ECLI:NL:RBDHA:2026:24024

ECLI:NL:RBDHA:2026:24024

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer NL26.48279
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Vovo hangende bezwaar art. 72, derde lid, van de Vw 2000. Interstatelijke vertrouwensbeginsel Duitsland. Geen Bahaddar-omstandigheden. Verzoek afgewezen. Geen pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48279

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Op 19 augustus 2026 heeft de minister aan verzoeker middels een vluchtaanzegging medegedeeld dat hij op 26 augustus 2026 om 11:00 uur zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 21 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die erop ziet dat hij niet wordt uitgezet en de uitkomst van het bezwaar in Nederland mag afwachten.

De minister heeft op 24 augustus een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Gelet op de spoedeisendheid van het verzoek heeft er geen zitting plaatsgevonden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij een oordeel van de voorzieningenrechter, omdat hij op 26 augustus 2026 al wordt overgedragen aan de Duitse autoriteiten.

3. De voorzieningenrechter beoordeelt of de belangen van verzoeker ertoe moeten leiden dat de geplande overdracht niet doorgaat. Hiervoor bekijkt zij of het de verwachting is dat het bezwaar van verzoeker tegen die overdracht kans van slagen heeft. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure in een eventuele latere procedure niet hoeft te volgen.

4. Uit het overgelegde dossier blijkt het navolgende.

Bij besluit van 3 augustus 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker van 24 juli 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland hiervoor verantwoordelijk wordt geacht. Bij brief van 25 juli 2026 heeft de minister verzoeker in de gelegenheid gesteld om te reageren op dat Duitsland dan wel Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Van deze gelegenheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt. Evenmin heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit aan Duitsland.

De minister heeft de Duitse autoriteiten verzocht om verzoeker over te nemen. Op 28 juli 2026 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan.

5. Het bezwaar van verzoeker is gericht tegen de feitelijke uitzetting naar Duitsland. Dit is een handeling van de minister die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 met een besluit is gelijkgesteld.

6. Verzoeker voert aan dat met betrekking tot Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Verzoeker is hiv-positief. Hij vreest geen opvang en geen medische behandeling te zullen krijgen.

7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Het maken van een dergelijk bezwaar is mogelijk, als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Het ligt daarbij op de weg van een vreemdeling om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit, heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar t. Nederland, van 19 februari 1998.

8. Verzoeker heeft geen bezwaren naar voren gebracht in de asielprocedure. Evenmin heeft verzoeker beroep aangetekend tegen het overdrachtsbesluit. Verder blijkt uit het bezwaarschrift niet dat sprake is van omstandigheden die zijn gewijzigd na het nemen van het besluit en het verstrijken van de beroepstermijn. De verwijzing naar het nieuwsartikel van mei 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Los van het feit dat uit het artikel niet blijkt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen in het kader van Dublinclaimanten niet nakomt, blijkt uit recente jurisprudentie van de Afdeling dat Nederland voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet daarop kan de minister aannemen dat verzoeker in Duitsland opvang en medische zorg zal krijgen. De overige door verzoeker in bezwaar aangehaald bezwaren zien verder niet op de feitelijke overdracht.

9. De voorzieningenrechter heeft tot slot geen aanwijzingen gezien dat hier sprake is van Bahaddar-omstandigheden.

10. Gelet op het voorgaande dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand