrouwen in zorgprofessionals aan wie de dagelijkse zorg voor jongeren zoals het slachtoffer wordt toevertrouwd. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in dergelijke zorginstellingen is op grove wijze beschaamd en de zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijk onbegrip geleid.
De rechtbank weegt in strafverhogende zin mee dat de seksuele handelingen onbeschermd plaatsvonden, met risico’s op ongewenste zwangerschap en seksueel overdraagbare aandoeningen voor het slachtoffer.
Proceshouding
De raadsman heeft aandacht gevraagd voor de proceshouding van de verdachte. De rechtbank volgt de raadsman in zoverre dat de verdachte op de terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat er in de nacht van 5 op 6 november 2025 is gebeurd. Op de rechtbank kwam deze verklaring ook oprecht over. In ogenschouw moet echter worden genomen dat de verdachte er pas na afronding van het opsporingsonderzoek, en er belastend forensisch DNA-bewijs voorhanden was, voor heeft gekozen een bekennende verklaring af te leggen. Voordat er belastend forensisch bewijs werd gevonden, heeft de verdachte de verkrachting ontkend dan wel zich op zijn zwijgrecht beroepen. Dat is de verdachte zijn recht, maar de uiteindelijk bekennende verklaring moet wel in deze context worden bezien. Voor wezenlijke strafvermindering met het oog op de proceshouding van de verdachte ziet de rechtbank onder deze omstandigheden dan ook geen aanleiding.
Detentieomstandigheden
De verdachte is tijdens zijn voorarrest meermaals mishandeld door medegedetineerden en vanwege ernstige zorgen over zijn veiligheid overgeplaatst naar een andere afdeling of een andere penitentiaire inrichting. Aan deze mishandelingen heeft de verdachte letsel overgehouden.
De mishandelingen hielden ermee verband dat medegedetineerden bekend werden met de inhoud van deze zaak. Het spreekt voor zich dat de detentie voor iedere gedetineerde, waaronder de verdachte, veilig zou moeten verlopen. Voor de verdachte is dat meerdere keren niet het geval geweest. Dit heeft niet alleen gevolgen gehad voor het fysieke welzijn van de verdachte, maar ook voor zijn gevoel van veiligheid. Voor hem is de detentie dus extra zwaar geweest. De rechtbank weegt de verzwaarde detentieomstandigheden van de verdachte in strafmatigende zin mee.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026 en stelt vast dat de verdachte in 2024 tweemaal een verkeersovertreding heeft begaan. De rechtbank weegt dit noch in strafmatigende, noch in strafverhogende zin mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 4 maart 2026, waaruit volgt dat de verdachte heeft meegewerkt aan het gesprek met de reclassering, maar dat hij niet wilde spreken over zijn seksualiteitsbeleving of toestemming wilde geven om referenten te raadplegen. De reclassering heeft vanwege de op dat moment ingenomen proceshouding geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive.
Volgens de reclassering levert de leeftijd van de verdachte en het slachtoffer geen aanwijzing op voor het bestaan van een pedofiele stoornis bij de verdachte, waardoor het delict vooral antisociaal aandoet en waarbij de verdachte uit lijkt te zijn gegaan van zijn eigen behoeftes, inspeelde op de kwetsbaarheid van het slachtoffer en niet lijkt te hebben nagedacht over mogelijke gevolgen.
Op basis van het gebrek aan delictgeschiedenis, de proceshouding van de verdachte ten tijde van het opmaken van het reclasseringsadvies en het ontbreken aan verdere aanwijsbare problemen ziet de reclassering onvoldoende indicatie voor reclasseringstoezicht. Gezien de kwetsbaarheid van de slachtoffers wordt bij een veroordeling wel de noodzaak van een contactverbod met zowel de slachtoffers als de medeverdachte (met politietoezicht) gezien, in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. Gelet op de omstandigheid dat de reclassering het recidiverisico niet heeft kunnen inschatten, onthoudt zij zich van advies omtrent het dadelijk uitvoerbaar verklaren van dergelijke voorwaarden.
Verder adviseert de reclassering bij veroordeling van de verdachte een beroepsverbod aan hem op te leggen voor de duur van vijf jaren, waarbij de verdachte niet mag werken als hulpverlener in de zorg- en welzijnssector.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt. Evenwel komt zij door een andere weging van de persoonlijke omstandigheden tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Beroepsverbod
Als een verdachte bepaalde misdrijven in de uitoefening van een beroep pleegt, kan die verdachte worden ontzet uit het recht op de uitoefening van dat beroep.
De verdachte heeft in juni 2025 de opleiding tot persoonlijk begeleider in de maatschappelijke zorg afgerond en hiervoor een geldig diploma behaald. Gebleken is dat de verdachte als uitzendkracht op diverse plekken in de (maatschappelijke) zorg werkte via het platform [bedrijf] . Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was de verdachte werkzaam op een gesloten afdeling voor meisjes met problematiek op het gebied van (vaak seksuele) afhankelijkheidsrelaties. De minderjarige meisjes waren die nacht aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd.
De rechtbank ziet op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, in combinatie met de omstandigheid dat de gedragingen van de verdachte een schending vormen van hetgeen waarvoor hij vanuit zijn opleiding en beroep behoort te staan, aanleiding om de ontzetting van het recht om elk beroep als hulpverlener in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, dan wel een soortgelijke functie in de zorg- en welzijnssector uit te spreken. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank dat ook de reclassering heeft geadviseerd tot de oplegging van een beroepsverbod.
Van groot belang is dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met personen die in de uitoefening van zijn beroep aan zijn zorg of waakzaamheid kunnen worden toevertrouwd. De rechtbank zal het beroepsverbod opleggen voor de maximale duur van negen jaren, nu de ontzetting van de uitoefening van dit recht de duur van de op te leggen gevangenisstraf ten hoogste vijf jaren te boven mag gaan.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank ziet, ter bescherming van het slachtoffer, eveneens aanleiding om ingevolge artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod aan de verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaren.
Het contactverbod houdt in dat de verdachte op geen enkele manier – direct of indirect – contact opneemt met het slachtoffer [slachtoffer 1] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met een maximale duur van zes maanden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om ook een locatieverbod aan de verdachte op te leggen of om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de wettelijk vertegenwoordigers van [slachtoffer 1]
[naam 1] en [naam 2] hebben zich in hun hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigers van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevoegd in het strafproces en vorderen namens haar een schadevergoeding van € 11.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 50,00 aan materiële schade en € 11.000,00 aan immateriële schade.
De vordering van [instelling 2]
Verder heeft [instelling 2] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De organisatie vordert een schadevergoeding van € 44.500,00.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de wettelijk vertegenwoordigers van benadeelde partij [slachtoffer 1] , vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [instelling 2] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de wettelijk vertegenwoordigers van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de gevorderde vergoeding van materiële schade dient te worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman de hoogte betwist en verzocht om het toe te wijzen bedrag te matigen.
Verder heeft de raadsman zich ten aanzien van de vordering door [instelling 2] op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de wettelijk vertegenwoordigers van [slachtoffer 1]
Materiële schade
De vordering is, voor zover deze betrekking heeft op het gevorderde geldbedrag voor de door het slachtoffer gedragen kleding, voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Voorts kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 11.000,00.
Conclusie met betrekking tot de vordering
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 11.050,00, bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 11.000,00 aan immateriële schade. De gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank toewijzen met ingang van 6 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.050,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .
BEM-clausule
Voorts zal de rechtbank bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordigers kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.
De vordering van [instelling 2]
Ontvankelijkheid
De vordering van [instelling 2] is middels een ‘voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’ ingediend door gemachtigde [naam 3] . Alvorens de rechtbank kan overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering, dient zij de ontvankelijkheid van de indiener in die vordering te beoordelen. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt ten aanzien van de vordering van [instelling 2] vast dat uit het voegingsformulier volgt dat voornoemde persoon daartoe gemachtigd is door de heer [naam 4] . Echter, de rechtbank kan op basis van enkel het voegingsformulier – dat niet is voorzien van onderbouwende stukken en tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet nader is toegelicht of onderbouwd – niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen of de heer [naam 4] ten tijde van het indienen van de vordering over de bevoegdheid beschikte om [instelling 2] met behulp van een gemachtigde in rechte te laten vertegenwoordigen. Reeds gelet op het voormelde zal de rechtbank de benadeelde partij [instelling 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Proceskostenveroordeling
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf, de ontzetting van de verdachte uit een recht en de op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 36f, 38v, 38w, 248, 254 en 254a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, begaan jegens een anderszins aan de zorg en waakzaamheid van diegene toevertrouwd kind, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering namens de benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 11.050,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 11.050,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 80 (TACHTIG) DAGEN; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
BEM-clausule
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, te openen spaarrekening met een BEM-clausule;
de vordering van de benadeelde partij [instelling 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
beroepsverbod;
ontzet de verdachte uit het recht tot directe of indirecte uitoefening van elk beroep als hulpverlener in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, dan wel een soortgelijke functie in de zorg- en welzijnssector, voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN;
vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht;
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (VIJF) JAREN op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de navolgende persoon: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 (ZES) MAANDEN;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. A. Vink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2026.